Hij heeft als econoom altijd veel nevenfuncties gehad naast zijn hoogleraarschap economie. Onlangs werd hij directeur van het Centraal Planbureau en tevens kroonlid van de SER.
Misschien dat Coen Teulings daarom hoog op de Volkskrantlijst van meest invloedrijke personen in Nederland scoorde. “Het CPB doet niet mee aan politieke spelletjes.”
Mariek de Valk
Teulings moet erg lachen als hij wordt gefeliciteerd met zijn zevende plaats op de Volkskrantlijst van meest invloedrijke personen in Nederland. “Als slecht zes personen meer invloed hebben dan ik, is er iets heel geks aan de hand in Nederland. Ik denk dat die lijst vooral op functies is gebaseerd. Maar dat wil nog niet zeggen dat je dan zoveel invloed hebt.”
Heeft het misschien vooral te maken met het feit dat u directeur van het CPB bent? “Het is een heel mooie baan en ik vind het leuk om te doen, maar je moet het niet groter maken dan het is. Ik beslis niet dagelijks over miljoenen euro’s, ik adviseer er slechts over. En die adviezen worden regelmatig niet opgevolgd.”
Uw voorganger, Henk Don, vond de onafhankelijkheid van het CPB heel belangrijk. U bent meer politiek geprofileerd, want u heeft bijvoorbeeld meegewerkt aan het opstellen van het verkiezingsprogramma van de PvdA. Kijkt u anders aan tegen de onafhankelijkheid van het CPB?
“Nee, er is geen groter compliment dan dat dit kabinet van CDA, VVD en D66 mij benoemd heeft. Omdat dit duidelijk maakt dat het kabinet erop vertrouwt dat ik mij onafhankelijk zal opstellen. Onafhankelijkheid is een wezenlijke bestaansvoorwaarde van het CPB. In die zin lijken we op de centrale bank. Onafhankelijkheid van de centrale bank is heel belangrijk voor een stabiel monetair beleid, omdat anders de politieke waan van de dag bepalend wordt voor het monetaire beleid. Iets soortgelijks zie je bij het begrotingsbeleid. Politici hebben de neiging te denken dat er altijd een diepe recessie is die extra bestedingen rechtvaardigt. Dat is af en toe zo, maar over het algemeen niet. Daarom moet je een onafhankelijke instantie hebben die los van politieke belangen ramingen maakt. Nu blijft ramen mensenwerk met forse fouten, maar gemiddeld genomen zijn onze ramingen correct en niet vertekend door politieke agenda’s. Het IMF, dat onlangs bij ons op bezoek is geweest, heeft grote waardering voor onze onafhankelijkheid. Dat is niet alleen een prestatie van het CPB, maar het is het product van de algemeen gevoelde behoefte in Nederland aan een objectief oordeel, niet in de laatste plaats binnen de politiek. Daarom onthouden wij ons van politieke oordelen en baseren wij onze analyses uitsluitend op feiten. Vergeleken met andere landen is dat toch een soort wonder. Daarin is ons land uniek. In Duitsland heb je bijvoorbeeld zes instituten. Dat wordt door sommigen als ideaal gezien, maar ik denk dat het een drama is. Wie zich verdiept in hoe dat in Duitsland gaat, ziet dat dit niet goed werkt, omdat je zes meningen krijgt. Iedereen gaat dan shoppen bij de mening die hem het beste uitkomt en dan ben je weer terug bij af. De Duitse instituten proberen dat op te lossen door een consensusraming te maken, maar die gebruikt de federale overheid niet. Ook in andere landen heb je soms wel onafhankelijke ramingen, maar die spelen dan geen rol in het beleidsproces. Wij hebben allebei en dat is heel bijzonder. Wij worden door Den Haag geaccepteerd als dé benchmarker. Dat heeft ertoe geleid dat Nederland een heel gezond economisch bestel heeft, vergeleken met andere landen.”
