Home | Publicaties | SERmagazine | 2006 | oktober 2006 | Een eerlijk verhaal

“Je moet keuzes maken”

Het middellange-termijnadvies stond nog niet op de site of de mailtjes stroomden binnen. Berichten in de media brachten bij flink wat mensen de nodige beroering teweeg. Sommigen waren boos om wat zij zagen als bejaardenbelasting, anderen vonden dat huisvrouwen werden ‘gepakt’. Kroonlid Kees Goudswaard maakte het wordingsproces van het advies van dichtbij mee. Volgens de Leidse hoogleraar toegepaste economie is het MLT-advies een heel genuanceerd verhaal geworden. “Maar je kunt nooit iedereen voor 100 procent tevreden stellen.”

Mariek de Valk

Het is zeker niet de eerste keer dat de SER boze reacties krijgt, constateert Kees Goudswaard. “Ik herinner me dat we indertijd over de WAO stapels brieven binnenkregen. Het is goed dat mensen reageren. Dat is ook wat we nastreven: open zijn, reacties uitlokken, het maatschappelijk debat aanzwengelen en bredere groepen bereiken. Aan de andere kant moeten we soms pijnlijke afwegingen maken, waarbij bepaalde groepen getroffen worden. We hebben al in het advies ‘Van alle leeftijden’ (van begin 2005, red.) voorgesteld de AOW geleidelijk verder te fiscaliseren. Toen al was de wereld te klein en waren de ouderenbonden er zwaar op tegen. Er werd beweerd dat ouderen dubbel moesten gaan betalen. Maar dat is niet waar, de AOW is geen verzekering.

“Het protest van de ouderenbonden is later wel bijgetrokken, die kijken er nu veel genuanceerder tegen aan. Op een gegeven moment zijn steeds meer mensen de noodzaak van bepaalde maatregelen gaan inzien in het licht van de vergrijzing. Dat heeft misschien ook te maken met de manier waarop we deze voorstellen hebben gecommuniceerd. Dat je goed aangeeft dat het geleidelijk gebeurt, dat er fatsoenlijke overgangstermijnen zijn en dat het voor veel mensen betekent dat ze er op termijn wel op vooruitgaan, maar iets minder. Het gaat om een gelijkmatige inkomensontwikkeling van jong en oud. Je ziet dat steeds grotere groepen een behoorlijk pensioen hebben en daarmee is er ook een redelijk gunstige inkomensontwikkeling boven de 65 jaar. Bovendien betalen ouderen veel minder belasting dan werkende mensen. Dat scheelt 17,9 procent.

“Overigens zie je ook dat het voor sommige groepen niet geldt; die hebben uitsluitend AOW of AOW met een klein pensioen. Maar die mensen worden ontzien. Daarnaast hebben we in het verleden al uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de problematiek van mensen met een onvolledige AOW. Bij elkaar is het dus een heel genuanceerd verhaal. Maar je kunt nooit iedereen voor de volle 100 procent tevreden stellen, je moet als SER keuzes maken. Het gaat ons erom de AOW ook in de toekomst houdbaar te maken, om te garanderen dat de AOW meegroeit met de welvaart.”

Het is opmerkelijk dat zowel CDA als VVD niets in een verdere fiscalisering van de AOW zien. De PvdA wel.

“Ja, de PvdA vindt dit ook, maar wij waren eerder, wij kwamen er anderhalf jaar geleden al mee. CDA en VVD willen én geen verdere fiscalisering van de AOW én geen verhoging van de AOW-leeftijd. Ik vind dat minder verstandig. Kijk, wij leggen net als deze partijen het accent op participatie, maar we willen ook wat doen aan de AOW en aan de begroting. Wij willen op drie manieren de kosten van de vergrijzing opvangen. Ik denk dat wij een heel eerlijk en evenwichtig verhaal hebben. We hangen er geen angstverhalen over op, dat is niet nodig. We leven langer, we blijven langer gezond, dat is niet ‘erg’. Maar we moeten wel proberen de regelingen voor ouderen betaalbaar en houdbaar te houden. Op dit punt volgen we de analyse van het Centraal Planbureau als de beste indicatie voor de financiële problematiek van de vergrijzing. Het gaat om ruim 2 procent van het bbp, dat is 11 miljard euro. Dat kun je langs drie lijnen aanpakken. Wij volgen alle drie de lijnen. Een stevige inspanning op het terrein van de participatie: die moet omhoog van 72 naar 80 procent. We willen de AOW verder fiscaliseren. Bovendien pleiten we voor een overschot op de begroting. Dat is heel evenwichtig, want als je die drie lijnen volgt, dan hoef je minder scherp in te zetten op specifieke instrumenten. CDA en VVD doen niks aan de AOW; dan moet je dus heel veel realiseren via ofwel de participatie ofwel een enorm overschot op de begroting, ieder jaar weer. Als je dan vervolgens kijkt naar de onderbouwing van de verkiezingsprogramma’s, dan zie ik dat toch niet direct helemaal gebeuren.”

