Literatuurlijst Interne markt EG
SER-publicaties - Boeken - Tijdschriftartikelen - EU documenten
- SER, Advies over de dienstenrichtlijn
Den Haag : SER, 2005. 192 p.
SER Adviezen, nr. 2005/07
De Europese Commissie heeft in januari 2004 een voorstel ingediend voor een kaderrichtlijn over diensten op de interne markt. De voorgestelde dienstenrichtlijn heeft tot doel een algemeen rechtskader vast te stellen voor het uitoefenen van de vrijheid van vestiging van dienstverleners en voor het vrij verkeer van diensten. De richtlijn beoogt zowel de belemmeringen die de vrijheid van vestiging als die het vrije verkeer van diensten in de weg staan te verwijderen. Om de belemmeringen voor de vrijheid van vestiging op te heffen voorziet het voorstel in een vereenvoudiging, stroomlijning en screening van de vergunningstelsels van de lidstaten. Voorwaarden die aan de vestiging worden gesteld mogen niet discrimineren, moeten objectief kunnen worden gerechtvaardigd en proportioneel zijn. Om de belemmeringen voor het vrij verkeer van diensten uit de weg te ruimen wordt het oorsprongslandbeginsel ingevoerd. Op grond daarvan zijn lidstaten gehouden tot aanvaarding van inkomende diensten van een dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht.In december 2004 heeft het kabinet, mede op verzoek van de Tweede Kamer, de SER gevraagd advies uit te brengen over deze dienstenrichtlijn. Aan de SER zijn drie groepen van vragen voorgelegd: Hoe verhoudt de dienstenrichtlijn zich tot het Verdrag?; Welke sectoren dienen onder de richtlijn te vallen?; Hoe dient te worden omgegaan met de gevolgen van het oorsprongslandbeginsel voor de arbeidsmarkt en voor controle en handhaving? Het advies van de SER over de dienstenrichtlijn staat positief tegenover invoering van een Europese richtlijn die een interne markt voor diensten tot stand brengt. (B23611)
- SER, Met Europa meer groei : rapport van de Commissie Sociaal-Economische Deskundigen
Den Haag : SER, 2004. 210 p.
Het rapport van de Commissie Sociaal-Economische Deskundigen (CSED) onderzoekt hoe het EU-beleid een bijdrage tot hogere groei kan leveren en waar de lidstaten zelf – afzonderlijk of gezamenlijk – aan zet zijn. Dat gebeurt voor een aantal concrete terreinen: de voltooiing van de interne markt, de harmonisatie van de vennootschapsbelasting, Sociaal-Europa (het sociale acquis), een betere benutting van het arbeidspotentieel en de kenniseconomie. Daarbij wordt de positie van de nieuwe lidstaten afzonderlijk belicht. Het is belangrijk dat deze lidstaten het proces van inhaalgroei kunnen voortzetten. Met dit rapport wil de CSED concreet aangeven waarom en hoe Nederland, tegen het toenemende euroscepticisme in, baat heeft bij een goed functionerende EU. Gezien de relatief kleine thuismarkt en in samenhang hiermee het grote gewicht van de internationaal opererende bedrijven is een goede werking van de interne markt juist voor ons land essentieel. De CSED vindt dat de interne markt verder voltooid moet worden. Regelgeving moet worden verbeterd, evenals de implementatie van Europese regels, vooral die op het gebied van uitbesteding van overheidsopdrachten, vrij verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten, liefst al vóór 2007 en mededinging in netwerksectoren. Voor de toekomstige economische groei zijn vooral kennis en innovatie van belang. In dit verband bepleit de CSED de creatie van een Europese kennisruimte, een ‘interne markt voor kennis’. De invulling ervan vereist sterkere bevoegdheden op EU-niveau om het vrije verkeer van kennis (studenten, onderzoekers en ideeën) op afzienbare termijn te verwezenlijken. De goede werking van de interne markt wordt gefrustreerd door allerlei fiscale barrières voor ondernemingen. Er is onvoldoende afstemming tussen de lidstaten op het gebied van de vennootschapsbelasting (VpB). De beste oplossing is harmonisatie van de grondslag van de VpB, gekoppeld aan minimumtarieven. Zo dalen de transactiekosten voor bedrijven en wordt de steunfunctie van de VpB gewaarborgd. Nederland zou op het terrein van de VpB zich meer pro-actief moeten opstellen in Europa. De beoogde herziening van de VpB moet van begin af aan in een Europees kader worden geplaatst. Er is geen reden om het VpB tarief als reactie op de vestigingsplaatsconcurrentie uit de nieuwe lidstaten onmiddellijk te verlagen. Dit wil niet zeggen dat een VpB verlaging niet wenselijk kan zijn. Om de Europese economie beter te laten functioneren moeten de lidstaten ook zélf de nodige stappen zetten. Het gaat hierbij vooral om hogere investeringen in onderzoek en ontwikkeling (R&D), betere benutting van het arbeidspotentieel en het sociale beleid in relatie tot de nieuwe lidstaten. (B22764)
- SER, Evaluatie van de Lissabonstrategie
Den Haag : SER, 2004. 76 p.
