Home | Publicaties | SERmagazine | 2003 | november 2003 | Collaborerende industriëlen

Een compromis met de duivel

Nogal wat Nederlandse topindustriëlen hebben in de Tweede Wereldoorlog met de Duitsers gecollaboreerd. De meesten wisten hun straf te ontlopen omdat ze onmisbaar werden geacht voor de economische wederopbouw van het land. Jurist Joggli Meihuizen schreef er een vuistdik boek over: 'Noodzakelijk Kwaad' . Een wetenschappelijk werk dat leest als een psychologische thriller.

Peter Breedveld

Ingenieur Marinus Hendrik Damme was een van de machtigste captains of industry van het vooroorlogse Nederland. Hij was directeur van de Amsterdamse NV Werkspoor, die machines en spoorwegmaterieel produceerde, en voorzitter van de Vereeniging van Metaal-Industrieelen.
Toen Nederland in 1940 werd bezet door de nazi’s, maakte Damme deel uit van een groepje industriëlen dat nauwelijks kon wachten om met hen in zee te gaan. Tegen het nadrukkelijke bevel in van generaal Winkelman, plaatsvervanger van de naar Londen uitgeweken koningin Wilhelmina, sleepten Damme en de zijnen al in de eerste maand van de bezetting een flink aantal lucratieve, Duitse opdrachten in de wacht.
Damme collaboreerde met de Duitsers, en na de oorlog kwam er een gerechtelijk onderzoek naar zijn gedrag. “De zaak-Damme was de testcase van het justitioneel optreden tegen grootindustriëlen wegens economische collaboratie”, aldus jurist Joggli Meihuizen, die onlangs cum laude promoveerde op zijn proefschrift Noodzakelijk Kwaad .
Damme is echter nooit gestraft. Damme had namelijk vrienden. Hij maakte deel uit van wat Meihuizen het ‘wij-circuit’ noemt. Hij kende Dirk Stikker, oud-directeur van Heineken en in 1945 oprichter en voorzitter van de Stichting van de Arbeid, waarvan Damme een paar jaar later eveneens voorzitter zou worden. Ook kende hij prins Bernhard, die tegen de vervolging van economische collaborateurs had gepleit, omdat volgens hem het bedrijfsleven zichzelf wel zou zuiveren.
Stikker begon in de zomer van 1947 een actie om te voorkomen dat vooraanstaande industriëlen zouden worden berecht voor economische collaboratie. Hij vreesde dat de economische wederopbouw van Nederland gevaar zou lopen als de top van het bedrijfsleven werd afgeroomd. Hij kreeg de voorzitters van de voornaamste vakverenigingen achter zich, die hij allemaal kende uit de Stichting van de Arbeid. Volgens Meihuizen was dat een kwestie van loyaliteit. Stikker had hen een plaatsje in de stichting gegeven en daar stond natuurlijk wat tegenover.

Zuiveringsraad
De Nederlandse regering besloot nog tijdens de oorlog dat economische collaborateurs als Damme niet zouden worden vervolgd. Dat voornemen dreigde te worden gedwarsboomd toen voorjaar 1945, na de bevrijding van het zuiden van Nederland, de directie van de prestigieuze Zeeuwse scheepswerf De Schelde toch wegens economische collaboratie werd gearresteerd.
Op aandringen van Stikker, de bankier Horatius Albarda en directeur F.Q. den Hollander van de Amsterdamse Artillerie-Inrichtingen Hembrug werd door de regering een veertigtal zuiveringsraden voor het bedrijfsleven ingesteld, voor elke bedrijfssector één. In die raden zaten leden van het bedrijfsleven zelf. Meihuizen: “Het bedrijfsleven mocht zichzelf dus zuiveren. Daarmee was de angel uit de bestraffing van de economische collaboratie gehaald.”
Boven de zuiveringsraden stond de Centrale Zuiveringsraad, met als voorzitter de invloedrijke jurist Jan Donner, grootvader van de huidige minister van Justitie. “Donner was er van meet af aan van overtuigd dat het belang van de wederopbouw moest prevaleren boven het belang van een eerlijke en grondige berechting van economische collaborateurs”, zegt Meihuizen. Ook Stikker zat in deze raad.

