Literatuurlijst Werkloosheidswet


SER-publicaties  Boeken  Tijdschriftartikelen

 

  • UWV. Doorstroom van WW naar bijstand 2001-2012
    Amsterdam : UWV, 2012. 33 p.
    Kennismemo, nr. 12/01
    Het aantal mensen dat na een WW-uitkering doorstroomt naar de bijstand is in de afgelopen 10 jaar sterk toegenomen: van ruim 9.000 (2001) naar bijna 25.000 (2009). Het aandeel WW’ers dat doorstroomt naar de bijstand varieert in die periode van 4 tot ruim 8%. Dat lijkt niet veel, maar de doorstromers blijken een fors aandeel van de instroom in de bijstand te zijn. Afhankelijk van de
    conjunctuur is de totale bijstandsinstroom circa 100.000 tot 130.000 personen per jaar. Dat houdt in dat circa 10-20% van de instroom in de bijstand afkomstig is van de WW. Een economische crisis leidt tot een forse groei van de doorstroom van WW naar bijstand. Daarbij heeft de kredietcrisis (vanaf 2008) waarschijnlijk een veel groter effect op de doorstroom gehad dan de internetcrisis (vanaf 2001). (B30733)
     
  • CBS; Centrum voor Beleidsstatistiek; Jong, W. de; Geertjes, K.; Mooij-Schep, M. de; Rijk, A. de; Sluiter, N., Werkhervattingskansen na instroom in de WW : leeftijd is niet het enige dat telt
    Den Haag : CBS, 2012. 44 p.
    Hard, gedetailleerd en meerjarig cijfermateriaal over het effect van leeftijd (of andere factoren) op de kans om weer aan het werk te komen, is schaars. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft het Centrum voor Beleidsstatistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS-CvB) daarom gevraagd te onderzoeken welke factoren van invloed zijn op de kans op werkhervatting voor personen die zijn ingestroomd in de WW. De nadruk ligt hierbij op personen van 45 tot 65 jaar. In een eerste fase van dit onderzoek heeft CBS-CvB gekeken naar de arbeidsmarktpositie gedurende een jaar na instroom in een WW-uitkering van personen van 15 tot 65 jaar. De tweede fase van het onderzoek bestaat uit een analyse om te bepalen welke factoren van invloed zijn op de werkhervattingskans na instroom in de WW. (B30722)
     
  • ETUI; Leschke, J., Has the economic crisis contributed to more segmentation in labour market and welfare outcomes?
    Brussel : ETUI, 2012. 49 p.
    Working Paper, nr. 2012.02
    Nagegaan wordt of de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de verzorgingsstaat tijdens de economische crisis kunnen worden gezien als voortzetting van een trend naar segmentering van de arbeidsmarkt of dat de crisis daadwerkelijk heeft bijgedragen aan het bedwingen hiervan. Met betrekking tot de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, geeft de auteur blijk van een verdere segmentatie tijdens de crisis, met name voor degene die onevenredig getroffen worden door werkloosheid. Door gebrek aan gegevens is het moeilijk te beoordelen of de crisis heeft bijgedragen tot meer of minder segmentatie in welvaart. In feite lijkt er een tweedeling tussen landen op dit gebied en heeft het opzettelijk openstellen van de werkloosheidsregelingen in verschillende landen tijdens de crisis voor nieuwe groepen werknemers, is duidelijk te zien als een positieve trend in contrast met de ontwikkelingen van de afgelopen decennia. (B30750)
     
  • ETUI; Beer, P. de, The impact of the crisis on earnings and income distribution in the EU
    Brussel : ETUI, 2012. 37 p.
    Working Paper, nr. 2012.01
    Hoewel de economische crisis die begon in 2008, alle EU-lidstaten hard geraakt heeft, loopt de impact van de crisis op de werkgelegenheid, werkloosheid, inkomen en ongelijkheid in de verschillende lidstaten sterk uiteen. Deze paper analyseert de variatie in de gevolgen van de crisis tussen de lidstaten van de EU. Ten eerste bespreekt het een aantal theoretische inzichten over de impact van de crisis op de winst-en inkomensverdeling. Vervolgens geeft een beknopt overzicht van empirische studies, gebaseerd op gegevens uit eerdere conjunctuurcycli. (B30749)
  • UWV. Doorstroom van WW naar bijstand 2001-2012
    Amsterdam : UWV, 2012. 33 p.
    Kennismemo, nr. 12/01
    Het aantal mensen dat na een WW-uitkering doorstroomt naar de bijstand is in de afgelopen 10 jaar sterk toegenomen: van ruim 9.000 (2001) naar bijna 25.000 (2009). Het aandeel WW’ers dat doorstroomt naar de bijstand varieert in die periode van 4 tot ruim 8%. Dat lijkt niet veel, maar de doorstromers blijken een fors aandeel van de instroom in de bijstand te zijn. Afhankelijk van de
    conjunctuur is de totale bijstandsinstroom circa 100.000 tot 130.000 personen per jaar. Dat houdt in dat circa 10-20% van de instroom in de bijstand afkomstig is van de WW. Een economische crisis leidt tot een forse groei van de doorstroom van WW naar bijstand. Daarbij heeft de kredietcrisis (vanaf 2008) waarschijnlijk een veel groter effect op de doorstroom gehad dan de internetcrisis (vanaf 2001). (B30733)
     
  • CBS; Centrum voor Beleidsstatistiek; Jong, W. de; Geertjes, K.; Mooij-Schep, M. de; Rijk, A. de; Sluiter, N.
    Werkhervattingskansen na instroom in de WW : leeftijd is niet het enige dat telt
    Den Haag : CBS, 2012. 44 p.
    Hard, gedetailleerd en meerjarig cijfermateriaal over het effect van leeftijd (of andere factoren) op de kans om weer aan het werk te komen, is schaars. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft het Centrum voor Beleidsstatistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS-CvB) daarom gevraagd te onderzoeken welke factoren van invloed zijn op de kans op werkhervatting voor personen die zijn ingestroomd in de WW. De nadruk ligt hierbij op personen van 45 tot 65 jaar. In een eerste fase van dit onderzoek heeft CBS-CvB gekeken naar de arbeidsmarktpositie gedurende een jaar na instroom in een WW-uitkering van personen van 15 tot 65 jaar. De tweede fase van het onderzoek bestaat uit een analyse om te bepalen welke factoren van invloed zijn op de werkhervattingskans na instroom in de WW. (B30722)
     
  • Europees Cie, Adapting unemployment benefit systems to the economic cycle : European employment observatory review 2011
    Luxemburg : EU, 2011. 34 p.
    Sociale Europe
    Als reactie op de door de recessie veroorzaakte werkloosheid, zijn in de Europese landen de uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen toegenomen. De publicatie geeft de belangrijkste resultaten 33 nationale artikelen over het thema 'aanpassing van de systemen van werkloosheidsuitkeringen aan de economische cyclus', Het rapport gaat in op de hervormingen van de ww-uitkeringen tijdens de crisis en de prioriteiten van het Europa 2020 kader. (B30631)
     
  • CPB; Jong, J. de, Werkloosheid en de Grote Recessie
    Den Haag : CPB, 2011. 19 p.
    CPB policy brief, Nr. 2011/10
    De Nederlandse economie kromp in 2009 met 3,5%. Op basis van ervaringen uit het verleden had de werkloosheid na een dergelijke krimp moeten oplopen tot rond de 7%, maar dat is niet gebeurd. De werkloosheid liep slechts op tot 4,6% van de beroepsbevolking. Dit is minder dan verwacht. Dat kwam vooral door het ‘hamsteren van arbeid’ door bedrijven. Zij kozen ervoor ook in slechte tijden personeel in dienst te houden, omdat geschikt personeel al jaren lastig te vinden was en omdat bedrijven er financieel toe in staat waren. Andere verklaringen, zoals de deeltijd-WW, speelden amper een rol. In deze CPB Policy Brief worden deze verklarende factoren beschreven. (
     
