Literatuurlijst Ruimtelijke ordening
SER-publicaties - Boeken - Tijdschriftartikelen - Standaardwerken
- Planbureau voor de Leefomgeving, Ex-durante evaluatie wet ruimtelijke ordening: tweede rapportage
Den Haag : PBL, 2012. 126 p.
Het PBL evalueert voor de tweede keer de werking van het juridisch-planologisch instrumentarium in wat heet een ex-durante evaluatie Wet ruimtelijke ordening. Ten opzichte van de eerste rapportage, uit juni 2010, is er het een en ander veranderd door de komst van de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die sommige delen van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aanvullen, en andere overbodig maken. Het effect van die nieuwe wetten wordt dan ook meegenomen. (B30767)
- CDA, Wetenschappelijk Inst., Balans in logistiek en mobiliteit : naar infrastructuur die verbindt
Den Haag : CDA, WI, 2012. 100 p.
Uit overtuiging
In dit rapport wordt een christendemocratische visie op logistiek en mobiliteit uiteengezet. Mobiliteit maakt ontmoeting, ontplooiing en ondernemerschap van mensen mogelijk. Betrouwbare en duurzame mobiliteit is van cruciaal belang voor de economie en een vitale samenleving. In dit rapport wordt daarom een lans gebroken om beprijzing te introduceren en te blijven investeren – ook in deze financieel moeilijk tijden – in infrastructuur. Voorts worden aanbevelingen gedaan waardoor onze logistieke sector kan blijven excelleren. Uit het rapport blijkt dat Nederland als Gateway voor Europa een voorsprong heeft weten op te bouwen, maar dit is geen vanzelfsprekendheid. De landen om ons heen zitten niet stil en elders in de wereld vinden stormachtige ontwikkelingen plaats. Willen we in de toekomst op het voorste plan mee blijven doen dan zullen we in lijn met het Strategisch Beraad moeten kiezen en verbinden. (B30642)
- Planbureau voor de Leefomgeving, Natuurverkenning 2010-2040 : visies op de ontwikkeling van natuur en landschap
Den Haag : PBL, 2012. 138 p.
In deze Natuurverkenning probeert het PBL ideeën aan te dragen voor een nieuwe visie op natuur en natuurbeleid. Een visie die het natuurbeleid weer midden in de samenleving kan zetten en nieuw draagvlak kan helpen creëren. Een visie waaraan zowel bestuurders, experts als maatschappelijke organisaties hun bijdrage leveren. Dat wordt gedaan aan de hand van vier kijkrichtingen voor 2040, die het palet tussen behoud en benutten schetsen, en duidelijk maken dat er in de samenleving vele partijen zijn die uiteenlopende redenen hebben om zich bezig te houden met natuur en landschap. (B30628)
- SCP; Rider, J. den; Kullberg, J.; Dekker, P., Burgerperspectieven 2011/4
Den Haag : SCP, 2012. 44 p.
Vierde kwartaalbericht van 2011 over het Continu Onderzoek Burgerperspectieven. Een continu onderzoek naar de trends in ontevredenheid, vertrouwen, maatschappelijke zorgen en politieke prioriteiten van de bevolking. Uit het rapport blijkt dat Nederland somberder wordt. De zorgen over de economie en eigen financiële situatie nemen toe. Bezuinigingen zijn noodzakelijk, maar er is bezorgdheid over de invulling. De negatievere stemming over EU houdt aan. sterke punten van Nederland zijn: samenleven, vrijheden, en sociale voorzieningen. Speciale aandacht is er dit kwartaal voor de inrichting van Nederland. Hier komt naar voren dat groen in de buurt leidt tot meer woongenot, leegstaande kantoren daarentegen zijn juist een grote ergernis. Burgers willen niet bouwen in polders uit en gevoel van nostalgie. (B30531)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Sorel, N.; Buitelaar, E.; Broek, L. van den; Galle, M.; Verwest, F., Omgevingsrecht en het proces van gebiedsontwikkeling
Den Haag : PBL, 2011. 99 p.
PBL-publicatie, nr. 500232001
Het omgevingsrecht moet eenvoudiger en beter. Daarom werkt het kabinet-Rutte op dit moment aan een herziening van het omgevingsrecht, onder de noemer ‘Eenvoudig Beter’. De complexiteit van het omgevingsrecht zou zorgen voor langdurige, wellicht té langdurige, gebiedsontwikkelingen. De discussie kent echter een hoog tentatief gehalte: het ontbreekt vaak aan een grondige (empirische) onderbouwing. In deze beleidsstudie wil het PBL met een conceptuele en empirische analyse meer nuance in het debat over het omgevingsrecht brengen. Daarbij wordt de vraag centraal gesteld wat de invloed is van de bepalingen van het omgevingsrecht op de procesduur van de gebiedsontwikkeling. (B30335)
- Raad voor het Landelijk Gebied; Raad voor Verkeer en Waterstaat; VROMraad, Omgevingswet : kans voor kwaliteit
Den Haag : RLI, 2011. 16 p.
Adviesnr. 2011/07
Briefadvies van de Raden voor de leefomgeving en infrastructuur over de nieuwe Omgevingswet die de minister Schultz van Haegen (IenM) wil gaan opstellen. Deze wet moet alle wetten en regels die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving integreren tot één wet, die in 2014 van kracht moet worden. De raden ondersteunen het plan van de minister om de Elverding-aanpak, ooit bedoeld voor een betere en snellere besluitvorming over infrastructuur, te verbreden naar het fysieke leefmilieu. De raden pleiten daarbij wel voor maatwerk, met niet alleen aandacht voor grote projecten, maar juist ook voor de bulk van veelal kleinere projecten die bij gemeenten aan de orde zijn. Voor grote projecten zou een model uitgewerkt kunnen worden, waarin het bestuur de vrijheid krijgt verschillende fasen te integreren in één besluit en ook kan kiezen in welke fase beroep tegen een besluit wordt opengesteld (‘harmonica-model’). Voor middelgrote projecten wordt een lichter proces bepleit: een ‘Elverding-light’ procedure. Voor kleinere projecten geven de raden handreikingen gericht op een routinematige en snelle afhandeling bij gemeenten. (B30292
- CPB; Vermeulen, W., Agglomeration externalities and urban growth controls
Den Haag : CPB, 2011. 34 p.
CPB Discussion Paper, nr. 191
Wat betekent het bestaan van externe agglomeratievoordelen voor ruimtelijke-ordeningsbeleid? Het rapport verkent deze vraag in een gestileerd model voor een systeem van heterogene steden. Als instrumenten die direct op de externaliteit aangrijpen ontbreken, dan kan ruimtelijke ordening op twee manieren behulpzaam zijn. Op de eerste plaats is beleid dat het aantal steden beperkt welvaartsverhogend, omdat de steden die overblijven dan groter worden en de agglomeratievoordelen beter benutten. Op de tweede plaats kan een combinatie van restricties en subsidies op nieuwbouw in bestaande steden ervoor zorgen dat de steden waar het externe agglomeratie-effect het grootst is, ook de meeste mensen binnen halen. Vervolgens onderzoekt het rapport de vraag in hoeverre competitie tussen steden leidt tot een maatschappelijk wenselijke uitkomst. Implementatie van het second-best beleid veronderstelt de mogelijkheid om het aantal steden te beperken en het vereist coördinatie van het ruimtelijke beleid van steden op nationaal niveau. Afzonderlijke steden houden immers geen rekening met het feit dat een versoepeling van hun beleid elders een verlies aan agglomeratievoordelen tot gevolg heeft. (B30199)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Hilbers, H.; Snellen, D.; Daalhuizen, F.; Jong, A. de; Ritsema van Eck, J.; Zondag, B.,
Nederland in 2040: een land van regio's : ruimtelijke verkenning 2011
Den Haag : PBL, 2011. 187 p.
In dit rapport schetst het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een van de mogelijke toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in Nederlandse regio's en de uitdagingen die dat biedt voor beleid. Tevens doen we enkele voorstellen hoe het beleid zou kunnen anticiperen op de te verwachten toekomstige ontwikkelingen. In het rapport constateert het PBL dat Nederland aan de vooravond staat van andere tijden: de groei van bevolking, werkgelegenheid en mobiliteit gaat, na jarenlang te zijn toegenomen, afvlakken. (B30166)
- Min. BZK; VNG; IPO, Interbestuurlijke voortgangsrapportage bevolkingsdaling
Den Haag : Min. BZK, 2011.
Rijk, provincies (IPO) en gemeenten (VNG) blijven met de drie „topkrimpregio’s‟ in Limburg, Zeeland en Groningen gezamenlijk werken aan de aanpak van de gevolgen van bevolkingskrimp. Doel is het overschot aan woningen en voorzieningen aan te passen aan de veranderende omvang en samenstelling van de bevolking zodat de leefbaarheid op peil blijft. Verder wordt de aandacht verbreed naar de tien zogeheten anticipeerregio‟s die met krimp te maken gaan krijgen. Om ook op langere termijn de krimp- en anticipeerregio‟s leefbaar te houden, moet de regionale economie worden versterkt en is er meer ruimte nodig voor maatschappelijke initiatieven. Dat stellen Rijk, IPO en VNG in de eerste voortgangsrapportage van hun gezamenlijke krimpaanpak. Met de voortgangsrapportage geeft het kabinet invulling aan de motie van de leden Rouvoet en Cohen (kamerstuk 2010-2011, 32417, nr. 41). De voortgangsrapportage bevat tevens de Kabinetsreactie op het advies van de SER over bevolkingskrimp “Krimp benoemen en benutten” aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, adviesnummer 2011/3, d.d. 18 maart 2011 (B29976)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Kuiper, R.; Evers, D., Ex-ante evaluatie structuurvisie infrastructuur en ruimte
Den Haag : PBL, 2011. 52 p.
PBL-publicatienummer: 500255001
De plannen van het kabinet-Rutte voor infrastructuur en ruimte zetten in op het versterken van de stedelijke regio's Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven. Het Rijk wil daarmee een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor buitenlandse investeerders creëren en stelt dat een goede bereikbaarheid daarvoor een voorwaarde is. Het Planbureau voor de Leefomgeving benadrukt dat de kwaliteit van de leef- en werkomgeving ook van belang is voor een goed vestigingsklimaat en pleit daarom voor een betere afstemming tussen het ruimtelijke beleid en het beleid voor de woningmarkt, arbeidsmarkt, onderwijs en cultuur. Dit is één van de conclusies die het PBL trekt in de nota ‘Ex-ante evaluatie Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte'. Op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het planbureau vooraf (ex-ante) geëvalueerd wat de gevolgen kunnen zijn van het nieuwe rijksbeleid, zoals dat wordt voorgesteld in de rijksnota ‘Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte', die 14 juni 2011 naar de Tweede Kamer is gestuurd. (B29941)
- Hospers, G. J. , Krimp
Amsterdam : SUN Statement, 2010. 88 p.
Hoe erg is Krimp eigenlijk? Dit boek laat zien dat Krimp vooral een mentale uitdaging is. In een klein land als Nederland hoeft Krimp nooit een probleem te zijn. Maar dan moeten bewoners, bestuurders, ontwerpers en ontwikkelaars wel bereid zijn om hun blik te verruimen. Weg met het dorpisme en de kerktorenpolitiek! (B29707)
- VROM-raad, Ruimtelijke kwaliteit : verkenning
Den Haag : VROM-raad, 2011. 80 p.