SER Adviezen, nr. 2004/10
Het kabinet heeft de SER gevraagd zich uit te spreken over de manier waarop de Lissabon-strategie via de lidstaten en de Europese Unie (EU) wordt uitgevoerd. Volgens de SER is het doel van de Top van Lissabon van 2000 nog steeds actueel. Toen werd afgesproken dat de Europese Unie in 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld zou worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Vooralsnog is er weinig resultaat geboekt. Er is sprake van een tekortschietende dynamiek op de interne markt. De EU-lidstaten slagen er niet in de huidige knelpunten weg te nemen op het gebied van arbeidsmobiliteit, grensoverschrijdende diensten, ondernemen in andere landen, Gemeenschapsoctrooi, alsmede implementatie en handhaving van regelgeving ten aanzien van de interne markt. Ook komt het Europese kennis- en innovatiebeleid nauwelijks van de grond. De SER is van mening dat de Lissabon-strategie via twee sporen nieuw leven moet worden ingeblazen: via het niveau van de EU en via dat van de lidstaten zelf. De EU moet zich concentreren op de voltooiing van de interne markt en op de verwezenlijking van één Europese Kennisruimte. Onder de noemer van marktwerking vallen de voltooiing van de interne markt, de liberalisering van productmarkten, de modernisering van de mededingingswetgeving en handelsliberalisatie in het kader van de World Trade Organisation (WTO). De EU moet meer beslissingsmacht krijgen om de blokkades weg te nemen die de voltooiing van de interne markt in de weg staan. Het gaat hierbij onder meer om onderdelen van belastingen (zoals grensoverschrijdende bedrijfsintegratie), afstemming van sociale zekerheid (pensioenopbouw van migrerende werknemers), gemeenschappelijke handelspolitiek en bescherming van intellectueel eigendom (Gemeenschapsoctrooi). Op deze gebieden zou de besluitvorming niet langer bij unanimiteit, maar bij gekwalificeerde meerderheid moeten plaatsvinden. Verder bepleit het advies de verwezenlijking van één Europese Kennisruimte (als onderdeel van de interne markt) met vrij verkeer van studenten, onderzoekers en ideeën. Het tweede spoor loopt via de lidstaten zelf. Die moeten zich minder vrijblijvend opstellen en inzetten op een nationale beleidsagenda, gericht op economische groei en sociale innovatie. Daartoe moet Nederland een overkoepelend nationaal actieplan opstellen, dat aangeeft hoe de Lissabon-doelstellingen moeten worden verwezenlijkt en wie wat en wanneer gaat doen. Een hogere economische groei moet verwezenlijkt worden door het verhogen van de arbeidsparticipatie en de groei van de arbeidsproductiviteit. Dit vereist beleidsaanpassingen, waaronder sociale innovaties, op terreinen als de werking van de arbeidsmarkt, de mogelijkheden voor leven lang leren, investeringen in onderzoek en ontwikkeling en de modernisering van de stelsels van sociale zekerheid, belastingen en van pensioenen. Deze nationale beleidsagenda vraagt om een grotere betrokkenheid van het parlement. Ook binnen de arbeidsorganisaties zijn aanpassingen gewenst om een hogere arbeidsparticipatie en arbeidsproductiviteit mogelijk te maken. Mede om die reden moet de regering de sociale partners bij de tot hun domein behorende onderdelen van de nationale beleidsagenda betrekken. Verder dient de Europese Commissie zich actiever op te stellen bij het monitoren van de voortgang in de afzonderlijke lidstaten. (B22794)
- SER, Conventie over de toekomst van Europa
Den Haag : SER, 2003. 84 p.