  • Europese Cie, Labour market developments in Europe 2011
    Luxemburg : EU, 2011. 181 p.
    European economy, 2011, nr. 2
    Analyse van werkloosheidsvoorzieningen en loonontwikkelingen binnen de EU. En verder de interaktie tussen lonen, prijzen en onevenwichtigheden die op macroeconomisch gebied invloed hebben en de rol van de overheid hierin. (B30274)
     
  • UWV; TNS Nipo; Wensveen, D. van; Snel, N., Naleving re-integratieverplichting WW'ers : resultaten 2010 : rapport
    Amsterdam : TNS Nipo, 2010. 24 p.
    Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) verzorgt de re-integratie en de uitkeringsverstrekking aan uitkeringsgerechtigden. UWV ziet erop toe dat iedereen die is gerechtigd een uitkering te ontvangen deze ook op de juiste wijze ontvangt en dat mensen die kans hebben om uit de uitkeringssituatie te komen ook de juiste stappen zetten om daarin te slagen. Om het resultaat van handhaving te meten, introduceert UWV per 2010 een nieuwe prestatie-indicator, het nalevingsniveau. Staatssecretaris Klijnsma heeft aan de Tweede Kamer de toezegging gedaan om in de SZW-begroting van 2010 indicatoren op te nemen over het nalevingsniveau van onder meer de re-integratieplicht voor WW’ers en WGA’ers. In het licht van die toezegging heeft UWV eind mei 2009 voor het eerst aan TNS NIPO de opdracht gegeven om een pilotonderzoek uit te voeren onder WW-gerechtigden naar het naleven van de re-integratieplicht: zoeken de WW-gerechtigden in voldoende mate naar nieuw werk? In november 2010 is dit onderzoek in een aangepaste vorm herhaald. Dit rapport geeft de resultaten van de herhaalmeting weer en waar van belang en mogelijk wordt een vergelijking gemaakt tussen 2009 en 2010. (B29573)
     
  • Regioplan; SEO; Heuts, L.; Waveren, B. van; Kok, L.; Prins, J.; Tempelman, C., Evaluatie premiegroepensystematiek WW : eindrapport
    Amsterdam : Regioplan, 2010. 94 p.
    Regioplan publicatienr. 1992
    Op 1 januari 2006 is in vijf sectoren de premiegroepensystematiek binnen de WW ingevoerd (agrarische bedrijven, bouwbedrijven, culturele instellingen, horecabedrijven algemeen en schildersbedrijven). In deze sectoren is de hoogte van de werkgeverspremie afhankelijk gemaakt van de contractduur. Het doel van de premiegroepensystematiek is om cyclische werkloosheid en seizoenswerkloosheid terug te dringen en daarmee het seizoensgebonden gebruik van de WW tegen te gaan. Doel van dit evaluatieonderzoek is een (causaal) verband te leggen tussen de premiegroepensystematiek en seizoenswerkloosheid die leidt tot beroep op de WW. (B29348)
     
  • Smitskam, C. J.; Kronenburg-Willems, E. J., Werkloosheid
    Deventer : Kluwer, 2010. 143 p.
    PS-special (2010), nr. 6. Werkloosheid
    PS-Special over de Werkloosheidwet. Ingegaan wordt op de volgende onderwerpen: Verwijtbare werkloosheid; De zoektocht naar werk; Vrijstelling en ontheffing van de sollicitatieplicht; Re-integratie-instrumenten in de WW; Inkomstenverrekening bij werkhervatting langdurig werklozen; Starten als zelfstandige vanuit de WW; Betalingsonmacht van de werkgever; Deeltijd WW; Wetsvoorstel anticumulatie Ziektewet en Werkloosheidswet. (B29300)
     
  • SCP; Echtelt, P. van; Schnabel, P.; Beer, P. de; Veen, R. van der, Werkloosheid in goede banen : bijdragen aan de SCP-studiemiddag 2010
    Den Haag : SCP, 2010.
    SCP-Special, nr. 59
    Naar aanleiding van het eerder verschenen onderzoek Een baanloos bestaan (SCP-publicatie 2010-5) organiseerde het Sociaal en Cultureel Planbureau een studiemiddag met het thema Werkloosheid in goede banen. Tijdens de studiemiddag werd ingegaan op een aantal fundamentele vragen met betrekking tot de sociale zekerheid en het huidige arbeidsmarktbeleid. In het rapport zijn de volgende lezingen gebundeld:
    Een baanloos bestaan / Patricia van Echtelt; Iedereen aan het werk? / Paul de Beer; Naar een activerend stelsel van sociale zekerheid / Romke van der Veen. (B29176)

  • Jongen, E. L. W., Modelling the impact of labour market policies in the Netherlands : proefschrift VU Amsterdam
    Amsterdam : Tinbergen Inst., 2010.
    De dynamiek tussen werk en werkloosheid in Nederland is relatief laag. Tegelijkertijd zijn de werkloosheidsuitkeringen, ontslagbescherming voor vaste contracten, en uitgaven aan actief arbeidsmarktbeleid relatief hoog. In zijn proefschrift analyseert Egbert Jongen de effecten van deze vormen van beleid, met behulp van toegepaste modellen voor Nederland. Uit zijn analyse volgt dat bij het huidige niveau van de WW-uitkering de kosten ongeveer gelijk zijn aan de baten. Een lagere WW-uitkering verhoogt de dynamiek, maar levert vanuit welvaartsperspectief weinig op. Dit geldt ook voor de introductie van een zogenaamde spaar-WW. Een spaar-WW maakt het makkelijker om het inkomensverlies door werkloosheid te spreiden over de hele levensloop, maar werknemers kunnen dit al grotendeels zelf, via sparen en lenen. De spaar-WW voegt daarom weinig toe. Jongens analyse leert verder dat ontslagbescherming de dynamiek verlaagt, maar dat dit niet ten koste hoeft te gaan van de werkgelegenheid, productiviteit en welvaart. Collectief gefinancierde WW-uitkeringen en mogelijk onderinvesteringen in bedrijfspecifieke kennis zorgen ervoor dat mensen te snel worden ontslagen. Een rem op ontslag is daarom efficiënt. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een ontslagbelasting, die een deel van de huidige kostbare en tijdrovende procedures kan vervangen. Verder laat Jongen zowel theoretisch als empirisch zien dat ontslagvergoedingen weinig tot geen invloed hebben op de dynamiek. De analyse van actief arbeidsmarktbeleid (bijvoorbeeld ’Melkertbanen’) leert dat het werkgelegenheidseffect op macro niveau (nog) minder gunstig is dan op individueel niveau. Actief arbeidsmarktbeleid lijkt de dynamiek op de arbeidsmarkt eerder te verlagen dan te verhogen. (B29077)

  • UWV, Eindrapportage audit Re-integratie WW
    Amsterdam : UWV, 2010. 18 p.
    Eindrapportage van de door de Accountantsdienst UWV uitgevoerde audit naar het re-integratiebudget WW 2010. Door het intensief inzetten van re-integratiemiddelen in de tweede helft van 2009 en begin 2010 is het re-integratiebudget WW overschreden. De overschrijding op de begroting van 2010 komt uit op €89 mln. (B28991 )
     