In de verkenning ‘Ruimtelijke kwaliteit’ constateert de VROM-raad dat het oordeel over ruimtelijke kwaliteit in Nederland niet uitzonderlijk positief is. In het huidige proces van ruimtelijke ordening zijn er belemmeringen die de realisering van ruimtelijke kwaliteit bemoeilijken. In deze verkenning worden die belemmeringen geïdentificeerd. De kern daarvan is dat ruimtelijke kwaliteit in de loop der tijd is losgeraakt van inhoudelijke opgaven en de ordeningstaken van ruimtelijk beleid. Ruimtelijke kwaliteit is een leeg begrip geworden, dat in zichzelf onvoldoende sturing kan geven en dat geen structurele plek heeft in het afwegingsproces. De oplossing ligt volgens de VROM-raad in een herstel van de koppeling van ruimtelijke kwaliteit aan een richtinggevende maatschappelijke opgave. Duurzame verstedelijking is zo’n leidend thema. Op tal van plekken in de maatschappij ziet de raad kiemen hiervoor ontstaan, met initiatieven van economische duurzaamheid, energieneutrale steden en de sociale stad. De opbouw van het rapport is als volgt. Hoofdstuk 2 start met een nadere verkenning van het begrip ruimtelijke kwaliteit en een probleemanalyse. In hoofdstuk 3 worden de contouren geschetst van een nieuw perspectief op ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt nadrukkelijk de koppeling gezocht met een richtinggevende maatschappelijke opgave. In hoofdstuk 4 worden de conclusies en aanbevelingen gepresenteerd. (B29661)
- NIROV; Min. VROM; Hoofs, G.; Kadijk, J.; Egeraat, D. van; Nooren, M.; Pluut, Z.; Stamsnijder, M., Meer met minder : de kosten en baten van ruimtelijke investeringen gewikt : praktijkgericht onderzoek naar investeringen in bereikbaarheid en ruimtelijke kwaliteit
Den Haag : NIROV, 2010. 68 p.
Output, nr. 20
Deze publicatie is de weerslag van een onderzoek naar het gebruik van de Maatschappelijke Kosten- en batenanalyse (MKBA) bij ruimtelijke projecten. De publicatie maakt inzichtelijk hoe in de praktijk met de MKBA en andere afwegingsmodellen gewerkt wordt. Ruimtelijke kwaliteit is moeilijk te waarderen en te monetariseren. In een MKBA kan dit kwaliteitsaspect makkelijk ondersneeuwen of 'van tafel vallen'. Een goede weging van immateriële aspecten vergt dat er andere instrumenten worden gebruikt c.q. ontwikkeld. Deze publicatie beschrijft enkele innovatieve gedachten die kunnen gelden als een verrijking op de bestaande afwegingsmodellen. (B29437)
- Randstedelijke Rekenkamer, Regie op herstructureren bedrijventerreinen : provincie Zuid-Holland
Amsterdam : Randstedelijke Rekenkamer, 2011. 79 p.
In Nederland moeten economische activiteiten met wonen, natuur, recreatie en mobiliteit concurreren om de schaarse beschikbare ruimte. Dat geldt in versterkte mate in de Randstadprovincies. Zuinig ruimtegebruik is daarom essentieel. Daarbij past terughoudendheid bij de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen en meer aandacht voor herstructurering om aan de behoefte aan bedrijfsruimte te kunnen blijven voldoen. Het Rijk, de provincies en de gemeenten zijn er zich inmiddels van bewust dat een extra inspanning nodig is om de achterstand bij de herstructurering van bedrijventerreinen in te lopen. Zij hebben daarover eind 2009 afspraken gemaakt in het Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020. Het Convenant introduceert ook een nieuwe aanpak om invulling te geven aan de behoefte aan bedrijventerreinen. Regionale samenwerking en duurzaam beheer en onderhoud zijn hierbij sleutelbegrippen. De Randstedelijke Rekenkamer is nagegaan of het provinciale beleid voor de herstructurering van bedrijventerreinen voldoet aan de afspraken uit het Convenant. (B29432)
- CPB; Groot, H. de ; Marlet, G. ; Teulings, C. ; Vermeulen, W. ; CPB, Stad en land
Den Haag : CPB, 2010. 137 p.
Bijzondere publicatie , nr. 89
Steden zijn sinds eind jaren tachtig weer in trek. Waarom? En waarom geldt dat niet voor alle steden? Verschillen worden in kaart gebracht tussen produktie- en consumptiekant, grondprijzen en loonverschillen. Het gegeven dat de waardering voor de stedelijke voorzieningen neerslaat in de grondprijzen, maakt de studie tot een essentieel meetinstrument in kosten-batenanalyses van lokale investeringen en ruimtelijke-ordeningsbeleid, en werpt een nieuw licht op de inrichting van het openbaar bestuur. (B29361)
- DHV, Output DHV KrimpBarometer voor 75 Nederlandse regio’s
[Amersfoort] : DHV, 2010. 21 p.
De DHV Krimpbarometer brengt de urgentie van het thema krimp op verschillende terreinen voor regio’s en gemeenten in kaart. Demografische krimp heeft grote gevolgen voor de leefbaarheid in gebieden. Dit onderzoek laat zien wat er dreigt te gebeuren, als gemeenten geen maatregelen nemen om de pijn van krimp te verzachten. Voor 75 regio’s heeft DHV in zijn zogenoemde krimpbarometer de pijnpunten in kaart gebracht om tot concrete oplossingen te komen. Geconstateerd wordt dat de verschillen tussen regio’s groot zijn. Enerzijds manifesteert de krimp zich heel divers in verschillende regio’s. Anderzijds zijn met name ook de oorzaken van de afnemende bevolking divers van aard. Het wegtrekken van jongeren, de vergrijzing, de beschikbaarheid van banen en arbeid, als ook de krapte op de woningmarkt zijn variabelen, die in onderlinge samenstelling heel divers uitpakken. Uit het onderzoek van DHV blijkt dat er grofweg 4 typen regio’s zijn te onderscheiden: Groeiregio’s; Problematische woningmarktregio’s; Secundaire krimpregio’s; Primaire krimpregio’s. De Krimpbarometer categoriseert niet alleen gebieden naar type krimp, maar meet ook de effecten van krimp op verschillende terreinen. Op onder meer de volgende terreinen worden de effecten van krimp in kaart gebracht voor gemeenten en regio's: sociaal-maatschappelijke voorzieningen; economie en arbeidmarkt; woningmarkt; commercieel vastgoed. (B29228)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Wageningen Universiteit & Researchcentrum, Balans van de Leefomgeving 2010
Den Haag : PBL, 2010. 280 p.
PBL-publicatienummer: 500206001
Integrale studie die het planbureau voortaan elke twee jaar zal uitbrengen – als opvolger van de Milieubalans, Natuurbalans en Monitor Nota Ruimte. In deze veelomvattende studie maakt het PBL de balans op van de ontwikkelingen in de afgelopen jaren op het gebied van onder meer verstedelijking, bereikbaarheid, milieu, klimaat en biodiversiteit. De balans constateert onder andere dat de kwaliteit van de leefomgeving in Nederland sinds 1990 is toegenomen dankzij het gevoerde beleid. Lucht en oppervlaktewater zijn schoner, achterstandswijken zijn vernieuwd en met de natuur gaat het hier en daar beter. De huidige economische crisis zet de kwaliteit van de leefomgeving echter onder druk. (B29109)
- OECD, National place-based policies in the Netherlands
Parijs : OECD, 2010.
OECD-onderzoek naar het ruimtelijk economische beleid in Nederland. De OECD concludeert dat Nederland succesvol is in het omvormen van de manier waarop zij specifieke gebieden van het land beheert. Investeringen in infrastructuur en huisvesting zijn nu beter gecoördineerd en gericht op sterke stadsregio's. Dit gebiedsgericht beleid versterken de regio's in Nederland, en vormt een aanvulling op andere nationale initiatieven, en past bij het groeiende belang van steden als economische motor. (B29075)
- Planbureau voor de Leefomgeving, Ex-durante evaluatie wet ruimtelijke ordening : eerste resultaten
Den Haag : PBL, 2010. 133 p.
Het Planbureau voor de Leefomgeving voert, in opdracht van de minister van VROM, een evaluatie uit naar de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) gedurende de eerste vijf jaar dat deze wet van kracht is. In dit rapport staan de resultaten van de eerste evaluatie van juli 2008 tot eind 2009. Hoewel de wet nog maar kort functioneert, kunnen wel de eerste voorzichtige conclusies worden getrokken. Vooral op gemeentelijke ontwikkelingen. Zo verloopt de planologische besluitvorming in veel gevallen sneller dan voorheen. Ook blijkt dat het bestemmingsplan onder de nieuwe wet belangrijker is geworden dan onder de vorige wet. Dat bestemmingsplan heeft echter nog geen sturende werking bij ruimtelijke ontwikkelingen (B28983)
- Raad voor het Landelijk Gebied; VROM-raad; Raad voor Verkeer en Waterstaat, Maak ruimte voor vernieuwing : investeren en besparen in het fysieke domein
Den Haag : RLI, 2010. 43 p.
RLG, nr. 10/01; VROM-raad, nr. 078
Gezamenlijk advies van de Raad voor het Landelijk Gebied (RLG), de Raad voor Verkeer en Waterstaat en de VROM-raad uitgebracht aan het kabinet, de Eerste en de Tweede Kamer en de informateurs Rosenthal en Wallage. Met het gezamenlijk advies willen de drie raden bijdragen aan de besluitvorming over de bezuinigingen in het kader van de kabinetsformatie. De raden gaan uitgebreid in op de vraag hoe er bezuinigd kan worden in het fysieke domein en tegelijk kan worden bijgedragen aan verduurzaming en toekomstbestendige kwaliteit van de leefomgeving. In deel 1 van het advies werken de raden het perspectief op duurzaamheid en bezuinigingen verder uit in doelen voor beleid, in principes voor verandering en bezuinigen, uitmondend in hoofdconclusies en aanbevelingen. In deel 2 wordt dit onderbouwd door dit perspectief uit te werken voor belangrijke onderdelen van het fysieke domein: Meer ruimte voor samenhangend regionaal beleid; Zorgen voor een functionerende woningmarkt; Garanderen van de bereikbaarheid; Behouden en versterken van de natuur; Overschakelen op hernieuwbare energie; Garanderen van waterveiligheid en doelmatiger waterbeheer. (B28965)
- Planbureau voor de Leefomgeving, De staat van de ruimte 2010 : de herschikking van stedelijk Nederland
Den Haag : PBL, 2010. 191 p.
Deze Staat van de ruimte heeft de herschikking van stedelijk Nederland als onderwerp: hoe de plekken in de stad veranderen en hoe mensen die plekken op verschillende manieren gebruiken. In acht hoofdstukken schetst het de opvallende ontwikkelingen in een aantal karakteristieke stedelijke milieus: historische binnensteden, stationslocaties, werklocaties, stedelijke woonwijken, grootschalige winkellocaties en de bebouwde en groene gebieden rondom de traditionele stad. (B28966)
- Kamps, T., Inleiding wonen
Alphen aan den Rijn : Kluwer, 2010. 143 p.
Dit boek levert een bijdrage aan het verkrijgen van een goed inzicht in de betekenis van het wonen. Er wordt niet alleen een overzicht gegeven van de verschillende instrumenten op het gebied van wonen, maar geeft tevens de onderlinge samenhang weer. Achtereenvolgens komen aan de orde:
Inleiding volkshuisvesting en wonen; Partijen op het gebied van wonen; Ontwikkeling woningvoorraad en sturingsinstrumenten; Kwaliteit van het wonen; Beschikbaarheid en betaalbaarheid; Beheer van bestaande woningvoorraad.
Voorheen maakte de inhoud van deze uitgave onderdeel uit van het boek Inleiding Ruimtelijke Ordening en Wonen. (B28933)
- CPB; Weel, B. ter; Horst, A. van der; Gelauff, G., The Netherlands of 2040
Den Haag : CPB, 2010.