In hoeverre bent u van plan de adviesagenda van de SER mede te bepalen? “De directeur van het Centraal Planbureau is kroonlid van de SER. Ik vind het evenals mijn voorganger Don niet per se nodig, maar zolang de SER dat op prijs stelt, zullen wij met plezier daarin meedraaien. Wij zijn niet de meest aangewezen partij om inhoudelijk te sturen, dat is meer iets voor de sociale partners. Bovendien is niet elk onderwerp voor ons interessant. Maar sommige onderwerpen raken duidelijk aan onze expertise. Als daar economisch onzinnige dingen over worden beweerd, zullen wij daar zeker iets van zeggen. Denk aan zaken als ontslagrecht, het middellangetermijnadvies, het pensioenstelsel, de WW en de WAO. Nederland behoort binnen de OESO al geruime tijd tot de middenmoot wat de ontslagbescherming betreft. Bij vaste contracten is de bescherming echter nog vrij fors. Ook kun je je afvragen of de rol van de rechter hierbij wel zo handig is. De feitelijke basis voor rechterlijke uitspraken is vaak nogal beperkt, om de doodeenvoudige reden dat eigenlijk niemand goed kan achterhalen wat de grond voor het ontslag is geweest. Een rechter kan toch moeilijk nagaan hoe het precies gelopen is. Dus is het nog maar de vraag of de rechter een grote toegevoegde waarde heeft voor het maatschappelijk verkeer.”
Als SEO-directeur pleitte u voor beperking van de hypotheekrenteaftrek en afschaffing van de huurtoeslag en overdrachtsbelasting. “Ik zeg niks over het SEO-rapport, want daar werk ik niet meer. Ik ben nu directeur van het CPB. Nieuwe baan, nieuwe verantwoordelijkheid. In het algemeen denk ik wel dat er de nodige problemen liggen op het gebied van wonen. De discussie over de hypotheekrenteaftrek wordt overal gevoerd. We zullen wel zien hoe die verder loopt. Ik denk dat de discussies over liberalisering van de huurwetgeving en het functioneren van woningcorporaties een vervolg moeten krijgen. Het zijn voor Nederland urgente kwesties. Neem bijvoorbeeld Amsterdam, de stad waar ik woon. Daar zit de woningmarkt echt op slot door de rigide huurwetgeving. Dat is een gevaar voor de groei van de stad. Ook de beheerssituatie bij woningcorporaties is aanleiding voor zorg. Corporaties zijn erg rijk, en dat is hoe je het ook wendt of keert, geen geld van de directeur maar van de gemeenschap. De verantwoording van de besteding van dit geld is niet goed geregeld.”
Moet die discussie in de SER worden gevoerd?
“Ik denk dat er eerst maar eens een goede analyse van het woningbouwdossier moet worden gemaakt. Er is al een SEO-rapport en de Raad van Economisch Adviseurs van de Tweede Kamer heeft hierover geadviseerd, maar er moet eerst een breder draagvlak komen voor de aard en de urgentie van het probleem. Nog niet iedereen heeft dit scherp op het netvlies.”
Age Bakker zei bij zijn afscheid als kroonlid voor de Nederlandsche Bank dat de SER wat hem betreft twee kansen heeft gemist: de aanpak van de hypotheekrenteaftrek en het op termijn verhogen van de AOW-leeftijd. Vindt u ook dat de AOW-leeftijd omhoog moet?
(Denkt na) “Het CPB heeft een tijdje geleden al de Ageing Study uitgebracht. Daar zijn we trots op. Die studie laat puur boekhoudkundig zien dat als we het huidige beleid ongewijzigd voortzetten – denk aan het fiscale beleid, de zorg, de AOW-leeftijd – we financieel gezien vast zullen lopen. De oplossing kun je pas over veertig jaar gaan zoeken, maar dat zullen de mensen die over veertig jaar leven, ons niet in dank afnemen. Het tempo waarin je de vergrijzingsproblematiek aanpakt, is een politieke keuze. Met de AOW kunnen we het best nog een tijd uitzingen, maar dan hebben we over twintig jaar wél een groter probleem. Je kunt het op verschillende manieren aanpakken, bijvoorbeeld door de mensen meer belasting te laten betalen, of door mensen langer te laten doorwerken.
Er zijn allerlei mogelijkheden. Het is onze taak om in beeld te brengen welke gevolgen diverse keuzen hebben. Het is aan de politiek om die keuze te maken.”
Wat zijn de komende tijd behalve het woningdossier en de vergrijzing volgens het CPB nog belangrijke dossiers? “Ik kan wel iets vertellen over mijn eerste ideeën voorkomend jaar. Om te beginnen een project over de bestuurlijke indeling van Nederland. We kunnen daar vanuit een economische invalshoek naar kijken. Het fenomeen de stad speelt hierbij een heel belangrijke rol. De stad biedt schaalvoordelen. Want waarom zitten zoveel mensen bij elkaar? Dat is omdat je dan een aantal voorzieningen in stand kunt houden, zoals winkelcentra, openbaar vervoer, kroegen en schouwburgen. Maar het vereist wel coördinatie, reden waarom er een stadsbestuur in het leven is geroepen. Die schaalvoordelen stellen bepaalde eisen aan het stadsbestuur, de inrichting van het binnenlands bestuur en aan het Gemeente- en het Provinciefonds.