     
  • Pijper, B. de, De kleine gids werkloosheid 2010
    Deventer : Kluwer, 2009.
    Eerste editie van de Kleine Gids Werkloosheid. Aan de hand van voorbeelden en schema's gaat deze Kleine Gids in op de belangrijkste voorwaarden voor de beoordeling van het recht op WW-uitkering. Deel I gaat in op een aantal algemene uitgangspunten die bij de beoordeling van het recht op WW-uitkering een rol spelen. Deel II behandelt de eerste voorwaarde voor het recht op WW-uitkering. De voorwaarde is dat de aanvrager werknemer moet zijn in de zin van de WW. Daarbij wordt zowel ingegaan op de verplichte als de vrijwillige verzekering. Het deel wordt afgesloten met een hoofdstuk, wie werkgever is van de werknemer. Deel III gaat in op het recht op WW-uitkering. Hoe kan de werknemer een aanvraag voor een uitkering indienen? Daarna wordt ingegaan op andere voorwaarden voor het ontstaan van een recht op WW-uitkering. In de daarna volgende hoofdstukken worden duur en hoogte van de uitkering behandeld. Deel IV geeft regels over het geldend maken van het recht op WW-uitkering. In dit deel wordt ook behandeld in welke gevallen UWV een uitkering, blijvend of tijdelijk, geheel of gedeeltelijk mag weigeren en wanneer UWV een bestuurlijke boete mag opleggen. Deel V behandelt de betaling van de WW-uitkering, terwijl het laatste deel, deel VI, ingaat op de redenen die aanleiding zijn een uitkering geheel of gedeeltelijk te beëindigen. (B28706)

  • Min. Financiën, Werkloosheid : rapport brede heroverwegingen
    Den Haag : Min. Financiën, 2010.
    Brede heroverwegingen 10. Deze heroverweging betreft vooral de Werkloosheidswet (WW). De WW is een werknemersverzekering. Via de WW zijn werknemers (tot een bepaald maximum) verzekerd tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het budgettair beslag van de WW (inclusief reïntegratie en uitvoering) beloopt in 2010 bijna 7 miljard euro. Hierbij moet worden aangetekend dat dit bedrag sterk wordt beïnvloed door de oplopende werkloosheid. (B28634)

  • SEO; Kok, L.; Hop, P.; Prins, J.; Min. SZW, Zelfstandig uit de WW : evaluatie van de startersregeling in de WW
    Amsterdam : SEO, 2009.
    SEO-rapport, nr. 2009-62
    Met ingang van 1 juli 2006 is de startersregeling voor mensen met een WW-uitkering in werking getreden. Met deze regeling kunnen mensen met behoud van de WW-uitkering starten als zelfstandige. Het ministerie van SZW heet SEO Economisch Onderzoek gevraagd om de effecten van de startersregeling te evalueren. In de evaluatie worden de volgende vragen beantwoord: Draagt de regeling bij aan uitstroom uit de uitkering?; Draagt de regeling bij aan stimulering van het ondernemerschap?; Welke (externe) effecten heeft de regeling in de praktijk? Het rapport beschrijft achtereenvolgens de regelgeving vóór 1 juli 2006 en de huidige regelgeving; De uitvoeringspraktijk en ervaringen van UWV en starters; Aantal en kenmerken starters en hun bedrijf; Uitstroom en herinstroom; Effecten van de startersregeling. (B28204)

  • Pennings, F. J. L.; Damsteegt, A. C., De werkloosheidswet
    Deventer : Kluwer, 2009.
    Monografieën Sociaal Recht, nr. 11
    Deze druk geeft een actuele beschrijving en analyse van de huidige regeling en de jurisprudentie. Bevat de volgende hoofdstukken: Inleiding; Hoofdlijnen en systematiek van de ww; De systematiek van het recht op ww-uitkering; Ontstaansvoorwaarde I - Werknemerschap; Ontstaansvoorwaarde II - Werkloosheid; Ontstaansvoorwaarde III - De referte-eis; Ontstaansvoorwaarde IV - De afwezigheid van uitsluitingsgronden; Eindiging en herleven van het recht; Duur en omvang van het recht; Re-integratiebepalingen in de ww; Voorkomen verwijtbaar werkloos te worden; Werkloos zijn of blijven; Verplichtingen volgend uit artikel 26 ww; Maatregelen; De inlichtingenplicht: artikel 25 ww; Boeten; De betaling, het voorschot en de terugvordering; De ww in internationale situaties; Vrijwillige verzekering; Uitkeringen bij betalingsonmacht van de werkgever; Enige bespiegelingen over de ww. 3e dr. (B28182)

  • SEO; Heyma, A.; Werff, S. van der; Tempelman, C.; Klaveren, Ch. van; Theeuwes, J.; Min. BZK, Gevolgen eigenrisicodragen WW en ambtelijk ontslagrecht bij overheid en onderwijs
    Amsterdam : SEO, 2009, 121 p.
    DEO-rapport, nr. 2008-81
    Onderzoek naar de gevolgen van het eigenrisicodragerschap WW in combinatie met het ambtelijk ontslagrecht bij overheid en onderwijs. Het eigenrisicodragerschap WW betekent dat werkgevers geen premie afdragen aan een fonds dat vervolgens de WW-uitkering van de door de werkgever ontslagen werknemers betaalt (premiestelsel), maar dat werkgevers de WW-lasten uit eigen middelen financieren. Eigenrisicodragers WW zijn uitsluitend werkgevers in het openbaar bestuur, openbare veiligheid, onderwijs en een aantal overheidsstichtingen, overheidsbedrijven en zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) waarvan de werknemers verplicht deelnemen in het pensioenfonds ABP. Uit het onderzoek blijkt dat het eigenrisicodragerschap WW, al dan niet in combinatie met het ambtelijk ontslagrecht, geen belemmering vormt voor het aannemen van oudere werknemers bij de overheid en in het onderwijs. Ook lijkt het een efficiënt, doelmatig, flexibel en slagvaardig functioneren van overheids- en onderwijsorganisaties als werkgever niet belangrijk in de weg te staan. Alleen op het aannemen van werklozen heeft het eigenrisicodragerschap WW mogelijk een drukkend effect. (B27998)

  • Research voor Beleid; Klaver, P. M. de; Ruig, L. S. de; Stichting van de Arbeid, Deeltijd-ww en het behoud van werkgelegenheid : een quick scan : eindrapport
    Zoetermeer : Research voor Beleid, 2009. 37 p.
    Per 1 april 2009 geldt in Nederland de Tijdelijke regeling deeltijd-WW. Doel van de regeling is vakkrachten te behouden voor bedrijven die voldoende gezond zijn om, ondanks een tekort aan orders en omzet, door de crisis heen te komen. Werkgevers kunnen werknemers tijdelijk minder laten werken zonder dat men hen hoeft te ontslaan en kunnen hen weer inzetten als de economische situatie verbetert. Voor de uren waarop de werknemers geen arbeid verrichten, hebben zij recht op WW. De Stichting van de Arbeid heeft Research voor Beleid gevraagd onderzoek te verrichten naar het effect van de regeling op het behoud van werkgelegenheid in Nederland. Het onderzoek is beperkt van omvang en indicatief van aard. Het rapport schetst de inhoud van de Tijdelijke regeling deeltijd-WW. Vervolgens gaat het in op het bereik (gebruik) en de effecten van de deeltijd-WW in Nederland. Het rapport sluit in af met een uiteenzetting over vergelijkbare regelingen in het buitenland (België, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië). Uit de internationale vergelijking blijkt dat bijna alle omringende landen, op Groot-Brittannië na, een vergelijkbare regeling hebben. Deze regelingen zijn echter niet tijdelijk maar structureel van karakter. (B27979)