Bijzondere publicatie, nr. 88
Scenariostudie waarin de belangrijkste uitdagingen voor Nederland worden geschetst om een aantrekkelijke vestigingsplaats te blijven, met hoogwaardige productie en een flexibele arbeidsmarkt. In 2040 zijn sterke steden nodig voor de ontplooiing van kennis. De mobiliteit van mensen en bedrijven zal verder zijn toegenomen. Meer en meer zoeken talentvolle mensen elkaar op om ideeën uit te wisselen. Sterke steden zijn dus nodig om talentvolle mensen en bedrijven aan te trekken en vast te houden. Een goed opgeleide beroepsbevolking wordt nog meer bepalend voor economisch succes dan die nu al is. Door steden de ruimte te geven en mensen passend te scholen kan Nederland zich voorbereiden op de toekomst. De vraag hoe we in 2040 ons brood verdienen, heeft dan ook als antwoord: met goed opgeleide mensen in sterke steden. Om de onzekerheid over de omvang van steden en de taakverdeling tussen werknemers in beeld te brengen biedt deze studie vier mogelijke scenario's: Talent Towns; Cosmopolitan Centres; Egalitarian Ecologies; Metropolitan Markets; (B28895)
- SEO; Min. VROM; Risseeuw, P. A.; Dorenbos, R. , Afwegingskader regiospecifiek Rijksbeleid voor het wonen
Amsterdam : SEO, 2010.
SEO-rapport, nr. 2009-38
De woningmarkt in Nederland kampt met allerhande problemen: een nieuwbouwproductie die bij lange na de doelstellingen niet haalt, scheefheid in bewoning, prijzen die de schaarsteverhoudingen niet weerspiegelen en een mismatch tussen vraag en voorraad. De thans vigerende recessie versterkt de problemen, al was het alleen maar omdat de nieuwbouwproductie nog verder achterblijft. Er bestaan grote regionale verschillen binnen de Nederlandse woningmarkt. De problemen met krapte zijn het grootst in de grote steden, met name in Amsterdam en Utrecht. In andere gebieden, meest ver van de Randstad, is er sprake van een teruglopende bevolking en een dito dreiging van leegstand. Het woningmarktbeleid van overheidswege wordt deels gedecentraliseerd bepaald en uitgevoerd, door gemeenten, en deels gecentraliseerd, door het Rijk. Voor het rijksbeleid geldt dat het generiek gedefinieerd is: centrale regels die voor iedereen gelden. Men kan zich afvragen of regiospecifiek Rijksbeleid op de woningmarkt een antwoord kan bieden op regionaal verschillende problemen. Dit rapport presenteert een afwegingskader bij het beantwoorden van de vraag in hoeverre het regionaal differentiëren van het Rijksbeleid zinvol kan zijn. Daarbij komen definitiekwesties aan de orde: hoe dienen regio's afgepaald te worden? Hoe kunnen verschillen binnen en tussen regio's bepaald worden? Hoe te bepalen of verschillen groot genoeg zijn om gedifferentieerd beleid in te zetten? Wat voor maatregelen kunnen overwogen worden, die vraag en/of aan stimuleren of juist beperken? Hoe naar de impact van maatregelen binnen en tussen regio's te kijken? En hoe moet de afweging tussen de kosten en de baten van beleid gemaakt worden?
- Raad voor Verkeer en Waterstaat, Beter is sneller : een advies over ontwerpen en toetsen van de kwaliteit van leefomgeving én mobiliteit
Den Haag : Raad voor Verkeer en Waterstaat, 2009.
Het advies biedt handreikingen voor een integrale benadering van gebiedsontwikkeling, door zowel in de ontwerp - als de toetsfase niet alleen te kijken naar mobiliteit maar ook naar de kwaliteit van de leefomgeving. De RVW pleit ervoor dat overheden samenhangende opgaven op het gebied van bijvoorbeeld infrastructuur, woningbouw en natuur opvoeren als één gemeenschappelijke opgave. De kwaliteit van de leefomgeving kan dan volwaardig worden meegenomen. Omdat er bij deze samenhangende opgaven sprake is van meerdere probleemeigenaren adviseert de RVW voor een dergelijk traject een regieteam op te richten. Verder signaleert de RVW een onevenwichtige situatie in de financiële verhoudingen tussen de verschillende ministeries enerzijds en het Rijk en de lagere overheden anderzijds. Ministeries moeten alternatieve financieringsvormen die aansluiten bij de gemeenschappelijke doelstellingen. (B28798)
- Koster, H. R. A., The impact of mixed land-use : a hedonic analysis of the effects of mixed land-use on housing values
Amsterdam : Vrije Universiteit, 2010.
Scriptie over de kosten en baten van multifunctioneel grondgebruik: het mengen van diverse socio-economische functies (wonen, werken, recreatie) in een bepaald gebied, veelal buurten en wijken. Hij concentreert zich daarbij op de vraag in hoeverre functiemenging leidt tot baten voor huiseigenaren. Genomineerde SER-scriptieprijs 2010. (B28804)
- Planbureau voor de Leefomgeving, Quickscan energie en ruimte : raakvlakken tussen energiebeleid en ruimtelijke ordening
Den Haag : PBL, 2010.
Schets van de ruimtelijke knelpunten voor het halen van de energiedoelen in 2020, zoals beschreven in het beleidsprogramma 'Schoon en zuinig'. Daarnaast wordt ingegaan op de kansen die de ruimtelijke ordening biedt om deze doelstelling te halen. Het is belangrijk dat nationale, regionale en stedelijke ruimtelijke visies aansluiten op klimaat- en energiedoelen. (B28653)
- CDA, Wetenschappelijk Inst., Versterken en verbinden : een christendemocratische visie op het platteland
Den Haag : CDA, WI, 2010.
Wissels omzetten
Het rapport schetst allereerst een christendemocratische visie op het platteland. Vervolgens analyseert het de huidige leefsituatie op het platteland qua voorzieningenniveau, economische structuur, woon- en leefomgeving en sociale samenhang. Het behandelt hoe de leefbaarheid op het platteland vanuit een christendemocratische visie vergroot kan worden, en beschrijft de verdeling van de ruimte in het landelijk gebied en de ruimtelijke ontwikkelingen die plaatsvinden. Voorts beantwoordt het de vraag hoe we kunnen komen tot een duurzame inrichting van het landelijk gebied. Tot slot worden de verschillende lijnen in het rapport samengevat en volgen de aanbevelingen. In het rapport wordt gesteld dat om het platteland leefbaar te houden, de kracht van de samenleving meer benut zal moeten worden. Door aan te sluiten bij de gemeenschappen, maatwerk te bieden en de menselijke maat centraal te stellen kan de overheid ondersteuning bieden. Voor de leefbaarheid op het platteland is het nodig dat de nadruk komt te liggen op de kwaliteit in plaats van de kwantiteit en adequaat wordt ingespeeld op de demografische krimp. Een duurzame ontwikkeling van het landelijk gebied is nodig omwille van natuur, landschap, biodiversiteit en voedselzekerheid, maar ook om de rust en openheid te behouden voor mensen uit het landelijk gebied en uit de stad. De druk op de ruimte is groot. Een integrale benadering van de ruimte is nodig, daarin worden verbindingen gelegd tussen natuur, landbouw en samenleving. Dat biedt kansen voor multifunctioneel ruimtegebruik. (B28532)
- Köper, N., Woekeren met de ruimte : over de inrichting van Nederland
Amsterdam : Business Contact, 2010.
Woekeren met ruimte is een kritische beschrijving van hoe Nederland omgaat met de ruimtelijke inrichting van het land. Uit interviews met vele kopstukken uit politiek, bedrijfsleven, belangenorganisaties en wetenschap ontstaat een verhelderend en soms onthutsend beeld. In klare taal geeft Köper een kijkje in de keuken van de moeizame besluitvorming, de machtsspelletjes en de belangentegenstellingen. (B28421)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Hilbers, H.; Coevering, P. van de; Hoorn, A. van, Openbaar vervoer, ruimtelijke structuur en flankerend beleid: de effecten van beleidsstrategieën
Den Haag : Planbureau voor de Leefomgeving, 2009.
Beleidsstudies
De onderzoeksvraag luidt: wat zijn de keuzemogelijkheden ten aanzien van beleidsopties (op openbaar toegespitst ruimtelijk beleid, verbetering openbaarvervoeraanbod en afgestemd flankerend beleid), welke bijdragen kunnen deze leveren aan de doelen van bereikbaarheid en leefbaarheid, en in hoeverre kunnen deze elkaar versterken? Toegespitst op de Randstad en op de middellange termijn tot 2020. (B28112)
- Min. VROM; Blank, H.; Boheemen, Y. van; Bouw, M.; [et al.], Ontwerpen aan Randstad 2040 = Designing Randstad 2040
Rotterdam : Q10, 2009.
Design and politics, nr. 2
In dit deel van de serie Design and politics staat het ontwerpen aan de Randstad centraal. In het voorjaar van 2008 verkenden stedenbouwkundigen, architecten en landschapsarchitecten onder leiding van Yttje Feddes, Matthijs Bouw, Hilde Blank en Jan Brouwer ter voorbereiding van de Structuurvisie Randstad 2040 de mogelijke ruimtelijke inrichting van de West-Nederlandse regio. Schetsend en ontwerpend, discussiërend en experimenterend zochten zij naar alternatieve scenario’s waarin de Randstad functioneert als een duurzame Europese topregio. Het in dit boek beschreven en geïllustreerde ontwerpproces leidde tot drie spraakmakende perspectieven voor de Randstad van de toekomst: Wereldstad, Kuststad en Buitenstad. Over specialistische clusters rond Amsterdam, een gemengd stedelijk veld aan zee en gespreide woon- en werkmilieus op de flanken. (B28085)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Kuiper, R.; Bouwman, A. A., Trendkaart Nederland 2040 : achtergrondrapport bij het project 'Nederland Later'
Bilthoven : PBL, 2009.
Achtergrondstudies
Niemand kan in de toekomst kijken. Wat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) wel kan, is kijken naar trends in ruimtelijke ontwikkelingen en een inschatting maken van de effectiviteit van het ruimtelijk beleid. Op basis daarvan heeft het PBL de Trendkaart Nederland 2040 opgesteld. Dit kaartbeeld laat voor heel Nederland een mogelijk ruimtegebruik in 2040 zien. De kaart is reeds eerder gepubliceerd in de tweede duurzaamheidsverkenning Nederland Later. Dit rapport bevat de achtergronden. Het beschrijft welke ruimteclaims zijn gebruikt, en welke uitgangspunten zijn gehanteerd om te bepalen of ruimtelijke ontwikkelingen in bepaalde gebieden wel of niet kunnen plaatsvinden. (B28075)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Buitelaar, E.; Sorel, N., Ex-durante evaluatie Wro : evaluatieontwerp en nulmeting
Den Haag : PBL, 2009.
Achtergrondstudies
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voert, op verzoek van de minister van VROM, een evaluatieonderzoek uit naar de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro), die 1 juli 2008 in werking trad. Het gaat hier om een zogenaamde 'ex-durante evaluatie', dat wil zeggen een evaluatie ten tijde van het gebruik van de wet. Deze achtergrondstudie schets het ontwerp voor de evaluatie en presenteert de uitgevoerde nulmeting. De evaluatie zelf volgt in een aantal vervolgstudies. Het onderzoek dat het PBL uitvoert is een evaluatie van het planningsstelsel en niet van de inhoud van het ruimtelijk beleid. (B28054)
- VROM-raad, Publieke ruimte : naar een nieuwe balans tussen beeld, belang en beheer
Den Haag : VROM-raad, 2009.