Een ander voorstel is de individualisering van de heffingskorting. Daar waren nogal wat huisvrouwen boos over. Ze doen dan geen betaald werk, maar ze werken wel.

“Tegen hen zou ik willen zeggen dat het goed is dat er waardering is voor huishoudelijk en vrijwilligerswerk. De algemene heffingskorting is echter niet goed voor de arbeidsparticipatie. Dat betekent namelijk dat je vanaf de eerste euro die je gaat verdienen, meteen volop belasting betaalt. Die heffingskorting heb je dan immers al uitbetaald gekregen. Dat vermindert dus de financiële prikkel om te gaan werken of meer uren te werken. En dat is nu eenmaal de centrale doelstelling van ons advies. Maar we hebben ook gezegd dat je hiermee heel genuanceerd moet omgaan, als het bijvoorbeeld gaat om huishoudens met kinderen. Oudere mensen met aanzienlijke zorgtaken moeten ook worden ontzien. En we vinden dat er een overgangstermijn moet worden gehanteerd.”

Rinnooy Kan heeft u de verbindende schakel genoemd tussen Herman Wijffels, de vertrekkende voorzitter, en hemzelf als de nieuwe voorzitter.

“Ik heb lange tijd met Herman Wijffels en anderen gewerkt aan de voorbereiding van het advies en daarna met Alexander Rinnooy Kan. Ik heb daar geen formele positie in vervuld in termen van overbrugging, behalve dat ik een keer ben ingevallen als voorzitter van de commissie. Ik heb wel met beiden intensief contact gehad en dat was best bijzonder en dat vond ik ook heel leuk. Iedereen weet hoe intensief Herman Wijffels hiermee bezig is geweest. Het was heel jammer dat hij het niet heeft kunnen afronden voor zijn vertrek. Het was zo’n mooi afscheidscadeau voor hem geweest. Maar we hebben het met Wijffels wel heel ver gebracht. Rinnooy Kan heeft met grote voortvarendheid het stokje overgepakt en geprobeerd zo snel mogelijk tot een advies te komen. Dat is helaas niet voor de zomer gelukt, maar nu dan toch wel. Daar ben ik heel blij om, want het is meer dan wat er toen lag. Kijk, de eerste vier hoofdstukken waren er al: de basisfilosofie en de uitwerking van een aantal punten van het advies. Daar konden we niet mee verder omdat we geen overeenstemming over het ontslagrecht konden krijgen. Toen hebben de sociale partners aan het begin van de zomer voorgesteld om het grootste deel van het advies in augustus uit te brengen en het ontslagrecht tezamen met scholing en WW eruit te lichten en te verschuiven naar december. We hebben er in korte tijd nog een heel stevig budgettair verhaal aan toegevoegd. Dus je kunt wel zeggen dat de overgang tussen Wijffels en Rinnooy Kan vrij soepeltjes tot stand is gekomen.”

Kunt u iets zeggen over de totstandkoming van het advies?

“Het advies is moeizaam op gang gekomen. We zijn ergens in 2005 gestart, dus het heeft best wel lang geduurd. Maar dat is op zich niet zo gek, want het is een heel breed advies dat agendazettend is voor de komende tijd. Wat ook meespeelde is dat de gesprekken soms heel lastig waren, vooral over het ontslagrecht. Ik denk dat een aantal factoren hierbij een rol speelde. De achterban van de vakbeweging had zo langzamerhand wel genoeg van alle hervormingen die elkaar snel opvolgden. Er was zelfs sprake van een algeheel gebrek aan vertrouwen in de maatschappij. In zo’n klimaat moet je dus heel voorzichtig opereren. We hebben toen vrij uitvoerig gedebatteerd over dat gebrek aan vertrouwen. Dat is nu gelukkig weer een beetje weggeëbd, maar het heeft wel zijn sporen achtergelaten in het advies. Er wordt veel nadruk gelegd op het belang van solidariteit en sociale cohesie in samenhang met ondernemerschap en dynamiek. Dat zijn twee belangrijke pijlers van het advies, waartussen we een verbinding hebben geprobeerd te leggen door de introductie van het begrip participatiemaatschappij. Dat leidt tot meer dynamiek én tot meer vertrouwen en sociale cohesie.