  • CPB, Budget deeltijd WW
    Den Haag : CPB, 2009. 6 p.
    Notitie, nr. 2009/21
    Met de deeltijd-WW kan worden voorkomen dat bedrijven vakkrachten met bedrijfsspecifieke kennis moeten ontslaan. Er is echter ook sprake van onnodig gebruik van de regeling. Op basis van twee verschillende scenario's wordt berekend welk budget beschikbaar is voor de deeltijd-WW gegeven dat sprake is van onnodig gebruik. Afhankelijk van het scenario, komt het budget voor de deeltijd WW uit op 550 à 625 mln euro. (B27947)

  • Inspectie Werk en Inkomen, Anderhalf jaar in de uitkering : nota van bevindingen
    Den Haag : IWI, 2008.
    N08/15
    Met dit onderzoek biedt de inspectie inzicht in de ondersteuning die cliënten van de keten van Werk en Inkomen krijgen, het risico op langdurige werkloosheid, en de effecten van die ondersteuning. In het rapport wordt antwoord gegeven op de volgende onderzoeksvragen: 1. Welke algemene vormen van ondersteuning krijgen burgers in de keten in de gehele anderhalf jaar na aanvraag van de uitkering?; 2. Uit welke specifieke activiteiten bestaat de ondersteuning van burgers in de keten en met welke verbeteringen gaan de verschillende vormen van specifieke ondersteuning samen?; 3. Welke eigenschappen van mensen kunnen uitvoeringsorganisaties in het eerste halfjaar na uitkeringsaanvraag waarnemen, om het risico op langdurige werkloosheid vroeg te onderkennen?; 4. In hoeverre is er een relatie tussen werkhervatting van burgers binnen de verschillende risicogroepen, de ingezette ondersteuning bij deze mensen en de verbeteringen die zij rapporteren? (B27396)

  • CPB; Jongen, E. L. W.; Vuren, A. H. van, Individuele spaarrekeningen voor werkloosheid: mirakel of mythe?
    Den Haag : CPB, 2008.
    CPB document, nr. 169
    Een regelmatig terugkerende hervormingsoptie voor de werkloosheidsverzekering is de introductie van een zogenoemde spaar-WW. In plaats van een premie te betalen moeten werknemers dan verplicht sparen op een individuele rekening waaruit de uitkering tijdens werkloosheid wordt betaald. Omdat werknemers ook 'rood' kunnen staan, blijven zij verzekerd van voldoende inkomen tijdens werkloosheid. Verder blijft een zekere mate van risicodeling bestaan wanneer negatieve saldi aan het eind van het werkzame leven worden kwijtgescholden. Om een inschatting te maken van de effecten van een spaar-WW voor Nederland wordt een simulatiemodel geconstrueerd. De simulaties geven aan dat een optimale combinatie van spaarvoet en uitkeringsvoet de welvaart licht kan verhogen, mits werklozen tegen leenbeperkingen aanlopen. Wanneer werklozen niet tegen leenbeperkingen aanlopen, dan is een spaar-WW minder interessant, maar in dat geval lijkt de huidige WW-uitkering vrij genereus. Het schaarse empirisch onderzoek daarnaar suggereert dat het belang van leenbeperkingen beperkt is. (B27233)

  • Inspectie Werk en Inkomen, Het eerste jaar : ondersteuning van burgers in het stelsel voor werk en inkomen
    Den Haag : IWI, 2008.
    R08/07
    Dit rapport is onderdeel van een serie waarin de inspectie een grote groep mensen heeft gevolgd die in 2007 een uitkering hebben aangevraagd bij CWI. Het onderzoek brengt in kaart hoe die mensen geholpen worden door CWI, UWV en gemeenten en wat dat oplevert. Dit rapport gaat in op het eerste jaar na de aanvraag. Krijgt iedereen dezelfde ondersteuning? Hoe snel krijgen mensen hulp en waar bestaat die hulp uit? Het gaat zowel om mensen met een werkloosheidsuitkering (WW) als met een bijstandsuitkering (WWB). Veel mensen krijgen dezelfde hulp aangeboden hoewel hun problemen verschillen. In veel gevallen bestaat de hulp uit gesprekken over vacatures en werk. Niet alle werkzoekenden krijgen daarmee de ondersteuning die ze nodig hebben. IWI verklaart dat deels door problemen in de overdracht van werkzoekenden van CWI naar UWV. Goede communicatie tussen de professionals van de organisaties is van belang om te zorgen dat niemand buiten de boot valt. (B27047)

  • RWI; Groot, I.; Graaf-Zijl, M. de; [et.al.], De lange weg naar werk : beleid voor langdurig uitkeringsgerechtigden in de WW en de WWB
    Den Haag : RWI, 2008.
    Onderzoek naar de re-integratie- en activeringsinspanningen voor langdurig uitkeringsgerechtigden. Het onderzoek vergelijkt langdurig uitkeringsgerechtigden in de WWB en de WW met mensen die nog maar net in de uitkering zijn gestroomd. Het kijkt naar persoonskenmerken van deze groepen, naar de kans om een re-integratietraject te ontvangen en naar het effect van dit traject. Tevens bevat het rapport casestudies met succes en faalfactoren. (B26534)

  • RWI, Analyse aandeel langdurig uitkeringsgerechtigden in WW en WWB
    Den Haag : RWI, 2008.
    Analyses
    Analyse van het potentieel voor de arbeidsmarkt. Het gaat om die personen die al langere tijd afhankelijk zijn van een uitkering. In de analyse wordt ingegaan op de volgende vragen: Wat zijn de trends en de kenmerken van de langdurig uitkeringsgerechtigden en wat is het aandeel langdurig uitkeringsgerechtigden in het totale bestand WW en WWB in de periode 1999-2005?; Wat wordt er aan trajecten ingezet voor deze groep?; Wat is de effectiviteit van die trajecten en kan dit verbeterd worden? Uit de RWI-analyse blijkt onder meer dat leeftijd en opleidingsniveau de grootste risicofactoren zijn voor het ontstaan van langdurige uitkeringsafhankelijkheid. Ruim een kwart van de bijstandsgerechtigden die langer dan 3 jaar een uitkering hebben, is tussen de 55 en 64 jaar. Voor de WW geldt dat ruim tweederde van de langdurig uitkeringsgerechtigden ouder is dan 55 jaar. Een ander kenmerk van langdurig uitkeringsgerechtigden is hun lage opleidingsniveau. (B26535)

  • Inspectie Werk en Inkomen, Uitvoering van re-inegratietrajecten door UWV : invloed van WW-cliënten en maatwerk bij re-integratie
    Den Haag : IWI, 2007.
    R07/18
    Onderzoek naar het totstandkomen van maatwerk in re-integratietrajecten. Daarbij is gekeken naar drie aspecten: de rol van UWV als opdrachtgever voor re-integratiedienstverlening, de invloed van de cliënt op zijn re-integratietraject, en het functioneren van de re-integratiemarkt. De resultaten van dit onderzoek staan in dit rapport. (B26387)

  • Min. SZW ; Gils, G. van; Frank, L.; Heijden, P. van der, Regelovertreding in de WAO, WW en WWB in 2006
    Den Haag : Min SZW, 2007.
    Werkdocumenten , nr. 387
    De belangrijkste uitkomsten van de vierde meting van het periodiek onderzoek naar regelovertreding in de sociale zekerheid zijn in de navolgende paragrafen samengevat. Bij de beoordeling van deze resultaten moet rekening worden gehouden met de beperkte representativiteit en vergelijkbaarheid van de uitkomsten. (B26113)