Advies, nr. 073
De kwaliteit van de publieke ruimte staat onder druk: binnensteden vercommercialiseren, naoorlogse wijken voldoen niet meer aan de diversiteit aan gebruikerswensen, in stadsrandzones leidt de komst van nieuwe publieksfuncties tot onduidelijkheid over de identiteit van het gebied en in het landelijk gebied botsen belangen van grootschalige agrarische industrie met wensen van recreanten. Om de kwaliteit van de publieke ruimte op peil te houden moeten Rijk, gemeenten, corporaties en private partijen een actieve strategie voeren. Juist in een tijd waarin sprake is van een teruglopende waarde van het vastgoed, levert investeren in de publieke ruimte een bijdrage aan de instandhouding van de kwaliteit van steden en landschap. (B27929)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Ritsema van Eck, J.; Amsterdam, H. van; Schuit, J. van der, Ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied : dynamiek stedelijke milieus 2000-2006
Den Haag : PBL, 2009.
Onderzoek op verzoek van het ministerie van VROM naar de dynamiek van de verstedelijking tussen 2000 en 2006. Daarvoor worden ontwikkelingen in stedelijke milieus geanalyseerd: gebieden met typische combinaties van fysiekruimtelijke kenmerken, zoals een bepaalde categorie van bodemgebruik in combinatie met bepaalde dichtheden van woningen, banen en winkels. Aan de hand van de uitkomsten van deze analyses worden de volgende vragen beantwoord: Wat waren in de periode 2000-2006 de ontwikkelingen in stedelijk ruimtebeslag, stedelijke transformatie, dichtheid, functiemenging en diversiteit van stedelijke milieus?; In hoeverre hangen de stedelijke milieus samen met kenmerken van de ruimtelijke structuur op hoger ruimtelijk schaalniveau?; Hoe kunnen de stedelijke ontwikkelingen worden getypeerd?; Sluiten ze aan op bestaande inzichten en op het beleid? Uit het onderzoek komt naar voren dat de stedelijke ontwikkelingen tussen 2000 en 2006 grotendeels in lijn zijn met de doelstellingen van het ruimtelijk beleid: bundeling en verdichting van voortgaande verstedelijking. Veel ontwikkelingen deden zich voor aan de stadsranden: de dichtheid van de bebouwing is hier relatief sterk toegenomen; hetzelfde geldt voor typische stadsrandmilieus, zoals kantorenparken, meubelboulevards en bedrijfsterreinen. De stadsrand heeft dan ook in veel opzichten aan belang gewonnen, ten koste van het stadscentrum. (B27908)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Evers, D.; Tennekes, J.; Borsboom, J.; Heiligenberg, H. van; Thissen, M., A territorial impact assessment of territorial cohesion for the Netherlands
Den Haag : PBL, 2009.
Policy studies
Rapport over de mogelijke invloed van de nieuwe Europese Commissie met betrekking tot territoriale cohesie op Nederland. Er zijn een aantal interpretaties gevonden met daaraan verbonden problemen. Cohesie wordt hier onderscheiden op territoriaal-, sociaal-economisch-, concurrentie-, landbouw, ruimtelijk- en beleidsgebied. Met beschouwingen en conclusies. (B27744)
- Bouterse, P. J.; Kamps, T.; Meulen, R. J. van der, Inleiding ruimtelijke ordening en wonen
Alphen a/d Rijn : Kluwer, 2008.
Bijdrage aan het verkrijgen van een goed inzicht in de betekenis van ruimtelijke ordening en wonen. Deze twee centrale begrippen worden naar inhoud en reikwijdte grondig verkend. Met verder aandacht voor planologische instrumenten, mogelijkheden en ontwikkelingen, procedures, handhaving en rechtsbescherming. 10e dr. (B27431)
- VROM-raad, Wisselende coalities : naar een effectief regionaal ruimtelijk beleid
Den Haag : VROM-raad, 2008.
Advies, nr. 68
In dit advies constateert de VROM-raad dat er belangrijke regionale ruimtelijke opgaven in Nederland voorliggen. De raad verkent de lijn van regionale samenwerking als manier waarop deze opgaven aangepakt kunnen worden. Op dit moment overwoekeren abstracte discussies over regionale bestuurlijke structuren en bevoegdheden een effectieve aanpak van ruimtelijke opgaven. (B27348)
- Planbureau voor de Leefomgeving; [et al.], Ruimte in cijfers 2008
Den Haag : PBL, 2008. 176 p.
In het rapport geeft het Planbureau voor de Leefomgeving aan de hand van acht thema’s (ruimte, bevolking, wonen, werken, landbouw, natuur, vrije tijd en mobiliteit) inzicht in de ruimtelijke neerslag van belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen, geïllustreerd met een groot aantal kaarten, grafieken en tabellen. (B27306)
- Driessen, P. P. J.; Pater, F. de; Spit, T. J. M., Klimaatverandering en ruimtelijke ordening : verkenning van onderzoekthema's
Wageningen : UR, 2008.
Klimaat voor ruimte, rapport nr. 008/2008
Verslag van een oploopdebat voor planologen, bestuurskundigen en juristen over het vraagstuk van klimaatverandering en ruimtelijke ordening. (B27153)
- Planbureau voor de Leefomgeving; Ruimtelijk Planbureau; Milieu en Natuurplanbureau, Planmonitor Nota Ruimte : de mogelijkheden op een rij
Bilthoven : Planbureau voor de Leefomgeving, 2008.
Rapportnr. 500073003
De rijksoverheid wil het liefst al in de planfase weten welke effecten bouwprojecten hebben op de doelen van haar ruimtelijk beleid. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft onderzocht wat de mogelijkheden zijn om de effecten van bouwplannen systematisch te monitoren. Het onderzoek naar de mogelijkheden van een dergelijke Planmonitor laat zien dat dit vooral mogelijk is voor doelen die direct gebonden zijn aan ruimtelijke patronen, zoals bundeling, verstedelijking en migratie in nationale landschappen. Voor een goede bruikbaarheid van de Planmonitor is een verbetering van de bestaande inventarisaties van plannen wenselijk. (B27000)
- Ruimtelijk Planbureau; Verwest, F.[et al.]., Regionale krimp en woningbouw : omgaan met een transformatieopgave
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2008. 147 p.
In de studie wordt onderzocht hoe overheden in krimpregio's in hun woningbouwbeleid reageren op de veranderde woningvraag, welke obstakels ze bij de uitvoering van hun krimpbeleid tegenkomen en welke aanpassingen nodig zijn om deze te verhelpen. Het Ruimtelijk Planbureau is van mening dat In regio's waar het aantal huishoudens daalt, zoals Noord-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg, gemeenten de krimpopgave gezamenlijk moeten oppakken. Stemmen zij hun bouw-, sloop- en herstructureringsprogramma niet onderling af, dan kan dit de problemen die samengaan met krimp verergeren. Extra woningbouw op de ene plek kan in krimpregio's immers leiden tot extra krimp, en leegstand, elders in de regio. De provincie kan bij deze regionale afstemming een belangrijke coördinerende rol spelen. (B26961)
- Ruimtelijk Planburau; Ritsema van Eck, J.; Farjon, H.; Milieu- en Natuurplanbureau, Monitor Nota Ruimte : de eerste vervolgmeting
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2008. 123 p.
In de Monitor Nota Ruimte worden de feitelijke ruimtelijke ontwikkelingen beschreven in relatie tot de in de Nota Ruimte omschreven doelstellingen voor het ruimtelijk beleid. In deze rapportage worden de ruimtelijke ontwikkelingen tussen 2000 en 2006 beschreven en waar mogelijk de situatie op 1 januari 2006. Uit de monitor blijkt dat concentratie van verstedelijking en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, beide doelen van de Nota Ruimte, op gespannen voet staan met elkaar. Door nieuwbouw binnen of dichtbij de bestaande steden wordt het moeilijker de stedelijke luchtkwaliteit verder te verbeteren of te zorgen voor voldoende groen in de omgeving. (B26875)
- Ruimtelijk Planbureau; Wouden, R. van der; Kuiper, R.; [et al.], Ex antetoets startnotitie Randstad 2040
Den Haag : RPB, 2008. 24 p.
Ex antetoets ten behoeve van de 'integrale langetermijn visie Randstad 2040' die het kabinet zal opstellen. De planbureaus constateren dat bij het opstellen van een langetermijnvisie voor de Randstad het kabinet nadrukkelijk rekening dient te houden met onzekerheden over toekomstige ontwikkelingen. Bij de stedelijke opgaven (wonen, werken, infrastructuur) is deze onzekerheid veel groter dan bij opgaven op het terrein van natuur en water. Bij het opstellen van een langetermijnvisie voor de Randstad dient het kabinet nadrukkelijk rekening te houden met onzekerheden over toekomstige ontwikkelingen. Bij de stedelijke opgaven (wonen, werken, infrastructuur) is deze onzekerheid veel groter dan bij opgaven op het terrein van natuur en water. Deze laatste, meer robuuste, opgaven zouden nu al kunnen worden aangevat, met 'no regret'-maatregelen die effect hebben op de lange termijn. In het geval van de stedelijke opgaven is het zaak een flexibele planning te maken, waarbij nu al ruimte wordt gereserveerd terwijl de maatregelen pas volgen op het moment dat een bepaalde ontwikkeling zich ook daadwerkelijk gaat voordoen. Bij het opstellen van een langetermijnvisie voor de Randstad dient het kabinet nadrukkelijk rekening te houden met onzekerheden over toekomstige ontwikkelingen. Bij de stedelijke opgaven (wonen, werken, infrastructuur) is deze onzekerheid veel groter dan bij opgaven op het terrein van natuur en water. Deze laatste, meer robuuste, opgaven zouden nu al kunnen worden aangevat, met 'no regret'-maatregelen die effect hebben op de lange termijn. In het geval van de stedelijke opgaven is het zaak een flexibele planning te maken, waarbij nu al ruimte wordt gereserveerd terwijl de maatregelen pas volgen op het moment dat een bepaalde ontwikkeling zich ook daadwerkelijk gaat voordoen. (B26874)
- Ruimtelijk Planbureau; Tennekes, J.; Hornis, W., Ruimtelijke-effectanalyses van EU-beleid : een leidraad
Den Haag : RPB, 2008.
Beleidsadviezen, nr. 08
Om beter inzicht te krijgen in de ruimtelijke effecten van het EU-beleid, heeft de minister van VROM het RPB gevraagd een methodiek te ontwikkelen die kan helpen in te schatten wat de ruimtelijke effecten zijn van voorstellen en besluiten van de Europese Commissie. Deze regelgeving kan een belangrijke invloed hebben op de ruimtelijke ordening van ons land, maar de overheid houdt hiermee nog steeds te weinig rekening. Regelmatig blijkt dat Nederlandse projecten worden belemmerd door Europese regelgeving: een bouwproject dat moet worden stopgezet omdat een bijzondere diersoort zijn habitat op de bouwlocatie blijkt te hebben, of een wegverbreding die wordt geblokkeerd omdat de lucht daardoor te veel wordt vervuild. Met deze publicatie biedt het RPB een leidraad voor een dergelijke ruimtelijke-effectanalyse. (B26785)
- NEPROM, Investeren in ruimtelijke kwaliteit
Voorburg : NEPROM, 2007.
De Initiatiefgroep werkt haar signaal uit (voornemens van kabinet en politiek zijn ontoereikend om ambities waar te maken) en geeft een indicatie van de noodzakelijke publieke investeringen in woningbouwgerelateerde gebiedsontwikkeling op korte en middellange termijn (tot 2020). (B26734)
- Ruimtelijk Planbureau; Buitelaar, E.; Segeren, A.; Kronberger, P., Stedelijk transformatie en grondeigendom
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2008.
