Literatuurlijst Algemene Ouderdomswet (AOW)


SER-publicaties - BoekenTijdschriftartikelen

  • SER, Wegnemen belemmeringen voor doorwerken na 65 jaar
    Den Haag : SER, 2006. 100 p.
    SER Adviezen, nr. 2006/03
    Naast een algemene vraag naar de visie van de raad stelt de staatssecretaris drie specifieke vragen over eventuele positieve prikkels, demotie en leeftijdsafhankelijke beloning, en de mogelijke bijdrage van deeltijdpensioen; Het verzoek van de minister van SZW van 3 oktober 2005 de motie-Bussemaker over een onderzoek van voor- en nadelen van flexibilisering van de pensioenleeftijd van de Tweede Kamer te betrekken. De raad gaat in dit advies uit van de huidige AOW-leeftijd van 65 jaar. Wat betreft het wegnemen van belemmeringen voor doorwerken na 65 jaar, moet het beleid volgens de raad in de eerste plaats zijn gericht op het wegnemen van belemmeringen voor doorwerken tót 65 jaar. Vanuit een langetermijn- of levensloopperspectief is het van belang dat werkgever en werknemer gedurende de gehele loopbaan de voorwaarden creëren voor doorwerken tot en desgewenst ook na 65 jaar. Een leeftijdsbewust personeelsbeleid speelt daarbij een belangrijke rol. Het moet volgens de raad zeker mogelijk zijn om na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd door te werken als zowel de werkgever als de werknemer dit wensen. Dit past bij het streven naar een optimale arbeidsdeelname en bij de behoefte aan een geleidelijke overgang van werk naar pensioen. Het advies bevat een verkenning van wet- en regelgeving die (ook) van toepassing is op de arbeidsrelatie van 65-plussers. De raad acht eventuele verdere positieve prikkels om doorwerken na 65 jaar te stimuleren dan ook niet nodig. De mogelijkheid van ontslag bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten, waarvoor de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL) ruimte biedt, moet volgens de raad gehandhaafd blijven. Eventuele belemmeringen voor doorwerken na 65 jaar zijn niet zozeer gelegen in wet- en regelgeving maar veeleer in de onbekendheid in de praktijk met de mogelijkheden om een 65-plusser in dienst te nemen of te houden. Verder vraagt de raad voor twee wettelijke bepalingen de aandacht. Ten eerste bepleit hij dat de zogenoemde Ragetlie-regel buiten toepassing blijft bij tijdelijke arbeidsovereenkomsten die worden aangegaan na pensioenontslag. Deze regel houdt in dat opzegging van de arbeidsovereenkomst vereist is wanneer een tijdelijk contract volgt op een vast contract bij dezelfde werkgever. Ten tweede acht de raad een verkenning gewenst om te bezien of een verplichte loondoorbetalingsperiode bij ziekte van één jaar voor 65-plussers passende is. Voor de beantwoording van de specifieke vragen over demotie en deeltijdpensioen verwijst de raad naar zijn advies over ouderenbeleid 'Van alle leeftijden' (2005/02). Tot slot beveelt de raad aan ook aandacht te besteden aan andere vormen van maatschappelijke participatie van ouderen, zoals vrijwilligerswerk en mantelzorg. In het advies verkent de raad tevens de voor- en nadelen van flexibilisering van de AOW-leeftijd en van flexibilisering van de ingangsdatum van aanvullende pensioenen. Hij beoordeelt de introductie van een individuele keuzemogelijkheid voor een lagere dan wel een hogere AOW-leeftijd (met consequenties voor de AOW-uitkering) per saldo negatief. Een lagere AOW-leeftijd kan ertoe leiden dat de bestaanszekerheid van mensen met alleen een AOW-inkomen in het gedrang komt. Dit staat haaks op de opvatting dat de AOW geldt als minimuminkomensvoorziening. Ook kan dit leiden tot aanvullend beroep op de Wet Werk en Bijstand. Voorts staat een lagere AOW-leeftijd op gespannen voet met een beleid dat gericht is op het bevorderen van de arbeidsdeelname van oudere werknemers. Wat een hogere AOW-leeftijd betreft, acht de raad van groot belang dat mensen nu reeds met behoud van een AOW-uitkering kunnen doorwerken. Het voorstel heeft voorts een vérgaande verandering van het huidige AOW-opbouwregime tot gevolg. Verder is het mogelijke nettoprofijt van een uitgestelde AOW-uitkering niet gegarandeerd; voor een AOW-gerechtigde kan het incasseren van de AOW-uitkering financieel voordeliger zijn dan het uitstellen daarvan. Daarnaast wijst de raad erop dat een keuzemogelijkheid voor een lagere of hogere AOW-leeftijd gepaard gaat met meer uitvoerings- en administratiekosten. Ten slotte zijn er nu reeds volop mogelijkheden voor flexibilisering van de ingangsdatum van het aanvullend pensioen. De raad beveelt aan om in pensioenregelingen waarin dit nog niet is gebeurd, alsnog voor 65-plussers de mogelijkheden te creëren voor deeltijdpensioen, voor uitstel van de ingangsdatum van het aanvullend pensioen en voor voortzetting van de pensioenopbouw. (B24589)

