Handelaar, belangenbehartiger, politicus, burgemeester en voorzitter van twee omroeporganisaties. Wat is voormalig SER-lid Joop van der Reijden eigenlijk niet geweest? Het staat (bijna) allemaal in zijn memoires die onlangs zijn verschenen. Ze zijn soepel geschreven door een betrokkene die het geen moeite kost om de nodige afstand te nemen. Van der Reijden mag dan zo’n beetje overal hebben ingezeten, op de meeste plekken lijkt hij toch een buitenstaander te zijn gebleven.
Jan Buevink
“Het moet toch niet veel gekker worden in dit land”, bromde Joop van der Reijden op een vroege ochtend in 1982 onder het scheren tegen zijn vrouw. Een totaal onbekende Eelco Brinkman was net de nieuwe minister van Welzijn, Volksgezondheid en Sport geworden. “Die man weet toch niks van volkgezondheid!”
Maar gekker werd het wel. Van der Reijden zat net op het werk toen vage kennis Wim Deetman aan de telefoon hing. Deetman, die minister van Onderwijs was in het vertrekkende kabinet, was net als Van der Reijden lid van de Christelijk Historische Unie. Hij vroeg hem of hij staatssecretaris wilde worden in het eerste kabinet onder leiding van Ruud Lubbers. Om precies te zijn: op het ministerie van diezelfde Brinkman.
Op dat moment was Van der Reijden net een half jaar directeur Sociale Zaken bij werkgeversvereniging VNO. Toen hij bij zijn baas Chris van Veen binnen-stapte om hem het nieuws te brengen reageerde die allerminst verbaasd. “Ik heb je een tijdje geleden op een lijst gezet”, zei Van Veen die zelf ook tot de CHU-elite behoorde. “Je moet het absoluut doen.”
Van der Reijdens naïviteit blijkt ook als hij kort daarna bij Brinkman thuis wordt uitgenodigd voor een gesprek over de taakverdeling. Hij accepteert alles wat zijn minister en secretaris- generaal al hebben voorgekookt. “Pas veel later realiseerde ik me dat ik het grootste deel van alle portefeuilles had toegewezen gekregen.” Met volksgezondheid, sport, jeugdbeleid, ouderen en oorlogsslachtoffers had hij driekwart van de in totaal 8000 ambtenaren van het ministerie onder zich. Zijn vier jaar als staatssecretaris in het eerste kabinet-Lubbers zijn vermakelijk om te lezen. Veel sappige anekdotes voor de liefhebbers van de politieke achter-de-schermen-verhalen. Nog steeds leerzaam zijn de ervaringen die Van der Reijden opdeed toen Amsterdam de Olympische Spelen voor 1992 probeerde binnen te halen. De lobby verloopt erg klungelig en de staatssecretaris heeft vanaf het begin al grote twijfels bij de kansen van Amsterdam. Het behoudende IOC zal nooit voor de liberale hoofdstad van een redelijke liberaal land kiezen, taxeert hij al snel. Bovendien moet Nederland de Spelen ook helemaal niet willen omdat ze een veel te groot beslag leggen op de toch al beperkte ruimte.
Wasserij Het boek bestaat zeker niet alleen uit wijsheid achteraf. Van der Reijden is ook iemand die zijn zwakke kanten laat zien. Toen hij in 1956 uit militaire dienst kwam, lukte het hem met geen mogelijkheid om aan een leuke baan te komen. Zo’n honderdvijftig sollicitatiebrieven gingen de deur uit voordat hij aan de slag kon.
Het mooiste deel van het boek is het begin. Van der Reijden schrijft erg beeldend over zijn vooroorlogse jeugd in het rauwe, industriële Leiden waar zijn vader een kleine wasserij runt. Wie voor een dubbeltje geboren is, zal nooit een kwartje worden, houdt de vader zijn zoon voor. Maar die is niet van plan zich daar zomaar bij neer te leggen. “Ik dacht: dat zullen we nog wel eens zien, we zijn toch niet minderwaardig.”
De jonge Van der Reijden kreeg gelijk: hij zou het nog ver schoppen. Maar wie zijn boek leest, krijgt toch ook de indruk dat hij overal een buitenbeentje is gebleven. Als hij in de gemeenteraad van Oegstgeest komt, vindt hij de vergaderingen zo saai dat hij maar tijdschriften gaat zitten lezen. Als staatssecretaris onderhoudt hij ook geen bijzonder goede banden met zijn partij. Na zijn overstap naar het ‘jonge en wilde’ Veronica wordt hij door een aantal politieke makkers uitgekotst. “Hij is niet meer een van ons”, hoort hij oud- premier Barend Biesheuvel op een receptie zeggen.
Een buitenstaander is hij nog meer bij Veronica. Hij is al 63 als hij het voorzitterschap van de NOS inruilt voor dat van de club van Rob Out en Lex Harding. Het is een spannende tijd omdat omroepmedewerkers uitgebreid betrokken zijn bij plannen om commercieel te gaan. Van der Reijden kijkt ernaar maar is er nauwelijks bij betrokken.
Uitgebreid schrijft hij erover in zijn boek waarbij hij meer dan eens de suggestie wekt dat de oude Veronica-garde zaken doet die het daglicht niet kunnen verdragen.
Het boek is niet helemaal afgekomen. Eigenlijk had Van der Reijden de hele tekst nog grondig willen redigeren, maar zijn overlijden in februari van dit jaar verhinderde dat. Het geplande hoofdstuk over de mystiek van het geloof is er niet meer van gekomen. Hetzelfde geldt voor een tweede boek over zijn bijbaantjes en een derde boek over zijn burgemeesterschap van het Zuid-Hollandse Valkenburg dat hij tot zijn dood bekleedde. Dat is jammer. Van der Reijden had niet alleen kwaliteiten als bestuurder, als schrijver zou hij ook geen gek figuur hebben geslagen.
Van Leids laken tot Gooise matras. Joop van der Reijden, uitgeverij Aspect, 440 p, € 25. Een afgedwongen SER-zetel
Het waren tien jaren met eigenlijk alleen maar gedonder. Van 1971 tot 1981 zat Joop van der Reijden in de SER. Als secretaris van het Verbond van de Nederlandse Groothandel was hij de officiële plaatsvervanger van ‘V&D-tycoon’ Anton Dreesmann, die het grootwinkelbedrijf vertegenwoordigde. Omdat Dreesmann slechts eens per jaar wilde komen, werd de zetel de facto eigenlijk door Van der Reijden bezet. Het was geen bijster productieve periode, zegt Van der Reijden in zijn boek. Werkgevers en werknemers stonden ideologisch ver uit elkaar. Kroonleden hielden zich vooral bezig met het strooien van zand in de raderen.
In zijn boek suggereert Van der Reijden dat hij zich min of meer bij de SER naar binnen geknokt heeft. Het Verbond van de Nederlandse Groothandel vond dat VNO en NCW in de SER en de Stichting van de Arbeid te veel de belangen van de industrie vertegenwoordigden. Daarom besloot het een concurrent op te richten. Dat werd de Kleine Stichting van de Arbeid. Volgens Van der Reijden werd die in het geheim gesteund door het ministerie van Sociale Zaken. De gevestigde organisaties realiseerden zich dat ze beter af zouden zijn als ze de concurrentie binnen zouden halen en boden het verbond, samen met het grootwinkelbedrijf, een SER-zetel aan.