De opgave om steeds meer woningen te bouwen binnen de stad en de stedelijke transformatie die daarmee gepaard gaat, is complex. Het realiseren van de transformatieopgave ligt voor een groot deel in handen van gemeenten en ontwikkelaars. Die lopen daarbij tegen een belangrijk obstakel aan: het in de steden sterk versnipperde grondeigendom en de hoge grondprijzen leiden tot aanzienlijke vertraging van of hoge (verwervings)kosten voor het plan. Het is daarom van groot belang dat gemeenten in hun plannen meer rekening houden met de complexe verwervingsmogelijkheden van de grond. Met deze studie verschaft het RPB inzicht in de wijze waarop de voortgang en het eindresultaat van stedelijke transformatie voor woningbouw wordt beïnvloed door grondeigendom, en de wijze waarop hiermee wordt omgegaan. (B26763)
- Ruimtelijk Planbureau, De staat van de ruimte 2007 : Nederland zien veranderen
Den Haag : NAi Uitgevers, 2007.
Aanleiding voor deze publicatie, die het RPB periodiek uitbrengt, zijn de heftige discussies over de verrommeling van ons land die het veranderende beeld van Nederland oproept: de dozenstroop langs de snelwegen, de stedenwolken in de Randstad, de eindeloze kassencomplexen in het landschap. Inmiddels is het streven naar een 'Mooi Nederland' een van de belangrijke pijlers van het beleid van minister Cramer van VROM. Vanwege dit actuele debat staat 'De staat van de ruimte' ditmaal in het teken van het zien veranderen van Nederland. De onderzoekers doen dit aan de hand van zeven ideaalbeelden voor de ruimte die in het beleid dominant zijn: de heldere scheiding tussen stad en land, de binnenstad is het hart van de stad, gemengde buurten, stedelijke uitbreiding als 'maquette', wegen als symbool van ruimte en vrijheid, het idyllische platteland en ongerepte natuur. Zie ook bijbehorende essaybundel B 26283 Kijkend naar Nederland (B26282)
- Ruimtelijk Planbureau; Derksen, W.; Peters, P.; Hamers, D.; [et al.], Kijkend naar Nederland
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2007.
Achtergronden, nr. 02
Essaybundel over het kijken naar en zien van Nederland, en die veranderingen in die beelden. De essays handelen over verstedelijkte regio's, landschap, stedelijkevernieuwingspolitiek, woningcorporaties en volkshuisvesting. De bundel is uitgegeven als achtergronddocument bij het RPB rapport 'De staat van de ruimte 2007'. Het achtergronddocument bevat de volgende essays: Hoe Roden van de kaart verdween; Stadsgezichten; De historisering van het landschap; Landschap, ons themaparkt; Kruidvatwijken; In mijn beleving. (B26283)
- CPB; Rouwendal, J.; Straaten, W. van, The costs and benefits of providing open space in cities
Den Haag : CPB, 2008.
CPB discussion paper, nr. 98
Met het huidige ruimtelijke-ordeningsbeleid wordt de kwaliteit van de leefomgeving beschermd zonder dat hierbij een expliciete kosten-batenafweging plaatsvindt. In dit rapport worden de kosten van de hoeveelheid openbaar groen (parken en plantsoenen) in de steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag geanalyseerd aan de hand van de woningprijzen. De conclusies, met betrekking tot de optimale hoeveelheid parken en plantsoenen, verschillen tussen de steden. Nader onderzoek laat zien dat de betalingsbereidheid voor parken en plantsoenen stijgt met een stijgend inkomen. Deze stijging van de vraag naar openbaar groen is echter lager dan de stijging van de vraag naar woonoppervlakte bij een toename van het inkomen. Tevens blijkt uit het onderzoek dat het hebben van een tuin leidt tot een stijging van de vraag naar stedelijk groen. Dit betekent dat openbaar en privé groen complementaire goederen zijn. (B26565)
- Ruimtelijk Planbureau; Derksen, W., Ruimte voor debat
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2008.
30 Januari 2008 nam Wim Derksen afscheid als directeur van het Ruimtelijk Planbureau (RPB). In de zes jaar dat hij directeur was van het RPB schreef Wim Derksen vele columns, opiniestukken en andere artikelen, met als doel het stimuleren van het publieke debat over de ruimtelijke ontwikkeling. In deze bundel presenteert hij een persoonlijke selectie van die stukken. De bijdragen zijn gerangschikt in elf thema's: Ruimtelijk beleid; In een complexe werkelijkheid (o.a. over brainports, de Randstad, en files); En de ruimte verandert steeds; En steeds weer nieuwe vragen (o.a. over de toekomst van de landbouw, de bevolkingskrimp); De bestuurlijke werkelijkheid geeft weinig houvast (o.a, over grondmarkt); En de burgers willen vaak wat anders; Anders doen en meer willen; Intussen proberen onderzoekers dienstbaar te zijn; Stedenbouw is weer een ander verhaal; Nederland zien veranderen; Houden van. (B26561)
- Ruimtelijk Planbureau; Gordijn, H.; Renes, G.; Traa, M., Naar een optimaler ruimtegebruik door bedrijventerreinen : een verkenning van enkele beleidsopties
Den Haag : RPB, 2007.
Beleidsadviezen, nr. 05
Bedrijventerreinen ondervinden in toenemende mate weerstand bij het publiek en in de politiek. Nader onderzoek naar de mogelijkheden om de vraag naar ruimte voor bedrijventerreinen te beïnvloeden. Uit deze verkenning blijkt dat de SER-ladder het areaal nieuwe, nog aan te wijzen, locaties voor bedrijventerreinen kan beperken. Om een substantiëlere ruimtewinst te behalen zullen echter andere beleidsopties moeten worden ingezet. De effecten van deze opties worden in deze publicatie verkend. (B26379)
- Ruimtelijk Planbureau; Hornis. W.; Ritsema van Eck, J., Het nieuwe ommeland : veranderingen in stad-landrelaties
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2007.
Van oudsher is het ommeland het land om de stad heen; het gebied binnen een stedelijke invloedsfeer dat van oudsher ondergeschikt is aan die stad. De afgelopen decennia zijn de verhoudingen aanzienlijk veranderd. Is er sprake van deconcentratie of van concentratie van functies? (B26203)
- Milieu- en Natuur Planbureau, Belevingswaardenmonitor Nota ruimte 2006 : nulmeting landschap en groen in en om de stad
Bilthoven : MNP, 2007.
MNp-publicatienr. 500073001
De nulmeting van de Belevingswaardenmonitor Nota Ruimte beschrijft hoe aantrekkelijk Nederlanders het landschap in het buitengebied vinden en hoe tevreden stedelingen zijn over het groen in en om hun stad. (B26142)
- Ruimtelijk Planbureau; Hilbers, H.; Snellen, D.; Hendriks, A., Files en de ruimtelijke inrichting van Nederland
Rotterdam : NAi, 2006.
In deze studie vragen de auteurs zich af of het ruimtelijk beleid een bijdrage kan leveren aan het terugdringen van files. Wat is de invloed van ruimtelijke inrichtingen op vervoersstromen? Wat betekenen bundeling en spreiding van woon- en werklocaties voor het gebruik van zwaarbelaste wegen? De meeste aandacht in deze studie gaat naar het Vinex-beleid. Heeft dit beleid dat automobiliteit moest beperken, nu files voorkomen of juist gecreëerd? (B26045)
- Ruimtelijk Planbureau; Raspe, O.; Oort, F. van, Ruimtelijk-economisch beleid in de kenniseconomie
Den Haag : RPD, 2007.
Het ruimtelijk-economisch beleid van het Rijk zet in op het versterken van de sterke regio’s, de ‘pieken in de delta’. In deze studie zet het RPB vraagtekens bij dit regiospecifiek beleid van de rijksoverheid, vooral als het gaat om kennis en innovatie. De rijksoverheid kan zich beter bepalen tot een generiek beleid en de concurrentie tussen de regio’s overlaten aan de decentrale overheden. Uiteindelijk is het de markt die moet bepalen welke bedrijven en welke regio’s het meest succesvol zijn. (B26024)
- Milieu- en Natuuplanbureau, Nederland later : tweede duurzaamheidsverkenning : deel Fysieke leefomgeving Nederland
Bilthoven : MNP, 2007.
Eerste deel van de tweede Duurzaamheidsverkenning die het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) uitbrengt. Hierin wordt een eerste voorstel gedaan voor de zo gunstig mogelijke benutting van de beschikbare ruimte voor de komende decennia, om daarmee een duurzaam Nederland op de kaart te zetten. De berekeningen zijn gemaakt voor zowel een lagere (17,2 miljoen inwoners) als voor hogere groei (19,8 miljoen inwoners). Uit de studie blijkt dat ruimtelijke ordening van wonen en werken een belangrijke bijdrage kan leveren aan de bereikbaarheid over de weg en via OV en op langere termijn minder investeringen in infrastructuur nodig maakt. Ook blijkt dat internationale verplichtingen met betrekking tot natuur goed gecombineerd kunnen worden met de problematiek van het opkomende water. Bij hogere bevolkingsgroei tekent zich een grotere Randstadring af als de meest gunstige ruimtelijke inrichting gegeven de vele functies die op de kaart gezet moeten worden. De (bestuurlijke) keuzes moeten gemaakt worden op het schaalniveau waarop de problemen fysiek spelen. Voor de meest gunstige combinatie van wonen, en werken (bedrijfsterreinen) natuur en landschap is dit het provinciale of het rijksniveau. (B25963)
- Ruimtelijk Planbureau; Milieu en Natuurplanbureau; [et al.], De ruimtelijke vraagstukken van de toekomst voor de beleidsagenda van nu,
Den Haag : RPB, 2007.
Verkenning van de ruimtelijke vraagstukken die zich tussen 2020 en 2040 zullen voordoen en waarvan de effecten en/of de oorzaken kunnen worden beïnvloed door het ruimtelijke beleid. Hiertoe bieden RPB en MNP een korte inventarisatie van de trends en vraagstukken op ruimtelijk gebied die zich op lange termijn zullen aandienen en al in de huidige kabinetsperiode aandacht verdienen. Hierbij is steeds uitgegaan van een voortzetting op hoofdlijnen van het huidige beleid. In het rapport wordt geconcludeerd dat de druk op de ruimte in Nederland de komende decennia verder zal toenemen. Met name in de Randstad is dit het geval, als gevolg van een stijgende woningvraag, toenemende automobiliteit en luchtvaart en meer behoefte aan recreatie. In de groene randen om de stad zal die druk het meest zichtbaar worden. Op de langere termijn kan deze verstedelijkingsdruk in de Randstad bovendien gaan botsen met de toenemende druk van het water in laag Nederland, die ook steeds meer ruimtelijke maatregelen vraagt. (B25863)
- Min. LNV; Braaksma, P. J.; Bos, A. E., Investeren in het Nederlandse landschap : opbrengst: geluk en euro's
Den haag : Min. LNV, 2007.
Investeren in een mooi landschap is lonend, zowel voor het geluk van mensen als voor de nationale welvaart. Financieel gezien levert investeren in een mooi landschap de Nederlandse maatschappij ruim 17,8 miljard euro op. Dat zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoeksrapport "Investeren in het Nederlandse landschap. Opbrengst: geluk en euro's". Het onderzoeksrapport bestaat uit twee delen: een kwalitatief en een kwantitatief deel. De kwalitatieve analyse gaat in op niet direct in geld uit te drukken baten, zoals het welzijn en het geluk van mensen. Landschap zorgt voor een hoogwaardige woonomgeving voor mensen en een gunstig vestigingsklimaat voor bedrijven. Het tweede deel is een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse. Deze kwantitatieve doorrekening toont aan dat het ook voor de welvaart in Nederland bijzonder positief is om te investeren in landschap. (B25820)
- Boer, S. de; [et al.], Bestuurlijke variëteit in natuur- en landschapsbeleid
Wageningen : UR, 2007.