SER Adviezen, nr. 2003/01
Het advies gaat over sociaal-economische vraagstukken die in de Conventie over de toekomst van Europa aan de orde zijn. De basisfilosofie van het advies is dat als eenmaal besloten is dat de EU dient op te treden, er ook voldoende waarborgen moeten zijn dat dit optreden slagvaardig, transparant en democratisch controleerbaar is. Voor harmonisatie van wet- en regelgeving is de communautaire methode essentieel: een sterke rol van de Commissie, meerderheidsbesluitvorming in de Raad en co-decisie door het Europees Parlement. Voor de coördinatie van het economisch beleid is vooral een versterking van de rol van de Europese Commissie bij de handhaving van de bepalingen en uitgangspunten van het Stabiliteits- en Groeipact essentieel. De Commissie ISEA legt nadruk op het belang van een goed instrumentarium voor de beoordeling of en in welke vorm Gemeenschapsoptreden noodzakelijk is.De Commissie ISEA pleit onder meer voor: Aanscherping van de zogeheten subsidiariteits- en proportionaliteitstoets;
Stroomlijning van de besluitvormingsprocedures door bij de harmonisatie van wet- en regelgeving als regel uit te gaan van meerderheidsbesluitvorming in de Raad gekoppeld aan medewetgeving (co-decisie) door het Europees Parlement;
Verruiming van meerderheidsbesluitvorming voor een aantal zaken op het terrein van het sociaal en fiscaal beleid die direct samenhangen met het functioneren van de interne markt;
Als elementen die in het basisverdrag moeten worden opgenomen, noemt de Commissie ISEA:
De methode van open coördinatie, die met name op het sociaal beleid wordt toegepast;
De bevordering van de sociale dialoog tussen werkgevers en werknemers, waarbij de autonomie van de sociale partners gerespecteerd wordt. (B21338)
- SER, Elektronische handel in de interne markt
Den Haag : SER, 1999. 50 p.
SER Adviezen, nr. 1999/10
Advies over het richtlijnvoorstel betreffende bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel in de interne markt. De Europese Cie heeft in november 1998 een richtlijnvoorstel gepubliceerd voor de ontwikkeling van een wettelijk kader voor elektronische handel in de interne markt, zowel tussen ondernemers onderling als in de consumentensfeer. Het bestrijkt volgens haar alleen die terreinen waar dit strikt nodig is om te verzekeren dat bedrijven en burgers 'elektronische diensten' in de gehele EU kunnen leveren respectievelijk ontvangen. Dit zijn: de vestiging van de ondernemer, commerciële communicatie, het afsluiten van elektronische contracten, de aansprakelijkheid van tussenpersonen, geschillenbeslechting en de rol van de nationale autoriteiten. De Commissie Consumentenaangelegenheden (CCA) heeft advies uitgebracht over de consumentenaspecten van het voorstel. De CCA vindt dat de voorstellen van de Europese Commissie om elektronische handel (e-commerce) in de interne markt wettelijk te regelen, de keuzemogelijkheden van de consument en de transparantie op de markt vergroten. De nieuwe regels zullen bijdragen aan de rechtszekerheid bij elektronische transacties (zoals op internet), en geven aan de ondernemers nieuwe mogelijkheden om elektronisch de consument te benaderen. Toch is een afzonderlijke 'transparantiebepaling' gewenst. Zodat de consument duidelijk weet onder welk recht hij valt - dat van het land van de ondernemer of dat van het land van de consument. De CCA kan zich goed vinden in de eisen die de Europese Commissie wil stellen om reclame op internet doorzichting en herkenbaar te maken, maar stelt niettemin dat dit nog geen voldoende waarborg is voor ordelijke commerciële communicatie op dit medium. Een goed werkende internationale regeling, bij voorkeur via zelfregulering, is van groot belang. Volgens het voorstel van de Europese Commissie moet het mogelijk worden een contract elektronisch af te sluiten (dus zonder ondertekening). De ondernemer moet dan wel van tevoren beschrijven welke stappen nodig zijn voordat een elektronisch contract is afgesloten. Ook moet de consument toegang kunnen krijgen tot geldende gedragscodes. Met deze uitgangspunten gaat de CCA unaniem akkoord. Over de voorgestelde wettelijke zekerheden voor partijen bij het sluiten van een elektronische transactie denken partijen in de CCA verschillend. De Europese Cie wil service providers die passief informatie doorgeleiden, van aansprakelijkheid bij e-commerce uitsluiten. De CCA vindt dit te vergaand: een provider dient in actie te komen als hij serieus wordt geattendeerd op een mogelijke onrechtmatigheid. (B17810)