  • Europese Cie; Neugart, M., Provisions of the welfare state : employment protection versus unemployment insurance
    Brussel ; EG, 2007.
    European economy, economic papers, nr. 279
    Ontslagbescherming en werkloosheidsuitkeringen worden beschouwd als de meest prominente instrumenten om werknemers tegen het risico van werkloosheid te beschermen. Het blijkt dat landen of kiezen voor een hoog niveau van ontslagbescherming of voor hoge werkloosheidsuitkeringen. In de paper wordt beargumenteerd dat een groot deel van de kiezers die buiten de arbeidsmarkt staan maar wel deel uitmaken van een huishouden met inkomen uit arbeid, de voorkeur heeft voor hoge ontslagbescherming en relatief lage werkloosheidsuitkeringen. De reden is dat ontslagbescherming zorgt voor meer baanzekerheid, terwijl werkloosheidsuitkeringen vanuit de belastingen worden gefinancieerd en zorgen voor een daling van het netto inkomen van een huishouden. Onderzoek naar dwarsverbanden in verschillende landen bevestigen de resultaten van dit model. Deze uitkomsten van relevant voor beleidsmakers omdat 'flexicurity' beleid als gevolg hiervan zou kunnen ontbreken. (B26002)

  • ESVLA; Schaapman, M.; Kaar, R. van het, Social partners and social security systems
    Dublin : ESVLA, 2007.
    De systemen voor werkloosheidsuitkeringen werden opgezet in verschillende tijden in de diverse Europese landen. In de nieuwe lidstaten, zijn deze systemen een vrij recent fenomeen. In sommige landen, is de rol van werknemers en werkgevers in het systeem van groot belang gebleven, terwijl in andere landen deze functie gedeeltelijk of volledig door de staat is overgenomen. Deze vergelijkende studie onderzoekt de verschillende vormen van werkloosheidsuitkeringssystemen, de mate van betrokkenheid van sociale partners in diverse landen, en de gevolgen van deze vormen van betrokkenheid. De studie omvat 13 van de 15 'oude' lidstaten van de EU, met uitzondering van Portugal en Luxemburg, evenals een aantal van de nieuwe lidstaten - Cyprus, Hongarije, Malta, Polen, Slowakije en Slovenië - en omvat tevens Noorwegen. (B25746)

  • Inspectie werk en Inkomen, Samenwerking tussen CWI en UWV bij aanvragen voor een WW-uitkering
    Den Haag : IWI, 2007.
    R07/01
    De Inspectie Werk en Inkomen heeft onderzocht hoe CWI en UWV samenwerken bij de aanvragen voor een WW-uitkering. Aanleiding waren signalen dat het niet overal goed ging. De inspectie stelt vast dat de één-loket-gedachte, waarbij CWI het loket is voor uitkering van UWV en gemeenten, geen realiteit is. CWI is wel duidelijk het eerste aanspreekpunt, maar mensen krijgen ook vaak te maken met het klantcontactcentrum van UWV. Dit komt onder andere door een beperkte samenwerking bij individuele dossiers. De inspectie verklaart in het rapport ook waardoor dit komt en schetst enkele ontwikkelingen die veelbelovend zijn voor verbetering van de dienstverlening. (B25596)

  • Douven, C. L. J. R.; [et al.], Thema: werkloosheid
    Deventer : Kluwer, 2006.
    PS-special (2006) nr. 6. Werkloosheid
    De in deze special beschreven wetgeving omvat de Werkloosheidswet (WW), de Wet werk en bijstand (WWB) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Tevens wordt kort ingegaan op de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Verder komen aan de orde de gevolgen van werkloosheid voor pensioenen en de fiscale aspecten van werkloosheid, waarbij de fiscale behandeling van de ontslagvergoeding centraal staat (B25443)

  • Damsteegt, A. C., De werkloosheidswet anno 2007
    Deventer : Kluwer, 2006.
    Actualiteiten sociaal recht, nr. 23
    Aan de hand van het systeem en de structuur van de Werkloosheidswet worden de belangrijkste wijzigingen die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan, besproken. Aan de orde komen: het ontstaan van het recht op uitkering; het geldend maken van het recht op uitkering; en de betaling van de uitkering. Vervolgens wordt ingegaan op de uitkering in verband met betalingsonmacht van de werkgever, welke bepalingen onder meer recentelijk zijn gewijzigd in verband met codificatie van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen (HvJ EG). Een gewijzigd inzicht ten aanzien van de re-integratie heeft geleid tot aanpassing van de re-integratieinstrumenten in de WW. Deze worden tevens behandeld. Afzonderlijke hoofdstukken zijn gewijd aan de zieke werknemer, de zelfstandige werknemer en de oudere werknemer. (B25411)

  • Hosseini, F., Een verplicht spaarsysteem voor het werkloosheidsrisico : proefschrift Universiteit van Amsterdam
    Capelle aan den IJssel : F. Hosseini, 2006. 253 p.
    Promovendus werk een alternatief uit voor de werkloosheidswet: een spaarsysteem voor de WW, waarbij de huidige collectieve werkloosheidsverzekeringen worden vervangen door een spaarsysteem. Dit legt het financiële risico van werkloosheid voor een groter deel bij de verzekerde werknemers en komt tegemoet aan het principe dat het risico daar moet worden gelegd waar het kan worden beïnvloed. Het proefschrift schetst allereerst de geschiedenis van de Nederlandse werkloosheidsverzekering. Vervolgens wordt ingegaan op de huidige Nederlandse WW, de financiële positie van werknemers bij ontslagen, en op de positie van de ouderen als gevolg van de WW. Er wordt een internationale vergelijking van de werkloosheidswet gegeven. Daarnaast wordt een cijfermatig overzicht gegeven van de volumeontwikkeling van de in- en uitstroom. Daarna volgt het onderzoek naar spaarfondsen als mogelijk alternatief voor collectieve werkloosheidsverzekeringen. Getoetst worden de effecten van dit systeem op het gedrag van werknemers en werklozen aan de hand van microsimulatie. Aangetoond wordt dat wanneer de kosten van de WW direct ten laste van de werknemer worden gebracht, er een direct financieel belang ontstaat voor de werknemer en de werkloze ex-werknemer om instroom te voorkomen en uitstroom te versnellen. (B24829)

  • SEOR; Koning, J. de; Kroes, H.; Steen, A. van der, Patronen van werk en gebruik van sociale regelingen
    Rotterdam : SEOR, 2006. div p.
    Het onderzoek heeft tot doel een beeld te geven van de mate waarin mensen werken, gebruik maken van een uitkering of inactief zijn zonder uitkering tijdens hun gehele arbeidsleven. Herhaald uitkeringsgebruik en gebruik van verschillende uitkeringen door dezelfde persoon over de levensloop staan centraal. De meeste aandacht gaat daarbij uit naar de WW. Verder is nagegaan wat de consequenties zouden zijn van de invoering van een (geheel of gedeeltelijke) spaar-WW. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van het IPO-panel van het CBS dat uit 65.000 personen bestaat. (B24614)