WOT studies, nr. 4
Hoe wordt natuurbeleid in Nederland uitgevoerd, wie doet dat en wie zijn erbij betrokken? Inzicht in heel diverse manieren waarop Nederlands natuur- en landschapsbeleid vorm krijgt en wordt uitgevoerd. De variëteit wordt in beeld gebracht op basis van drie casestudies op regionaal niveau. (B25766)
- Ned. Inst. voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting; [ et al.], Expedities in mobiliteitsgerichte gebiedsontwikkeling : lessen uit vernieuwende projecten van ruimtelijke ontwikkeling op en rond infrastructuur
Den Haag : NIROV, 2007.
Output, nr. 9
De slechte verkeersontsluiting van veel Vinex-locaties toont aan dat een goede verknoping van de infrastructuur met een nieuwe wijk of kantoorlocatie een complexe opgave is. In deze Output wordt een aantal projecten beschreven waar mobiliteiteitsgerichte gebiedsontwikkeling met succes is toegepast. Aan bod komen onder andere W4 Leiderdorp, de Zuidas, de N201 Aalsmeer en de Eindhovense A2-zone en Flightforum. Het zijn enkele van de weinige voorbeelden waarin overheden en bedrijven erin zijn geslaagd de meerwaarde te benutten van een goede samenhang van de ontwikkeling van het vervoerssysteem (wegen en OV) met de ontwikkeling van stad of dorp. Deze voorbeelden laten zien dat mobiliteitsgerichte gebiedsontwikkeling de nieuwe praktijk moet worden voor de ontwikkeling van steden en regio’s. (B25758)
- Spit, T.; Zoete, P., Ruimtelijke ordening in Nederland : een wetenschappelijke introductie in het vakgebied
Den Haag : SDU, 2006.
Reeks Planologie
Introductie in de ruimtelijke ordening en planologie in Nederland. In het boek wordt niet alleen in gegaan op recent ontwikkeld beleid. Ook de oudere nota's op het gebied van RO komen aan bod. (B25428)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], Atlas Europa : planet, people, profit, politics
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2006.
Deze atlas biedt daarom een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke onderwerpen die zich op Europees niveau afspelen. Deze onderwerpen zijn in de atlas onderverdeeld in een aantal thema's onder de noemers People, Planet, Profit, ofwel de mensen, het milieu en de economie. In deze atlas wordt daaraan een vierde toegevoegd: Politics. Wat is het beleid van de Europese Unie op al deze terreinen? Wat is de rol van de Europese Unie ten aanzien van het nationale beleid van haar lidstaten? Elk thema begint met de positionering van Europa in de wereld, waarna het betreffende thema wordt beschreven aan de hand van (historische) data, figuren en kaarten. In het thema Planet komen achtereenvolgens aan de orde: landgebruik en zeeën; natuur en landschap; milieuvervuiling; water; en klimaatverandering. Bij het thema People wordt ingegaan op: demografie; (im)migratie; minderheden; steden; en toerisme. Het thema Profit gaat vervolgens in op: welvaart en groei; de 'oude' economie; de 'nieuwe'economie; infrastructuur en transport; energie. Het thema Politics beschrijft de volgende onderwerpen: Europese samenwerking; het landbouwbeleid; het regio- en transportbeleid; het natuur- en milieubeleid; de Lissabonstrategie; en ruimtelijke concepten . (B25416)
- Ruimtelijk Planbureau, Krimp en ruimte : bevolkingsafname, ruimtelijke gevolgen en beleid
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2006.
In de studie is onderzocht in welke mate ruimtelijke ontwikkelingen worden bepaald door demografische ontwikkelingen. In de nabije toekomst zullen steeds meer regio’s en gemeenten te maken krijgen met teruglopende aantallen inwoners en huishoudens. In tegenstelling tot wat soms wordt gedacht, heeft deze afname slechts een beperkte invloed op ruimtelijke ontwikkelingen. Enerzijds is bevolkingskrimp niet de oorzaak van tal van problemen, zoals een teruglopend voorzieningenniveau. Anderzijds is bevolkingskrimp ook geen oplossing voor ruimtelijke problemen als files of milieuvervuiling. Het zijn andere factoren, zoals de ontwikkeling van de welvaart en veranderingen in het gedrag van burgers en bedrijven, die een veel grotere invloed hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. (B25373)
- CPB; [et al.], Welvaart en leefomgeving : een scenariostudie voor Nederland in 2040
Den Haag : CPB, 2006.
Studie van drie planbureaus: het Centraal Planbureau (CPB), het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) en het Ruimtelijk Planbureau (RPB). In deze studie verkennen zij de toekomst van de fysieke omgeving: hoe zal als gevolg van internationale, demografische, economische en politieke ontwikkelingen de omgeving waarin Nederlanders leven in de toekomst gaan veranderen? In vier nieuwe langetermijnscenario’s worden samenhangende toekomstbeelden geschetst op het gebied van wonen, werken, mobiliteit, energie, landbouw, milieu, natuur, recreatie en waterveiligheid. Bovendien wordt aangegeven wat deze scenario’s kunnen betekenen voor de vier grote steden en voor het landelijk gebied. In het rapport wordt geconcludeerd dat de nu nog toenemende druk op de fysieke leefomgeving na 2020 naar verwachting afvlakt. Dit komt met name doordat de bevolking dan minder snel zal groeien. Hierdoor neemt de extra ruimtevraag voor wonen, werken en mobiliteit af. Zo stijgt de vraag naar ruimte voor bedrijventerreinen tot 2020 weliswaar nog met zo'n 10 tot 35 procent, maar na 2020 zal de uitbreidingsvraag naar verwachting wegvallen. Een aantal knelpunten zal na 2020 juist urgenter worden. Zo zullen in bepaalde wijken, vooral in de grote steden, de sociale en leefbaarheidsproblemen de komende decennia naar verwachting toenemen. De kwalitatieve eisen die aan de leefomgeving worden gesteld, blijven veranderen. Zo zijn de ontwikkeling van migratie, individualisering, vergrijzing en voortgaande inkomensgroei sterk bepalend voor de gewenste woningvoorraad. Bij een geringe bevolkingsgroei is leegstand van woningen in bepaalde wijken te verwachten. Het beleid zal zich daarom meer moeten richten op herstructurering en op de kwaliteit van die woningen. Ook de groene functies veranderen. De ruimtelijke inrichting is van grote invloed op de kwaliteit van natuur en landschap. (B25200)
- CPB; Milieu- en Natuurplanbureau; Ruimtelijk Planbureau, Welvaart en leefomgeving : een scenariostudie voor Nederland in 2040 : achtergronddocument
Den Haag : CPB, 2006.
Achtergronddocument bij de studie 'Welvaart en leefomgeving'. In het achtergronddocument wordt dieper ingegaan op de thema's: regionale ontwikkelingen, bevolking en werkgelegenheid; wonen; werken; mobiliteit; landbouw; energie; milieu; natuur; recreatie; waterveiligheid en wateroverlast; grote steden. (B25201)
- CPB; Verrips, A., Beoordeling projecten ruimtelijke economie, innovatie en onderwijs : analyse ten behoeve van de FES-meevaller 2006
Den Haag : CPB, 2006.
CPB document, nr. 130
Naar aanleiding van een FES-meevaller van 1 mld euro voor 2006 is het CPB gevraagd verschillende projecten te toetsen. De Interdepartementale Commissie Ruimtelijke Economie, ICRE, heeft het CPB gevraagd 17 projecten te toetsen op het gebied van ruimtelijke economie. De CWTI, de Commissie voor Wetenschaps-, Technologie en Innovatiebeleid, heeft dit verzoek gedaan voor 16 projecten binnen het domein van kennis en innovatie, terwijl het Kabinet het CPB heeft verzocht 10 projecten te toetsen op het terrein van onderwijs. Deze publicatie bevat een globale toetsing van de 43 projecten in de uiteenlopende domeinen. Uitgangspunt voor een beoordeling vormt de vraag of een project naar verwachting bijdraagt aan de maatschappelijke welvaart. (B25169)
- Ruimtelijk Planbureau; Milieu- en Natuurplanbureau; [et al.], Monitor nota ruimte : de opgave in beeld
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2006.
Studie verricht in opdracht van de minister van VROM. Om zicht te kunnen houden op de doelbereiking van het beleid zoals geformuleerd in de Nota Ruimte (2004), heeft minister Dekker het RPB en het MNP gevraagd de feitelijke ruimtelijke ontwikkelingen te monitoren. De monitor bevat informatie op grond waarvan het beleid kan worden bijgesteld. Het is daarmee nadrukkelijk geen beleidsevaluatie in de zin dat hij de uitvoering, doorwerking en effectiviteit van het beleid van de Nota Ruimte analyseert. In deze eerste rapportage - de nulmeting - worden de relevante ruimtelijke ontwikkelingen beschreven voor de periode voorafgaand aan de vaststelling van de nota, dat wil zeggen tot 2004. Zo ontstaat een beeld van de opgave waar het ruimtelijk beleid voor staat. In de monitor wordt geconcludeerd dat om de doelstellingen van de nota Ruimte te realiseren, de ontwikkelingen van de afgelopen jaren op tal van gebieden moeten worden bijgestuurd. Zo gaat de verstedelijking ten koste van de groene ruimte, de kwetsbaarheid voor overstromingen en wateroverlast neemt toe en de diversiteit van stedelijke centra neemt af. (B24991)
- Martens, M., Adaptive cities in Europe : interrelationships between urban structure, mobility and regional planning strategies : proefschrift Universiteit van Amsterdam
Z.P. : M. Martens, 2006.
Het onderzoek brengt de spreiding van de werkgelegenheid in verschillende Europese steden in kaart, analyseert de relatie met de lokale mobiliteitspatronen en ontrafelt de rol van regionaal-ruimtelijk mobiliteitsbeleid. Planologen in Nederland hebben massaal afscheid genomen van het zogeheten compacte-stadbeleid en hebben de netwerkstad - of beter nog het stedelijk netwerk - omarmd. Het ontwikkelen van nieuwe centra met stedelijke allure is het devies. Maar is dit terecht? Door stedelijke structuren, de mobiliteit en het ruimtelijk beleid in een groot aantal West-Europese steden te vergelijken onderzocht Merijn Martens de ervaringen met beide ruimtelijke beleidsstrategieën. Het blijkt dat de vraag naar de beste beleidsstrategie afhankelijk is van het stedelijke groeiproces. In plaats van te vragen naar de beste beleidsstrategie zouden stedelijke overheden zich moeten afvragen op welk moment in het stedelijke groeiproces het opportuun is om naast de verdere verdichting van de binnenstad ook nieuwe stedelijke centra te ontwikkelen. Uit de stedenvergelijking blijkt dat het omslagpunt ligt bij een stadsgrootte van één tot anderhalf miljoen inwoners. Als een stad echter een kwetsbare historische binnenstad heeft, zou men eerder een netwerkstadbeleid kunnen introduceren. De aanwezigheid van veel in onbruik geraakte binnenstedelijke haven- en industrieterreinen, evenals de aanwezigheid van veel studenten en andere kleine huishoudens, kan juist een reden zijn om langer vast te houden aan het compacte-stadbeleid. Voor Nederland betekent dit dat voor veel steden het compacte-stadbeleid geen slecht idee is, stelt Martens. (B24870)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], Economische netwerken in de regio
Rotterdam : NAI Uitgevers, 2006.