“Het tweede project waar ik aan denk, gaat over een verdere verbetering van onze macroramingen, waardoor we nog meer de mogelijkheid krijgen systematische informatie aan te leveren voor een structureel begrotingsbeleid. Het begrotingsbeleid kent de laatste decennia een politieke conjunctuurcyclus. Zo gaat dit kabinet uit van ‘eerst het zuur en dan het zoet’. Het begrotingsbeleid volgt zo het ritme van een kabinetsformatie. Het is beter als we een meer structureel begrotingsbeleid zouden krijgen. Het CPB kan daaraan bijdragen als we ons inzicht in de stand van de conjunctuur verder verbeteren.
“Daarnaast zijn we met allerlei kosten-batenanalyses bezig, onder meer op het gebied van onderwijs en infrastructuur, zoals de A6-A9-problematiek.”
U bent voorzitter van een commissie die adviseert over hervorming van het economieonderwijs op havo en vwo. “Daar ben ik nu mee klaar. Wij hebben twee rapporten uitgebracht en die worden nu door weer een andere commissie uitgewerkt. Pas in 2010 of 2011 gaan de scholen ermee werken, eerst in een proef en later definitief, tien jaar nadat ik met het project begonnen ben. Dat zijn ontzettend langzame processen. Dat is zonde.
“We hebben het economieonderwijs aangepast aan de dingen die de afgelopen dertig jaar in de economische wetenschap zijn gebeurd. Dat betekent het reduceren van de betekenis van het keynesianisme, het vergroten van het belang van een meer structureel begrotingsbeleid. Vroeger dachten we, met Keynes, dat we de hele economie konden sturen. Tegelijkertijd willen we een herwaardering van de betekenis van marktwerking. Leerlingen moeten leren hoe markten werken en waar ze falen. Dat zijn belangrijke elementen van het nieuwe economieprogramma. Verder introduceren we de moderne speltheorie en de informatie-economie en dat soort zaken. Ook een belangrijke verandering is dat het huidige economieonderwijs een heel sterke institutionele component heeft.
Er wordt bijvoorbeeld uitgelegd wat de WAO inhoudt. Maar die wetten veranderen snel, het heeft dus weinig zin dat op de middelbare school te leren. Het is beter om in het algemeen te leren wat verzekeringen zijn en hoe ze werken. Dat mensen enig begrip krijgen van de problemen daarbij. Wij wilden weggaan van de institutionele details en in plaats daarvan een meer algemeen theoretisch kader bieden."
Een politieke familie Coen Teulings is niet de eerste in zijn familie die actief is in Den Haag. Zijn opa Frans Teulings was Eerste en Tweede Kamerlid en minister van Binnenlandse Zaken (KVP), tevens vicepremier, in het tweede kabinet-Drees (1951-1952). Zijn neven Staf en Paul Depla zijn respectievelijk Tweede Kamerlid en wethouder in Nijmegen, beiden voor de PvdA.
Coen Teulings 1958 geboren in Rijswijk
1977 gymnasium, Amsterdam
1985 doctoraal economie UvA
1985-1991 onderzoeker bij SEO Economisch Onderzoek
1990 proefschrift ‘Conjunctuur en kwalificatie’
1991-1995 KNAW-onderzoeker UvA
1995-1998 hoofd afd. Inkomensbeleid Ministerie SZW
1997 hoogleraar economie UvA
1998-2004 directeur Tinbergen Institute en hoogleraar economie Erasmus Universiteit Rotterdam
2003-2006 lid van commissie-Dijkstal (salarissen politieke en ambtelijke top)
2004 lid commissie beginselprogramma PvdA
2004- hoogleraar economie UvA
2004-2006 directeur SEO Economisch Onderzoek
2001-2006 voorzitter commissies nieuw examenprogramma economie voor havo en vwo
2005-2006 lid Raad van Economisch Adviseurs (adviesorgaan Tweede Kamer)
2006- directeur Centraal Planbureau