“De werkgevers hebben van het begin af aan stevig ingezet op flexibilisering van het ontslagrecht. Dat begrijp ik wel vanuit hun perspectief, maar dat maakte het wel moeilijker om tot een integraal advies te komen. De kroonleden hebben toen gezamenlijk voorstellen gedaan voor een nieuwe ontslagsystematiek. Dat heeft toen nog niet geleid tot unanimiteit, maar het kan best zijn dat elementen ervan terug zullen komen in het uiteindelijke advies in december.”

Volgens het MLT-advies moeten de komende tien jaar een half miljoen extra mensen op de arbeidsmarkt komen. Sociale partners hebben zich zelfs gebonden aan deze doelstelling. Is dat niet erg ambitieus? Hoe wil de SER dit verwezenlijken? En als het niet lukt?

“Het is ambitieus, maar niet onmogelijk. Het is ook helemaal niet zo uniek. In de jaren negentig zijn er meer dan een miljoen banen bijgekomen! We hebben gezegd dat we de helft van de vergrijzingskosten willen opvangen door draagvlakverbreding. Dat mag geen loze kreet zijn en daarom hebben we het Centraal Planbureau gevraagd uit te rekenen op welk niveau de arbeidsparticipatie dan moet komen. Het CPB kwam op 80 procent, waarmee we in de buurt komen van de Zweedse participatiecijfers. In het advies noemen we verschillende maatregelen waarmee we dit willen bereiken: vernieuwing van de sociale zekerheid door deze meer te richten op participatie, individualisering van de heffingskorting, invoering van een inkomensafhankelijke arbeidskorting, aanbevelingen gericht op een grotere arbeidsparticipatie van ouderen.

“En wat als die doelstellingen niet gehaald worden in tien jaar? Dan zullen we op de andere twee sporen meer moeten doen, want wij zien die als communicerende vaten. Dan moet je ofwel een groter overschot op de begroting realiseren ofwel steviger ingrijpen in de AOW of in de zorg. En dat is veel pijnlijker.”

Heeft de SER kansen laten liggen door de AOW-leeftijd en de hypotheekrenteaftrek de komende kabinetsperiode ongemoeid te laten?

“Dat vind ik niet. Je moet deze onderwerpen niet geïsoleerd bekijken. Daarom adviseert de SER om de komende kabinetsperiode in breder verband zowel de vergrijzingsproblematiek als de woningmarktpolitiek te agenderen en voor de lange termijn een verstandig en evenwichtig beleid te doordenken, waarbij alle opties openstaan, dus ook de AOW-leeftijd en de hypotheekrenteaftrek. Daar hebben zowel de werkgevers als de vakcentrales mee ingestemd. Dat is winst. Kijk, als we heel scherp op deze punten hadden ingezet, dan was het advies verdeeld geweest en daar schiet je niets mee op. Belangrijk is ook dat wij vooropstellen dat een transparant en voorspelbaar overheidsbeleid noodzakelijk is om vertrouwensverlies en maatschappelijke onrust te voorkomen.”





Een half miljoen mensen extra op de arbeidsmarkt

De SER wil dat er de komende tien jaar in totaal 500.000 mensen extra op de arbeidsmarkt komen. Dat betekent een verhoging van de arbeidsparticipatie van 72 naar 80 procent. Het is voor het eerst dat de SER en de organisaties van werkgevers en werknemers zich op een dergelijke ambitieuze doelstelling vastleggen. Zo wil de SER Nederland omvormen tot een participatiemaatschappij. De forse verhoging van de arbeidsparticipatie is nodig om de helft van de kosten van de vergrijzing op te vangen. Die verhoging moet met de inzet van allen haalbaar zijn. Het is Nederland begin jaren negentig ook gelukt: ons land kwam toen op hetzelfde niveau (of zelfs iets hoger) uit als Zweden. De andere helft van de vergrijzingskosten kan betaald worden uit de opbrengst van een verdere fiscalisering van de AOW en de individualisering van de heffingskorting.

SER-bulletin oktober 2006

Inhoudsopgave

Alles over het thema