Aandacht voor het concept van stedelijke netwerken. Met deze studie wil het RPB een bijdrage leveren aan de empirische invulling van het concept, en daarmee aan de discussie over de gewenste schaalvoering in de ruimtelijke ordening. Gekozen is voor een economisch perspectief, door de ruimtelijke dimensie van bedrijfsnetwerken te onderzoeken. De centrale vraag van deze studie luidt: in welke mate vinden bedrijfseconomische netwerken hun weerslag op lokaal, regionaal dan wel (inter)nationaal niveau en in hoeverre sluiten zij aan bij het regionale schaalniveau van het ruimtelijkeconomische beleid? Uit het onderzoek blijkt dat in de relaties tussen bedrijven de centrale steden in een regio nog altijd een cruciale rol spelen. Zo geldt voor het merendeel van de belangrijkste inkoop- en verkooprelaties tussen bedrijven in een regio dat in ieder geval één van die bedrijven in de centrale stad is gevestigd. Deze steden vormen de spil in het netwerk van bedrijven. Voor bedrijven uit alle sectoren geldt dat de aanwezigheid van gekwalificeerd personeel in de eigen regio verreweg de belangrijkste vestigingsplaatsfactor is. Ook de aanwezigheid van toeleveranciers in de eigen regio blijkt van groot belang te zijn. (B24805)
- VROM-raad, Ruimte geven, ruimte nemen : voorstellen ter verbetering van de uitvoering van het ruimtelijk beleid
Den Haag : VROM-raad, 2006.
Advies, nr. 51
De uitvoering van het ruimtelijke beleid in Nederland staat onder druk. Plannen komen niet of laat ten uitvoer. Er wordt te weinig gerealiseerd (met name in de woningbouw), en wat wel wordt gerealiseerd, heeft vaak niet de gewenste kwaliteit. Publieke werken blijven liggen of lopen vertraging op. De minister van VROM heeft hard gewerkt aan nieuw beleid, nieuw instrumentarium en een nieuwe verdeling van verantwoordelijkheden om deze problemen het hoofd te bieden. Velen maken zich desondanks zorgen en richten hun pijlen op het nieuwe beleid. De VROM-raad deelt deze zorgen, maar vindt het nu niet zinvol om het beleid nogmaals ter discussie te stellen. Met de vaststelling van de Nota Ruimte op 17 januari in de Eerste Kamer is de beleidsronde achter de rug. De raad richt zijn pijlen liever op de volgende ronde, die van de uitvoering. (B24641)
- Aarts, N.; During, R.; Jagt, P. van der; Dekker, S. M.; Universiteit Wageningen; [et al.], Te koop : en andere ideeën over de inrichting van Nederland
Wageningen : Universiteit en Research Centrum, 2006.
Essaybundel tot stand gekomen binnen het programma 'Boundaries of space' van Wageningen Universiteits en Researchcentrum met essays over de ruimtelijke inrichting van Nederland. Bevat de volgende bijdragen; Zelforganisatie in New Yorkse achterstandwijken; Over woorden en dingen: Foucault en de Nederlandse ruimtelijke ordening; Les petits projects; Het kamp wordt (in Nederland) gebouwd; over closed communities en terugtredende burgers; Baas over eigen regenwater; Tweede-rangs burgers en de ogenschijnlijke democratisering van de Nederlandse ruimtelike ordening; Potgrond voor vereveningsconstructies; Sturing in 2030; waar ligt de macht?; Wat, waarom en hoe?; Agri-cultuur: pleidooi voor het houden van boeren; Toren en straat: tussenruimte voor creatieve interactie in ontwerp; Vitale coalities in het landelijk gebied; Tussen ERF en EHS: de postmodernisering van het agrarisch landschap; Waar eens de boterbloempjes bloeiden...; Ruimtelijke ordening vanuit vier blikvelden; Meebetalen, meebepalen en meedoen; Plankadering, planvorming en plantoetsing; Voorbij het plan: de actorbenadering; De rol van risicokaart in de ruimtelijke planvorming; De publieke ruimte bewaken - door onszelf in acht te nemen; Zen: de herontdekking van de burger bij ruimtelijke planning; Ruimtelijke ontwikkeldingspolitiek; Een zucht van verlichting: meer buitenruimte door meer binnenruimte; Ruimte voor water, ruimte voor dialoog?; Het strand als metafoor; Landschapsdialoog als praktijk van ruimtelijke ontwikkelingspolitiek; Naar een andere binnenstad: overgrenzen, gangen, bruggen en 'wormholes'; De grootste ontwerpopgave: minder ontwerpen. (B24659)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], Vinex! : een morfologische verkenning
Rotterdam : NAi Uitgeverij, 2006. 195 p.
In de studie staan de ruimtelijke verschijningsvorm en opzet van de Vinex-wijken centraal. De onderzoekers analyseerden, aan de hand van een groot aantal kaarten, 13 Vinex-wijken verspreid over Nederland op het gebied van ligging, stedelijkheid, identiteit en vormgeving, en vergeleken deze met enkele twintigste eeuwse woonwijken. (B24593)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], Tussen droom en retoriek : de conceptualisering van ruimte in de Nederlandse planning
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2005.
Deze studie brengt de ontwikkelingen van de laatste tien à vijftien jaren in beeld van de conceptualisering van de ruimte in Nederland op nationaal en bovenlokaal niveau. Tevens wordt ingegaan op de interpretatie van deze conceptuele ontwikkelingen. Dat gebeurt voor vier grote thema's die de Nederlandse ruimtelijke planning kenmerken: de inrichting van het landelijk gebied en de relatie tussen stad en land, de structuur en inrichting van stedelijke gebieden, de ruimtelijke structuur van de Randstad, met name de vraag of deze een metropool vormt, en het ruimtelijk-economisch functioneren van regio's en provincies in Nederland. (B24546)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], De landstad : landelijk wonen in de netwerkstad
Den Haag : NAi Uitgevers, 2005.
Deze studie is een zoektocht naar locaties, vormen en realisatiemogelijkheden voor nieuwe landstedelijke woonmilieus. Ze biedt handvatten om de bestaande en groeiende behoefte aan groene en dorpse woonmilieus te realiseren met behoud van een kwalitatief hoogwaardige open ruimte. (B24184)
- Raad voor het Landelijk Gebied, Recht op groen : advies over de groene kwaliteit van de openbare ruimte : deel 1 Beleidsadvies
Amersfoort : RLG, 2005.
Publicatie RLG, nr. 05/6
Het advies 'Recht op groen' gaat over de kwaliteit van groen in de stedelijke omgeving. De Raad voor het Landelijk Gebied maakt zich zorgen om de groene kwaliteit van de openbare ruimte. In de verstedelijkende omgeving groeit de bebouwing sneller dan het nieuwe groen en de realisatie van groen buiten de stad stagneert ten opzichte van de taakstelling. In zijn advies stelt de raad dat relevante partijen hun eigen kortetermijnbelang moeten inruilen voor het maatschappelijk lange termijn belang van een groene leefomgeving. De functies van groen voor gezondheid, leefbaarheid en economie en natuur worden nog voldoende onderkend. Met groen kunnen doelstellingen uit meerdere beleidsvelden gelijktijdig vervuld worden, hetgeen leidt tot lager maatschappelijke kosten. Daarom vraagt de raad departementen, provincies en gemeenten, projectontwikkelaars, burgers en ondernemers om de eigen werkwijze kritisch te bekijken.
(B23935)
- Raad voor het Landelijk Gebied, Recht op groen : advies over de groene kwaliteit van de openbare ruimte : deel 2 Analyse
Amersfoort : RLG, 2005.
Publicatie RLG, nr. 05/6
Deel 2 bevat een uitwerking van de analyse van vraag en aanbod en van de factoren die het besluitvormingsproces bepalen. (B23936)
- Ruimtelijk Planbureau; Needham, B., Een andere marktwerking : een verkenning van de mogelijkheden bij het Nederlandse ruimtelijk beleid
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2005.
Uit de studie van het RBP komt naar voren dat In Nederland bij de inrichting van de ruimte te weinig gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die het privaatrecht biedt. De privaatrechtelijke regels die zijn verbonden aan het eigendom van grond en gebouwen stellen de burgers in staat om - naar Angelsaksisch model - de ruimtelijke ontwikkeling onderling te regelen. Op deze manier draagt de burger ook meer verantwoordelijkheid voor de eigen leefomgeving. In de studie wordt bovendien geconstateerd dat ook bij een groter gebruik van de privaatrechtelijke regels de overheid een sterke invloed kan behouden op de ruimtelijke inrichting. De overheid stelt immers vast hoe de markt wordt georganiseerd. In hoeverre deze alternatieve vorm van ruimtelijke inrichting haalbaar is, wordt verkend voor tien actuele vraagstukken in het Nederlandse ruimtelijk beleid, zoals de inrichting en het beheer van bedrijventerreinen, natuur- en landschapsbeheer, de fileproblematiek en duurzame ontwikkeling. (B23803)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], A survey of spatial economic planning models in the Netherlands : theory, application and evaluation
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2005.
In een complexe samenleving hebben grote projecten als de Zuiderzeelijn naar het noorden en de HSL naar het zuiden mogelijk grote ruimtelijke effecten. Die effecten kunnen heel verschillend van aard zijn. Om die reden worden binnen de ruimtelijke economie steeds meer, en steeds complexere, modellen ontwikkeld om de ruimtelijke effecten van dergelijke grote projecten vooraf in te kunnen schatten. Het RPB is nauw betrokken bij de ontwikkeling van deze modellen. Het was de reden om samen met de Regional Science Association (RSA) Nederland hierover een studiedag te organiseren. Deze publicatie vormt de neerslag van deze studiedag. In deze bundel wordt een state-of-the-art overzicht geboden van de modellen die op dit moment gebruikt worden in ruimtelijk-economische beleidsvraagstukken. De modellen worden beschreven en toegepast in recente, concrete casestudy's. De bundel wordt afgesloten met een evaluatie van de modellen met betrekking tot de toepassing en de beleidsgevoeligheid. (B23774)
- Daamen, T.; TU Delft, De kost gaat voor de baat uit : markt, middelen en ruimtelijke kwaliteit bij stedelijke gebiedsontwikkeling
Amsterdam : SUN, 2005.
Stedelijke gebiedsontwikkeling is steeds meer een gezamenlijke onderneming van overheid en marktpartijen, waarbij moet worden gestreefd naar een optimale afstemming van markt, middelen en ruimtelijke kwaliteit. De wijze waarop men de stedelijke (her)ontwikkelingsopgave het hoofd kan bieden is in Nederland gebaseerd op een klein aantal principes. Deze staan echter aan de basis van een zeer groot aantal procedurele en organisatorische varianten. In de hedendaagse praktijk lijkt het er daarom op dat geen duidelijk antwoord meer kan worden gegeven op de vraag waarom men voor een bepaalde aanpak heeft gekozen. Dit boek gaat in op de beantwoording van die vraag. De kost gaat voor de baat uit verkent aan de hand van de begrippen markt, middelen en ruimtelijke kwaliteit de theorie van de stedelijke gebiedsontwikkeling en een drietal Haagse praktijkvoorbeelden: Wateringse Veld, Beatrixkwartier en Den Haag Nieuw Centraal. De confrontatie tussen theorie en praktijk mondt uit in een werkschema aan de hand waarvan partijen een eerste stap kunnen zetten naar een inzichtelijke aanpak van dit veelomvattende proces. (B23700)
- Raad voor het Landelijk Gebied, Nationale landschappen vaste koers en lange adem : advies over de instrumentatie van nationale landschappen
Amersfoort : RLG, 2005.