  • CPB; Vermeulen, W.; Ommeren, J. van, Compensation of regional unemployment in housing markets
    Den Haag : CPB, 2006. div. p.
    CPB discussion paper, nr. 57
    Waarom zijn regionale werkloosheidsverschillen in Europa zo persistent als er, zoals de wage curve literatuur laat zien, geen compensatie is op de arbeidsmarkt? Wij betogen dat werkenden in regio’s waar de werkloosheid hoog is gecompenseerd worden in woningmarkten. In een model, waarin regionale werkloosheidsverschillen het gevolg zijn van centrale loononderhandelingen, laten we zien dat, door het ruimen van grondmarkten, de prikkel om te verhuizen naar regio’s waar de werkloosheid laag is verdwijnt in algemeen evenwicht. De hypothese van compensatie in woningmarkten testen we op gegevens voor steden in verschillende Europese landen. Wanneer we controleren voor variatie in inkomens en amenities, dan zijn woningen gemiddeld ongeveer 3 procent goedkoper in steden waar de werkloosheid 10 procent hoger is. In een analyse van het Nederlandse Woning Behoefte Onderzoek, waarin gecontroleerd wordt voor heterogeniteit van de woningvoorraad, vinden we een vergelijkbaar verband. Het inkomenseffect van compensatie is consistent met een wage curve elasticiteit van - 0.10. Werkenden in regio’s, waar de werkloosheid hoog is en het per capita inkomen laag, hoeven dus niet noodzakelijkerwijs slechter af te zijn, en programma’s voor regionale steun zouden hier rekening mee moeten houden. (B24609)
  • Heusden, R. L. van, Beëindigingsovereenkomsten en het recht op WW-uitkering : proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen
    Deventer : Kluwer, 2006.
    Monografieën sociaal recht, nr. 37
    In dit boek gaat de auteur uitgebreid in op de mogelijkheden die het arbeidsrecht en de Werkloosheidswet, mede in hun onderlinge verband bezien, partijen laten om met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de ontslagvergoeding afspraken te maken. In het arbeidsrechtelijke deel van dit boek gaat de auteur onder meer in op de beëindigingsovereenkomst, de beëindiging met wederzijds goedvinden, de geregelde (cwi) procedure en de afspraken die partijen op collectief niveau met betrekking tot de beëindiging van de (individuele) arbeidsovereenkomst kunnen maken. In het werkloosheidsrechtelijke deel komt de vraag aan de orde op welke wijze in de WW met beëindigingsvergoedingen rekening gehouden wordt en de vraag in welke mate vanuit de WW van de werknemer verwacht wordt dat hij zich tegen ontslag verweert (verwijtbare werkloosheid). In het slotdeel van dit boek gaat de auteur uitgebreid in op de 'ins and outs' van de pro forma-problematiek. (B24561)

  • UWV, Januarinota financiële ontwikkeling UWV-fondsen 2005-2006
    Amsterdam : UWV, 2006.
    De Januarinota geeft inzicht in de ontwikkeling van de programmakosten (uitgaven voor uitkeringen, sociale werkgeverslasten en reïntegratiebudgetten) en de uitvoeringskosten van UWV, waarbij de nadruk op de ontwikkeling van de programmakosten ligt. Allereerst worden de Aok en de Aof behandelt. Deze vormen samen de prognoses voor de WAO (exclusief de eigen risicodragers) en WAZ. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de prognoses voor de WIA. En komt het arbeidsongeschiktheidsfonds AfJ aan de orde. Het AfJ betaalt de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan Jonggehandicapten (Wajong). Vervolgens worden de prognoses voor het Rf weergegeven. Dit fonds financiert de kosten van de wet op de Reïntegratie (REA). De fondsen die de WW financieren, de sectorale wachtgeldfondsen en het AWf, komen daarna aan de orde. Deze fondsen financieren tevens de ZW-vangnetuitkeringen. Het volgende hoofdstuk bevat de prognoses ten behoeve van het Uitvoeringsfonds voor de Overheid (UfO). Het UfO financiert de vangnetuitkeringen van de Ziektewet, de zwangerschapsuitkeringen en de WW voor overheidspersoneel. Voorts is de begroting van het Tf. Het slothoofdstuk beschrijft de ontwikkeling van de beroepsbevolking en grondslagen. Uit de Januarinota komt naar voren dat het aantal WW-uitkeringen in 2006 afneemt tot 280.000. Dit is een daling van 34.000 ten opzichte van eind 2005. Ook het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, dat al sinds 2003 aan het afnemen is, daalt verder in 2006. (B24483)

  • Inspectie Werk en Inkomen, Invloed van WW-gerechtigde op hun reïntegratietraject
    Den Haag : IWI, 2005.
    R05/14
    Sinds 2001 heeft de WW-gerechtigde een centrale rol bij de vormgeving van zijn reïntegratietraject. In de wet SUWI is opgenomen dat uitkeringsgerechtigden de gelegenheid moeten krijgen mee te beslissen over hun traject. Het onderzoek gaat na of de WW-gerechtigden in de praktijk ook daadwerkelijk invloed uitoefenen op hun reïntegratietraject. Het onderzoek en de wijze waarop UWV de resultaten ervan kan benutten geven duidelijk de waarde van het betrekken van het burgerperspectief bij het toezicht aan. Daarom heeft het perspectief een prominente plaats in het toezicht op het stelsel. (B24448)

  • Inspectie Werk en Inkomen, De gevolgen van selectie bij reïntegratietrajecten voor WW-gerechtigden
    Den Haag : IWI, 2005.
    R05/15
    Op de private reïntegratiemarkt zoals Nederland die kent heeft UWV, onder andere, de verantwoordelijkheid het opdrachtgeverschap voor de reïntegratie van WW'ers in te vullen. Het is van groot belang dat deze groep werkzoekende burgers op het goede moment de juiste ondersteuning krijgen bij hun terugkeer naar werk. Deze terugkeer krijgt vaak de vorm van een reïntegratietraject. In deze rapportage worden de selecties beschreven van WW'ers die een reïntegratietraject krijgen. (B24449)

  • Min. SZW [et al.], Patronen in het gebruik van de WW
    Den Haag : Min. SZW, 2005. 51 p.
    Werkdocumenten, nr. 350
    In het onderzoek worden de frequentie, duur, herhaling en cumulatie van het WW-gebruik in kaart gebracht, verbijzonderd naar achtergrondkenmerken (persoonskenmerken, kenmerken van de situatie voorafgaande aan de WW-periode en kenmerken van de eerste WW-periode tussen 1998 en 2002). op basis van het waargenomen patroon van duur en frequentie worden typologieën van werkloosheid bepaald, en wordt de kans dat een individu in een bepaalde typologie valt verklaard uit de achtergrondkenmerken. Tot slot wordt ingegaan op het ww-beslag en werkloosheidsongelijkheid. (B24429)

  • Min. SZW; [et al.]., Regelovertreding in de WAO, WW en AWB/WWB in 2004 : (vergeleken met de jaren 2000 en 2002)
    Den Haag ; Min. SZW, 2005. div. p.
    Werkdocumenten, nr. 347
    Het rapport bevat de resultaten van de derde meting van het periodiek onderzoek naar regelovertreding op het terrein van de sociale zekerheid, meer in het bijzonder naar overtredingen van de regels van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet Werk en Bijstand (WWB, voorheen de Algemene Bijstandswet, ABW). Het onderzoek is uitgevoerd in het jaar 2004. Net als de eerdere metingen is ook deze meting uitgevoerd aan de hand van grootschalige surveys onder uitkeringsgerechtigden. het rapport geeft eerst een beeld van de geschatte omvang van regelovertreding in de WAO, WW en ABW/WWB. Vervolgens wordt ingegaan op de kennis en houding van de ondervraagden wat betreft regels en handhaving, en op de kennis van de Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet BMTi). Tot slot wordt ingegaan op de achtergronden van vergelijkbare overtredingen (oa. klusjes, zwart werk) en op de belangrijkste achtergrondkenmerken van de ondervraagden en hun motieven. (B24426)