Het voorkeursbeleid van de overheid ten aanzien van economische collaborateurs had succes: van de 32.000 gevallen van economische collaboratie kwamen er uiteindelijk circa 700 voor de strafrechter. Dat waren de industriëlen met pech, veelal aannemers, de ‘bunkerbouwers’. “Dat waren gewoon patjepeeërs, die hadden hun afkomst niet mee”, zegt Meihuizen cynisch. “Ze hadden zich bovendien schuldig gemaakt aan de meest zichtbare vorm van economische collaboratie: die bunkers kon iedereen zien. Dat gold in veel mindere mate voor het bankwezen. Dat kwam dan ook vrijwel ongeschonden weer uit de strijd.”

Was Nederland erger dan andere landen?

“Vooral in vergelijking met België was de Nederlandse industrie erg gretig om met de Duitsers samen te werken. Vermoedelijk kwam dat omdat België in de Eerste Wereldoorlog ook bezet was geweest, in tegenstelling tot Nederland. Belgische industriëlen die toen met de Duitsers samenwerkten, zijn later zwaar gestraft en dat werkte afschrikkend.”

U bent niet bang om in uw boek een ethisch oordeel te vellen. In de conclusie citeert u bijvoorbeeld prins Bernhards vriend Beelaerts van Blokland, die zei dat de Hollanders als handelsvolk zelfs bereid waren tot een compromis met de duivel.
 
“Wat ik aan dat citaat zo interessant vind, is dat het van iemand uit dat wij-circuit komt, dus uit vrij onverdachte hoek.”

U zegt ook ergens dat generaal Winkelman, die er bij de industriëlen op bleef hameren dat samenwerken met de Duitsers verboden was, de enige held is in deze hele affaire.

Winkelman was de enige die zijn rug recht hield, ja. Die industriëlen waren van meet af aan bereid tot samenwerking met de Duitsers, die nauwelijks dwang uitoefenden. Kijk naar de Schiedamse werf Gusto, die zich op 23 mei 1940, acht dagen na de capitulatie, al bereid toonde om elf oorlogsschepen voor de Duitsers af te bouwen. Oórlogsschepen! Zonder dwang, en achter de rug van Winkelman om.

Joggli Meihuizen: Noodzakelijk kwaad; de bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog, uitgeverij Boom, Amsterdam, e 45,00.



De Witte Kat ontsprong de dans

C.P. Herberhold was eigenaar-directeur van de beroemde ‘Witte Kat’-batterijenfabriek in Utrecht. Hij werd ervan beschuldigd steun te hebben verleend aan de Duitse bezetter. In februari 1947 drong minister van Economische Zaken Huysmans er bij zijn collega van Justitie Van Maarseveen op aan Herberhold vrijuit te laten gaan, onder andere omdat het leger in Nederlands-Indië zat te springen om Witte Kat-batterijen. Van Maarseveen zei echter niets te kunnen doen.
In april 1948 werd het hoofd van de Utrechtse afdeling van de Politieke Recherche Afdelingen Collaboratie, Van Gool, die zich met de zaak Herberhold bezighield, gearresteerd op verdenking van corruptie. Na een hechtenis van zeven maanden bleek Van Gool onschuldig te zijn en hij beweerde er door Van Maarseveen te zijn ingeluisd. Van Gool zou namelijk bewijs hebben gehad dat Van Maarseveen in de oorlog bij zijn vriend Herberhold thuis menig uurtje verpozend had doorgebracht met enkele Duitse officieren. De hele manoeuvre had uiteindelijk als resultaat dat de zaak tegen Herberhold werd geseponeerd.


SER-bulletin november 2003

Inhoudsopgave