  • SER, Van alle leeftijden : een toekomstgericht ouderenbeleid op het terrein van werk, inkomen, pensioenen en zorg
    Den Haag : SER, 2005.
    SER Adviezen, nr. 2005/02
    Het advies is bedoeld voor de Themacommissie ouderenbeleid van de Tweede Kamer. Deze commissie zal een "integrale visie voor het op middellange (tot 10 jaar) en lange termijn (met een doorkijk naar 30 jaar) te voeren ouderenbeleid" opstellen. De Tweede Kamer heeft de raad gevraagd advies uit te brengen over het toekomstig ouderenbeleid op het terrein van werk en inkomen. Hij vraagt in het bijzonder naar de visie van de raad op toekomstige ontwikkelingen op vier beleidsterreinen: 1. de deelname van ouderen aan het arbeidsproces en het vrijwilligerswerk; 2. de inkomenspositie van ouderen; 3. de toekomstbestendigheid van pensioenvoorzieningen en de AOW; 4. de houdbaarheid van zorg- en welzijnsvoorzieningen. De SER stelt voor de financieringsbasis van de AOW structureel te verbreden door een geleidelijke uitbreiding van de financiering van de AOW uit de algemene middelen. Dit moet zo worden vormgegeven dat naast 65-minners ook AOW-gerechtigden een evenredige bijdrage leveren aan de financiering van de toename van de AOW-lasten; dit zou echter niet moeten gelden voor personen met alleen een AOW-uitkering of voor personen met een AOW-uitkering en een klein aanvullend pensioen. Volgens de SER is een algemene verhoging van de AOW-ingangsleeftijd op dit moment niet nodig, gezien de arbeidsmarktsituatie en de nog lage arbeidsdeelname van werknemers van 55 jaar en ouder. Een algemene verhoging van de AOW-leeftijd kan op enig moment opnieuw aan de orde komen, wanneer daartoe aanleiding is op basis van nieuwe inzichten met betrekking tot demografische ontwikkelingen, de sociaal- en financieel-economische situatie en de toestand op de arbeidsmarkt. Daarnaast blijft een verdere vernieuwing en kostenbeheersing van de aanvullende pensioenregelingen noodzakelijk. (B23361)

  • SER, Onvolledige AOW-opbouw ,
    Den Haag : SER, 2000
    publicatienr. 2000/05
    Op 16 december 1999 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan de Sociaal-Economische Raad (SER) advies gevraagd over de financiële positie van ouderen met een onvolledig opgebouwde uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (onvolledige AOW-opbouw). De Tweede Kamer vindt het uit het oogpunt van sociaal beleid wenselijk de inkomenspositie van deze groep ouderen te verbeteren en daartoe oplossingen op korte en lange termijn te verkennen. In de adviesaanvraag geeft de Tweede Kamer daarvoor vijf mogelijke beleidsvarianten aan: verhogen van de leeftijd waarop de AOW-opbouw start; verruimen van de pensioenvrijlating in de Algemene Bijstandswet; bijverzekeren via pensioenfondsen of via het lijfrenteregime; verhogen van de fiscale ouderenaftrek; inkopen van AOW-jaren. (B18506)

  • SER, Fiscale oudedagsparaplu ,
    Den Haag : SER, 1999
    publicatienr. 1999/03
    Op 18 december 1998 hebben staatssecretaris Vermeend van Financiën en staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Sociaal-Economische Raad (SER) advies gevraagd over de vormgeving van een fiscale oudedagsparaplu. Hiermee wordt bedoeld een geïntegreerde fiscale behandeling van de oudedagsvoorzieningen, waarbij de opbouw van deze voorzieningen in onderlinge samenhang aan één fiscaal maximum is verbonden. De adviesaanvraag schetst daartoe in globale zin een aantal mogelijkheden met het verzoek aan de hand daarvan te adviseren over de vormgeving van een oudedagsparaplu. (B17292)

  • SER, Werken aan zekerheid II : advies werken aan zekerheid -band II : Deel 4 : Toekomst oudedagvoorziening
    Den Haag : SER, 1997
    publicatienr. 1997/05 (2)
    Met het oog op de financiële houdbaarheid van de AOW stelt de Raad voor de indexeringssytematiek van de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting structureel te wijzigen en het AOW-premiepercentage op 16,5 procent te maximeren. Volgens de Raad dient de toekomstige groei van de AOW-lasten te worden betaald door de gehele samenleving via een mix van geleidelijk in te voeren structurele maatregelen. Band één (B15581) bevat: deel 1: Algemeen; deel 2: Sociale zekerheid in perspectief; deel 3: Activering en flexibilisering.(B15582)

  • SER, Financiering AOW op de korte termijn
    Den Haag : SER, 1997
    publicatienr. 1997/02
    Interim-advies waarin de SER twee beleidsopties van het kabinet beoordeelt die moeten bijdragen tot een verbreding van de financieringsbasis van de AOW in de komende jaren. Het gaat hierbij allereerst om het voornemen tot maximering van het AOW-premiepercentage met een aanvullende financiering van de AOW-uitgaven uit een rijksbijdrage. In de tweede plaats betreft het de mogelijkheid de indexeringssystematiek van de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting te veranderen; het kabinet beoordeelt deze optie in beginsel positief.(B00130)