  • Zondag, W.A.; [et al.], Ontslagrecht, WW en overige actualiteiten
    Den Haag : SDU, 2005.
    Arbeid integraal, nr. 2005/4
    Themanummer over ontslagrecht en WW. Bevat de volgende bijdragen: Een soepele ontslagpraktijk in een preventief ontslagstelsel / J. Bloemarts; Klein woordenboek van de Werkloosheidswet of: Wijzigingen Werkloosheidswet / G.C. Boot; Rechtspraak kennelijk onredelijk ontslag (2004-2005) / B. Vaandrager; Toetsingscriteria ten aanzien van de ontslagvergoeding ex art. 7:685 en 7:681 BW / S. M. J. Koolwijk; Trends in ontbindingspraktijk ex art. 7:785 BW (2004-2005) / A.M. Helstone en A.A. Post; Van anciënniteit naar afspiegeling / R. Kamminga; Het BBA en Ontslagbesluit met de VUT? / S.F.H. Jellinghaus; Ontslag van de arbeidsongeschikte werknemer / S.B. Bijkerk-Verbruggen; Beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden / J.W.M. Pothof en W.A. Zondag; MKB-visie op het ontslagstelsel / S. van Dijk; Verslag van het CWI-congres 7 oktober 2005 / S.C. van de Burgt; De Vrijstellingsregeling 48-urige werkweek zeevisserij of wel bakzeil halen (!) / S.E.H. Jellinghaus, J. van Leengrond en D.R.V. Roek. (B24279)

  • Inspectie Werk en Inkomen, Toetsen van sollicitatieactiviteiten in het kader van de Werkloosheidswet
    Den Haag : IWI, 2004.
    R04/21
    In dit rapport heeft de inspectie onderzocht hoe het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) controleert of WW-cliënten de verplichting om passend werk te vinden nakomen. uit het onderzoek blijkt dat het UWV bij ontvangers van een WW-uitkering vooral kijkt naar het aantal sollicitaties en een toets op de kwaliteit veelal achterwege laat. het UWV ontwikkelt wel nieuwe methoden om deze activiteiten effectiever te toetsen. (B23607)
  • CPB, Analyse SER-voorstel hervorming WW
    Den Haag : CPB, 2005.
    Op verzoek van de voorzitter van de commissie Sociale Zekerheid van de SER heeft het CPB een kwantitatieve analyse gemaakt van een pakket voorstellen tot hervorming van de Werkloosheidswet (WW) en daarmee samenhangende regelingen. (B23603)

  • UWV, UWV 3e kwartaal 2004
    Amsterdam : UWV, 2004.
    De instroom in de WAO is gedaald met 12 procent. In de eerste drie kwartalen van 2004 kwamen 45.000 mensen in de WAO terecht ten opzichte van 51.000 in diezelfde periode in 2003. De instroom in de WW is gestabiliseerd. Tot en met het derde kwartaal van 2004 werden 311.000 nieuwe WW-uitkeringen verstrekt, evenveel als in dezelfde periode van 2003. Daarnaast zijn ruim 15.000 WAO- en WW-cliënten na het volgen van een reïntegratietraject weer aan het werk gegaan. (B23260)

  • Min. EZ; Gautier, P.; Lindeboom, M., Toekomst van de WW in de economie van de 21st eeuw : de arbeidsparticipatie van ouderen
    Den Haag : Min. EZ, 2003.
    De paper richt zich op de vormgeving van de huidige WW en pensioenregeling in relatie met de arbeidsparticipatie van ouderen. Twee vragen staan centraal in dit position paper. De eerste vraag is of de vormgeving van de huidige WW-regeling voldoende en juiste financiële prikkels bevat om de arbeidsparticipatie van ouderen te vergroten. De tweede vraag is in hoeverre recente voorstellen om de (huidige) WW te verbeteren (zoals bijvoorbeeld de invoering van een sollicitatieplicht voor ouderen en een voorstel om de maximale uitkeringsduur te verkorten) effectief zullen zijn. Voor de beantwoording van deze vragen wordt een analyse kader gebruikt waarin zowel de huidige WW en wijzigingen in WW, maar ook de WAO en VUT of FPU regelingen met elkaar vergeleken kunnen worden. Geconcludeerd wordt dat van een aantal recente beleidsveranderingen positieve effecten te verwachten valt maar dat er nog veel ruimte voor verbetering is. Centraal in de analyse staat de zogenaamde impliciete belastingvoet op doorwerken na een bepaalde leeftijd. (B22442)

  • Min. EZ; Ours, J. van, WW in de 21ste eeuw
    Den Haag : Min. EZ, 2003.
    In dit position paper wordt vanuit een economische invalshoek een analyse gegeven van de Nederlandse WW (Werkloosheidwet). Een optimale werkloosheidsverzekering moet aan een aantal eisen voldoen om te voorkomen dat het geven van een bescherming tegen een daling van het inkomen door werkloosheid ten koste gaat van incentives voor het voorkomen van ontslag, het zoeken naar een baan en het aanvaarden van werk. Uitgaande van die eisen gesteld aan een optimale WW worden twee mogelijke varianten geschetst die de werking van de huidige WW zouden kunnen verbeteren. De eerste variant betreft een verandering van de parameters van het huidige systeem die de financiële prikkels tot baanzoeken en werkaanvaarden vergroten. De tweede variant betreft een fundamenteel andere opzet waarin interpersonele risicospreiding voor een deel wordt vervangen door intrapersonele risicospreiding. In deze zogenoemde levensloop-WW staat individuele keuzevrijheid centraal en wordt het geven van inkomensbescherming gecombineerd met het instandhouden van incentives. (B22441)

  • UWV; Brakel, K. van; Vries, M. de, Cyclisch beroep op de Werkloosheidswet 1999 t/m 2002
    Amsterdam : UWV, 2003.
    In dit onderzoek wordt van een cyclische WW-uitkering gesproken als: De werknemer minstens twee keer bij dezelfde werkgever een dienstverband heeft gehad, waarna een niet-gewerkte periode volgt waarin een WW-uitkering wordt ontvangen; De WW-perioden elkaar binnen maximaal 65 weken opvolgen. De vraagstellingen van dit onderzoek luiden: Wat zijn de kenmerken van de WW-uitkeringen waarbij een cyclisch patroon zichtbaar is?; Wat voor soort werkgevers zijn verantwoordelijk voor de werkloosheid met een cyclisch patroon? Het rapport schetst een beeld van de omvang en ontwikkeling van de cyclische werkloosheid. Het accent ligt op vijf sectoren die verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van de cyclische werkloosheid, namelijk agrarische bedrijven, bouwbedrijven, horeca algemeen, culturele instellingen en schildersbedrijven. Er wordt ingegaan op de kenmerken van de cyclische werklozen en de schadelast die veroorzaakt wordt. Vervolgens wordt aandacht besteedt aan de kenmerken van werkgevers die cyclische werkloosheid veroorzaken. Het accent ligt op de bovengenoemde vijf sectoren die verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van de cyclische werkloosheid. De onderzochte kenmerken zijn bedrijfsgrootte en ontslagpercentage. (B22426)

  • Min. SZW, Toekomstverkenning WW
    Den Haag : Min. SZW, 2004.
    De Werkloosheidswet (WW) biedt werknemers een verzekering tegen het risico van inkomensverlies bij werkloosheid. Het is de vraag of de huidige WW voldoende is toegesneden op actuele trends en toekomstige lange termijn ontwikkelingen. De bijgevoegde notitie inventariseert knelpunten van de WW en beschrijft actuele demografische, sociaal-economische en maatschappelijke trends. In deze studie de volgende drie vragen behandeld: 1. Wat zijn de functies en de karakteristieken van de huidige WW?; 2. Welke effecten heeft de WW op de arbeidsmarkt en welke gevolgen hebben genoemde trends en arbeidsmarktontwikkelingen voor de toekomstbestendigheid van de WW?; 3. Welke mogelijkheden zijn er om de toekomstbestendigheid van de WW te verbeteren? Ter beantwoording van deze vragen is de volgende opzet gekozen. Allereerst wordt (de ontwikkeling van) de huidige werkloosheidsverzekering beschreven. Hierbij wordt ook positie van de WW in internationaal perspectief beschouwd. Vervolgens staat de rol van de WW op de arbeidsmarkt centraal. Hierbij gaat het vooral om de relaties tussen de WW en arbeidsmarktprestaties, zoals werkloosheid, arbeidsmobiliteit en arbeidsmarktflexibiliteit. Hier worden ook de gevolgen van de vergrijzing en de individualisering voor de financierbaarheid en legitimiteit van de WW behandeld. Vervolgens worden mogelijke aangrijpingspunten voor beleid behandeld die kunnen bijdragen aan de toekomstbestendigheid van de WW. Hierbij komen zowel aanpassingen in de polisvoorwaarden, als alternatieve financieringsvormen aan de orde. In de bij deze notitie behorende bijlagen wordt achtereenvolgens ingegaan op 1. De WW in internationaal perspectief; 2. Aanvullende informatie over de rol van de WW op arbeidsmarkt; 3. De WW als route voor vervroegde uittreding; 4. Beschrijving voor- en nadelen modaliteiten: A. Parametrische aanpassingen; B. Premiedifferentiatie; C. Spaar-WW; D. Levensloopsparen. (B22422)

