Opkomende economieën in Azië en Latijns-Amerika ontwikkelen zich in hoog tempo. Vooral de zogenaamde BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) springen in het oog. In korte tijd is China bijvoorbeeld opgeklommen tot de tweede economie van de wereld. De steeds sterkere positie van ontwikkelende landen zorgt voor verschuivingen in de economische machtsverhoudingen in de wereld. Wat betekent dit voor Nederland?
SER geeft advies
Deze veranderingen staan volop in de belangstelling. Waar liggen de economische kansen voor Nederland? Wat kan Nederland doen om het hoofd te bieden aan eventuele negatieve gevolgen? Minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft de SER om advies gevraagd over de verschuivingen in economische machtsverhoudingen en de gevolgen voor Nederland.
Feiten en cijfers
Ter voorbereiding op het advies en de aanbevelingen is er een analyse gemaakt. In de komende weken zal steeds een ander aspect op de website van de SER worden belicht. Hoe liggen de economische verhoudingen op dit moment? Wat merkt Nederland van de opkomst van de BRIC-landen? Wat zijn de feiten en cijfers?
Verdwijnen laagbetaalde banen door uitbesteding van werk in het buitenland?
Globalisering en de mogelijkheden van ICT leiden tot een steeds verfijndere internationale arbeidsdeling. Het klassieke beeld gaat uit van een verdeling van bedrijfstakken: landbouw en industrie worden in toenemende mate verricht in opkomende landen; rijke landen specialiseren zich in diensten. Voor Nederland klopt dit beeld; in de afgelopen twee decennia groeide de werkgelegenheid vooral in de dienstensector en de zorg. Maar de echte ontwikkelingen vinden op een onderliggend niveau plaats: taken.
Taken binnen beroepen
Recent onderzoek van het CPB laat zien dat krimp en groei van werkgelegenheid in Nederland steeds meer samenhangt met de taken binnen beroepen en in hoeverre deze taken wel of niet wordt uitbesteed. De conclusie: in sommige taken wordt Nederland steeds sterker en groeit de werkgelegenheid en in andere taken neemt het buitenland geleidelijk meer werk over.
Op Mejudice geven Semih Akçomak, Lex Borghans en Bas ter Weel uitleg over dit onderzoek. De economen keken naar de taken die worden gecombineerd in verschillende beroepen. Voor taken die sterk verbonden zijn met andere taken in het beroep (bijvoorbeeld organiseren en onderwijzen) ligt het niet voor de hand die te splitsen en uit te besteden. Is tussen taken echter weinig verbondenheid, dan ligt uitbesteden meer voor de hand, zeker wanneer er op de arbeidsmarkt een groot loonverschil geldt tussen de afzonderlijke taken. Voorbeelden van taken waar de verbondenheid beperkt is en het loonverschil groot zijn fysieke taken zoals uithoudingsvermogen, kracht en werken met handen, maar ook werken met machines en het bedrijven van statistiek. Deze taken, die zich in figuur 1 in het kwadrant rechtsonder bevinden, zullen volgens de onderzoekers eerder worden afgesplitst. Een blik op de werkgelegenheidsontwikkeling tussen 1996 en 2005 bevestigt dat de mogelijkheid om een taak te splitsen meestal samengaat met een lagere werkgelegenheidsgroei.
Figuur 1: Verbondenheid en prijsverschillen van taken op de Nederlandse arbeidsmarkt

Bron: Mejudice , Het draait om de verdeling van taken: een andere kijk op werkgelegenheid,
26-11-2010
Hoeveel wordt uitbesteed en naar welke landen wordt uitbesteed?
Uit een CBS-steekproef van 1000 grote Nederlandse ondernemingen blijkt dat in de periode 2001-2006 16 procent werk internationaal uitbesteedde. Ruim zestig procent hiervan bleef binnen Europa; Azië was de bestemming van ruim een kwart van deze uitbestedingen. Uit dit onderzoek bleek ook dat in de periode 2001-2006 laagbetaald werk vaker internationaal werd uitbesteed.