  • Stichting van de Arbeid, Aanbeveling ter bestrijding van werkloosheid onder jeugdigen : 9 januari 2004
    Den Haag : StvdA, 2004.
    Publicatienr. 2/04
    Aanbevelingen van de in de Stichting van de Arbeid vertegenwoordigde centrale organisaties van werkgevers en werknemers, waarin CAO-partijen, branches en ondernemingen worden opgeroepen om extra inzet te plegen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, en om afspraken te maken en maatregelen te treffen ter bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren. Voorts worden aanbevelingen gedaan om beroepspraktijkvormingsplaatsen in stand te houden en, waar mogelijk te creëren, afspraken te maken, gericht op het vergroten van de inzetbaarheid van jongeren. Tenslotte wordt aanbevolen om meer ruimte te scheppen voor de totstandkoming van functies voor jongeren onder meer door gebruik te maken van aanloopschalen in de CAO. De bijlagen bevatten onder meer de nota: Geen jongeren meer buitenspel : modelaanpak jeugdwerkloosheid : overeengekomen door werkgevers, werknemers en gemeenten in de RWI en het CWI. (B22372)

  • UWV, Deregulering van wetgeving
    [Amsterdam] : UWV, 2003.
    In het rapport worden voorstellen gedaan voor vereenvoudiging van wet- en regelgeving op het gebied van de sociale zekerheid. Doel van deregulering is te komen tot meer duidelijkheid, verlaging van de administratieve lasten en tot een klantgerichte en doelmatige uitvoering. Alle wet- en regelgeving op het terrein van de sociale verzekeringen moet drastisch op de schop. Zo vindt het UWV dat er een nieuwe Werkloosheidswet (WW) moet komen. De wet is zo ingewikkeld, dat het voor UWV onmogelijk is te voldoen aan de eisen voor een rechtmatige en tijdige uitvoering. Daarnaast adviseert het UWV onder meer het volgende: Bij wetswijzigingen moet één overgangsregeling komen. De vele wetswijzigingen hebben er toe geleid dat er meerdere groepen uitkeringsgerechtigden bestaan waarvoor verschillende criteria gelden; De verplichting om na één jaar en elke vijf jaar te herbeoordelen of iemand recht heeft op een WAO-uitkering moet vervallen. In plaats daarvan zou er een herbeoordeling moeten komen, wanneer de arbeidsdeskundige of verzekeringsarts dit nodig en zinvol acht; De hoorplicht zou vervangen kunnen worden door het horen op verzoek. (B21216)
  • Min. SZW; Rezwani, N.; Hendrix, P., Verplicht sparen voor het werkloosheidsrisico
    Doetinchem : Elsevier bedrijfsinformatie, 2002.
    Verkenning van de mogelijkheden van een systeem van verplicht sparen voor de WW. De vraag is of een institutionele verandering van de collectieve werkloosheidsverzekeringen niet op zijn plaats is. Vergelijkbaar met de flexibele pensioenregelingen zou ook voor de werkloosheid gedacht kunnen worden aan een spaarsysteem. Naast verschillende voorstellen, komen ook motieven voor een sparen voor het werkloosheidsrisico aan bod. Vervolgens wordt ingegaan op de economische effecten van een spaarsysteem. (B20988)

  • UWV, Informatie sociale verzekeringen naar sectoren 2001
    Amsterdam : UWV, 2002.
    In deze publicatie worden de ontwikkelingen binnen de sectoren over 2000 en 2001 weergegeven ten aanzien van het beroep op de sociale verzekeringen en de uitvoering van de bijbehorende sociale verzekeringswetgeving. De onderwerpen hebben betrekking op de zogenoemde grote geldstroom. Deze publicatie geeft kwantitatieve informatie over thema's als marktomvang, premieverzorging, claimbeoordeling, handhaving, reïntegratie en basisregistratie. De informatie wordt gepresenteerd naar sectoren. De nadruk ligt vooral op de beschrijvende statistiek in aantallen, groeipercentages en kengetallen. Aan de orde komen o.a.: werkgevers, de verzekerde populatie, onderverdeling van het lopende bestand uitkeringsgerechtigden in doelgroepen, aantallen en kengetallen in- en uitstroom in de uitkeringssituatie, het gebruik en de financiering van de regelingen en sociale verzekeringsfraude. (B21256)

  • Min. SZW; [et al.], Naleving van sociale zekerheid : Onderzoek naar naleving van regels in de Abw, WW en WAO
    Den Haag : Min. SZW, 2002.
    Werkdocumenten, nr. 279
    Verslag van onderzoek naar de omvang en achtergronden van regelovertreding in de WAO, WW en de Abw. Dit onderzoek past binnen het programma van SZW om meer inzicht te verkrijgen in de regelovertreding. Dit programma bouwt voor een deel voort op de bevindingen van het Expertisecentrum van het Ministerie van Justitie. (B21500)

  • Min. SZW; IVA; [et al.], Flexibiliteit en zekerheid : effecten en doeltreffendheid van de wet flexibiliteit en zekerheid : eindrapport
    Doetinchem : Elsevier bedrijfsinformatie, 2002.
    Evaluatieonderzoek van de Wet flexibiliteit en zekerheid (flexwet), die op 1 januari 1999 in werking is getreden. Het onderzoek bestaat uit een kwantitatief enquêteonderzoek onder werkgevers, werknemers en uitzendondernemingen, een verdiepingsonderzoek in een tiental sectoren, een jurisprudentieonderzoek en een uitvoeringstechnisch onderzoek onder uvi's en Lisv. Uit de evaluatie blijkt dat met de Wet flexibiliteit en zekerheid er meer ruimte is gekomen voor de flexibele inzet van arbeid. Wel heeft de krapte op de arbeidsmarkt het feitelijk gebruik van mogelijkheden die de wet biedt beperkt. De meeste werkgevers geven er de voorkeur aan flexibiliteit in hun organisatie te realiseren via overwerk en wisselende arbeidstijden van vast personeel. Voorzover werkgevers gebruik maken van de verruimde mogelijkheden voor flexibele arbeid sluiten zij vooral opeenvolgende tijdelijke contracten af. Werknemers die flexibel willen of moeten werken, hebben als gevolg van de wet duidelijkere contracten gekregen, maar niet altijd automatisch een vast contract. Hoewel de contracten duidelijker zijn geworden, blijkt slechts een kwart van de flexwerkers van mening te zijn dat de eigen rechtspositie door de wet is verbeterd. Uit het onderzoek komt naar voren dat de wet (rechten en plichten) over het algemeen onder werkgevers redelijk bekend is, maar onder werknemers weinig. (B20462)