Is China als investeerder in opmars in Nederland?
Ja, maar op dit moment zijn de investeringen vanuit China nog klein vergeleken bij andere landen. Nederlandse bedrijven behoren wereldwijd tot de meest actieve investeerders in het buitenland. Daar hoort bij dat er ook vanuit het buitenland veel in Nederland geïnvesteerd wordt. En dat gebeurt ook.
Greenfield investeringen
Nederland is een aantrekkelijk land voor buitenlandse investeerders. De laatste jaren hebben ook een aantal grote Chinese bedrijven zich in Nederland gevestigd (bijvoorbeeld Haier, Hisense, ZTE, Huawei en ICBC). Deze ‘greenfield’ investeringen zijn aantrekkelijk omdat zij in Nederland nieuwe ondernemingen creëren met positieve effecten op innovatie, werkgelegenheid en nieuwe producten.
Overnames
Behalve greenfield investeringen vinden er vanuit opkomende landen ook overnames van bestaande Nederlandse ondernemingen plaats. Zo kwam winkelketen Het Kruidvat in handen van Hutchison Whampoa, een bedrijf uit Hongkong, net als ECT, het Rotterdamse overslagbedrijf voor containers. Het Indiase bedrijf Tata nam enkele jaren geleden Corus over. Ook overnames kunnen belangrijke economische effecten genereren, hoewel in de praktijk blijkt dat het niet altijd lukt om deze voordelen daadwerkelijk te realiseren.
Chinees aandeel nog beperkt
Cijfers van De Nederlandsche Bank laten zien dat de meeste buitenlandse investeringen in Nederland momenteel uit andere Europese landen (60 procent) en de VS (minder dan 20 procent) komen. De investeringen vanuit China zijn daarbij vergeleken miniem: afgerond 0,1 procent in 2010. Een verklaring hiervoor is dat het merendeel van alle buitenlandse investeringen vanuit China binnen Azië blijft. Overigens komen niet alle ontwikkelingen in deze cijfers tot uiting. Zo telt de overname door Tata in 2007 niet als een buitenlandse investering vanuit India in Nederland, omdat Corus op dat moment al als een Engelse onderneming werd beschouwd met een hoofdkantoor in Londen.
De verwachting is wel dat het aandeel aan investeringen vanuit de BRIC-landen de komende jaren zal toenemen. Verschillende bronnen verwachten op korte termijn een nieuwe fusie- en overnamegolf gedreven door ondernemingen uit China. Vanwege haar tolerante houding ten opzichte van Chinese multinationals is Nederland relatief aantrekkelijk voor overnames. Voor greenfield investeringen kan Nederland nog aantrekkelijker gemaakt worden door beleid op verschillende terreinen. In zijn advies doet de raad hier aanbevelingen voor.
Gaat de groei in de opkomende landen ten koste van Nederland?
In 2008 stelde de SER vast dat rijke landen sneller groeiden dan arme landen. Ondanks de snelle opkomst van China gold gemiddeld genomen: hoe rijker het land, hoe sneller de groei. Vier jaar later is dat veranderd. Arme landen groeien duidelijk sneller dan rijke landen. Er is sprake van convergentie: arme landen maken een inhaalslag.
De Zweedse statisticus en arts Hans Rosling laat deze inhaalslag op zeer beeldende wijze zien. In 1810 was Nederland al een van de welvarendste landen van de wereld, zowel in nationaal inkomen als in levensverwachting. In de 200 jaar daarna zijn alle landen geklommen in welvaart, maar elk land in zijn eigen tempo.
De welvaart van andere landen gaat niet ten koste van Nederland, maar komt ons juist ten goede. Via handel en internationale arbeidsdeling ontstaan er voor Nederland meer mogelijkheden verder te groeien. Die internationale arbeidsdeling gaat wel met aanpassingskosten gepaard; sociale (minimum)uitkeringen en investeringen in onderwijs, kennis en innovatie zijn nodig om deze aanpassingen op te vangen.