Publicatie RLG, nr. 05/1
Het kabinet geeft 500.000 ha Nederlands cultuurlandschap de status van ‘Nationaal Landschap’. De Raad voor het Landelijk Gebied, die het kabinet adviseert over de uitvoering van dit voornemen, juicht deze hoge ambitie toe. De raad adviseert om binnen twee jaar voor alle twintig Nationale Landschappen de uitvoeringsplannen gereed te maken en ze binnen vijf jaar ook allemaal officieel in te stellen. De raad vindt het belangrijk dat de Nationale landschappen een internationaal herkenbare en duurzame status krijgen. De provincie is bij uitstek de bestuurslaag die voor de uitwerking en de uitvoering van dit beleid kan zorgen. Er moet een nationaal netwerk van Nationale Landschappen komen en voor ieder Landschap een uitvoeringsorganisatie. De overheden moeten zorgen voor een goed pakket maatregelen, waarvoor de raad voorstellen doet, onder andere op financieel en fiscaal gebied. (B23565)
- Struiksma, J.; Besselink, H. J. M., De fundamentele herziening van de Wet op de ruimtelijke ordening
Alphen aan den Rijn : Kluwer, 2004.
Publikatie van de Vereniging voor Bouwrecht, nr. 32
Prof. mr. J. Struiksma schenkt in zijn preadvies "Van het een komt het ander", aandacht aan de vraag in hoeverre de beleidsdoelen van vereenvoudiging en het centraal stellen van het bestemmingsplan, die ten grondslag liggen aan de fundamentele herziening van de WRO, zijn gerealiseerd. Voor zover dit naar de mening van de preadviseur niet het geval is, draagt hij alternatieve oplossingen aan. Mr. H.J.M. Besselink beschrijft in zijn preadvies "Een nieuwe ordening van ruimtelijke bevoegdheden: instrumenten van rijk en provincie in de Wro" de nadelen van het bestaande ruimtelijke ordeningssysteem wat betreft de bevoegdheden van rijk en provincie, en gaat in op de vraag of deze nadelen zich ook na de fundamentele herziening van de WRO kunnen voordoen. Bovendien gaat de preadviseur na in hoeverre de nieuwe WRO een duidelijker bevoegdheidsverdeling bewerkstelligt. (B23363)
- VROM-raad; [et al], Essays Nederlandse steden in internationaal perspectief
Den Haag : VROM-raad, 2004.
Achtergrondstudie, nr. 016
Deze achtergrondstudie bevat drie essays die in opdracht van de VROM-raad zijn vervaardigd voor het advies Nederlandse steden in internationaal perspectief: profileren en verbinden (B23.328, advies 043 oktober 2004). Kansen voor de creatieve stad; Geschakelde metropolen en de tussengebieden; De migratie-paradox : een beschouwing over immigratie in de geglobaliseerde economie. In het bijzonder in de regio Amsterdam. (B23344)
- VROM-raad, Nederlandse steden in internationaal perspectief : profileren en verbinden
Den Haag : VROM-raad, 2004.
Advies, nr. 43
De VROM-raad doet in dit advies voorstellen en aanbevelingen voor ruimtelijk en ruimtelijk relevant beleid ter ondersteuning van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse stedensysteem. Dit advies betekent in dat opzicht een aanvulling op het op 15 juni 2004 uitgebrachte advies over de Nota ruimte (B_22961). De VROM-raad is van mening dat Nederland meer synergie moet kweken tussen zijn mainports (Schiphol, de havens) en de kenniseconomie. Die kenniseconomie bloeit vooral in de 'brainports': de internationaal ontsloten en aantrekkelijke stedelijke centra met hoofdkantoren, handel en zakelijke diensten, innovatieve activiteit en cultuur. De ontwikkeling van deze brainports is zeer belangrijk voor de internationale concurrentiepositie van het land. Dat vraagt integraal strategisch rijksbeleid, waarin het ruimtelijke beleid een belangrijke rol moet spelen. De Nota Ruimte schenkt al veel aandacht aan de mainports. Aanvullend daarop zal de aandacht van het Kabinet daarom meer gericht moeten worden op brainportontwikkeling. Daarbij is ruimtelijke concentratie belangrijk en zullen dus keuzes moeten worden gemaakt. (B23328)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], Scenario's in kaart : model- en ontwerpbenaderingen voor toekomstig ruimtegebruik
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2004.
Dit boek gaat over methoden aan de hand waarvan ruimtelijke toekomstbeelden kunnen worden gegenereerd. Modellen voor ruimtegebruik zijn op zich geen nieuw fenomeen. Wel zijn, met de opkomst van de computer, die modellen de afgelopen decennia drastisch veranderd. De mogelijkheid om 'kaarten van de toekomst' te maken lijkt voor iedereen binnen handbereik. In de Nederlandse beleidspraktijk zijn dergelijke modellen weliswaar een aantal malen toegepast, maar niet in combinatie met ontwerp. Dit was voor het Ruimtelijk Planbureau aanleiding dit onderzoek uit te voeren. Drie mogelijke methoden - een model- en twee ontwerpbenaderingen- worden in deze studie met elkaar vergeleken. Zij worden toegepast op een casus: de toekomstige ontwikkeling van het landelijk gebied in de provincie Noord-Brabant. De uitkomsten zijn zichtbaar gemaakt in de vorm van kaartbeelden. (B23097)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], Unseen Europe : a survey of EU politics and its impact on spatial development in the Netherlands
Rotterdam : NAi, 2004.
In deze studie wordt een aantal ruimtelijk relevante EU-beleidsvelden (regionaal beleid, transport, landbouw, mededinging, milieubeleid, natuurbeleid, water,) en hun potentiële consequenties in Nederland in kaart gebracht. Uit de studie blijkt dat er voor ieder onderzocht EU-beleidsveld duidelijke directe én indirecte ruimtelijke consequenties zijn. De consequenties van het Europese natuurbeleid (Vogel- en Habitatrichtlijnen) zijn nu al onmiskenbaar en aanzienlijk, terwijl de ruimtelijke gevolgen van het EU-milieubeleid en -waterbeleid steeds belangrijker worden. (B23054)
- VROM-raad, Advies over de Nota Ruimte
Den Haag : VROM-raad, 2004.
Advies, nr. 41
Met dit advies reageert de VROM-raad op de Nota Ruimte. De raad is positief over de richting die met deze nota wordt gekozen: selectief beleid op nationaal niveau, decentralisatie en versterking van de positie van het middenbestuur, versterken van samenhang in beleid en de oriëntatie op ontwikkelingsplanologie. De raad is echter kritisch over de uitwerking. In dit advies gaat de raad eerst in op de hoofdlijn van zijn commentaar. Daarna wordt ingegaan op enkele centrale elementen van de Nota: de hoofddoelstelling; de mate van integraliteit en selectiviteit; de sturingsfilosofie en het instrumentarium. Vervolgens komen nog enkele specifieke punten aan de orde: de economische oriëntatie; het beleid voor stedelijke gebieden; het beleid voor landelijke gebieden. Ten slotte volgen de concrete aanbevelingen. (B22961)
- Ruimtelijk Planbureau; CPB; SCP, Ex ante toets Nota Ruimte
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2004.
De planbureaus is gevraagd de 'Nota ruimte: ruimte voor ontwikkeling' aan een 'ex ante toets' te onderwerpen. In deze toets analyseren het CPB, RPB en SCP in welke mate de doeleinden van het voorgenomen beleid onderling consistent zijn, de gekozen instrumenten aansluiten op de gekozen doeleinden (in termen van effecten en kosten-baten) en het beleid aansluit op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkelingen. (B22890)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], Duizend dingen : een tijdsbeeld uitgedrukt in ruimte
Rotterdam : NAi, 2004.
De schaarse vrije tijd wordt steeds vaker ingevuld met allerlei activiteiten: duizend dingen op een dag, duizend dingen om te doen en duizend dingen om te beleven. Het is een stijl van leven waarbij men in een wereld van bijna onbegrensde mogelijkheden alles uit het leven wil halen. Maar wat zijn hiervan de ruimtelijke gevolgen? Zijn er onbedoelde negatieve effecten? En wat betekent het voor eisen die aan nieuwe woongebieden gesteld kunnen gaan worden? Deze vragen staan centraal in het rapport Duizend dingen op een dag, een tijdsbeeld uitgedrukt in ruimte. Behalve de beleveniseconomie heeft ook de toegenomen mobiliteit die voor al deze belevenissen noodzakelijk is, zijn sporen nagelaten. De infrastructuur bleef achter bij de explosieve groei van het aantal autokilometers met capaciteitsproblemen tot gevolg: langere files en vertragingen bij de spoorwegen. De knooppunten van mobiliteit hebben zich mede daardoor ontwikkeld tot multifunctionele ontmoetingsplaatsen op stations en bij afritten van autosnelwegen. Deze mogelijkheden om functies te combineren stellen ons in staat effectiever te handelen. Vreemd genoeg heeft deze toegenomen effectiviteit niet geleid tot een rustiger bestaan, maar eerder tot de behoefte nog meer te beleven en dus tot meer verplaatsingen. Een en ander wordt in beeld gebracht met kwantitatieve gegevens, maar ook aan de hand van de panorama's. (B22892)
- VROM-raad, Gereedschap voor ruimtelijke ontwikkelingspolitiek
Den Haag : VROM-raad, 2004.
Advies, nr. 39
De centrale vraagstelling van dit advies luidt als volgt: Welke verandering in beleidsstijl en beleidsinstrumentarium van de (rijks)overheid is nodig voor ontwikkelingsgerichte ruimtelijke politiek? Naar het oordeel van de VROM-raad zijn er vele verschillende invullingen van het begrip ontwikkelingsplanologie denkbaar. De raad heeft er voor gekozen om in dit advies vooral in te gaan op het instrumentarium waarmee aan ontwikkelingsplanologie vorm kan worden gegeven. Het grondbeleid komt in het advies uitgebreid aan de orde. Het advies gaat onder meer in op de verschillen tussen actief en faciliterend grondbeleid, op wenselijke aanpassingen in de WRO, op interessante voorbeelden uit het buitenland en op de vraag in hoeverre deze in de Nederlandse situatie toepasbaar zouden kunnen zijn. (B22817)
- Min. VROM; [et al.], Nota ruimte : ruimte voor ontwikkeling
Den Haag : Min.VROM, 2004.
De Nota Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en de belangrijkste bijbehorende doelstellingen. De nota bevat, in overeenstemming met het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet, de ruimtelijke bijdrage aan een sterke economie, een veilige en leefbare samenleving en een aantrekkelijk land. Een overzicht van de voornaamste doelen die het rijk hanteert, is in een bijlage aan de nota toegevoegd. In de Nota Ruimte wordt het nationaal ruimtelijk beleid vastgelegd tot 2020, waarbij de periode 2020-2030 geldt als doorkijk naar de lange termijn. Ook verschenen onder kamerstuk K29435, nr. 2 Zie ook B22819 Samenvatting en B22820 Uitvoeringsagenda (B22818)
- Min. VROM; [et al.], Nota ruimte : uitvoeringsagenda
Den Haag : Min.VROM, 2004.
Met deze uitvoeringsagenda Nota Ruimte geeft het kabinet aan hoe het de uitvoering van het geformuleerde (selectieve) ruimtelijke beleid aanpakt. De uitvoeringsagenda maakt deel uit van Nota Ruimte. De uitvoeringsagenda verbindt de doelstellingen van de Nota Ruimte met lopende en voorgenomen uitvoeringstrajecten. Dit geldt zowel voor de investeringsprioriteiten van het rijk, de doorwerking van het beleid naar streek- en bestemmingsplannen als voor de inzet van uitvoeringsinstrumenten. Voor al deze uitvoeringtrajecten zijn de voornaamste acties en activiteiten beschreven. Daarnaast agendeert dit uitvoeringsdocument besluiten die van belang zijn voor de realisatie van ruimtelijke inrichtingsopgaven en beschrijft het de afwegingen die daarbij een rol zullen spelen. Het kabinet geeft hiermee aan wat het nog in deze periode wil bereiken en wat het vervolgperspectief is. Zie ook kamerstuk K29435 Zie ook B22818 Nota en B22819 Samenvatting (B22820)
- Nyfer; [et al.], Ondernemen beneden NAP : een nieuw economisch centrum in de Zuidplaspolder
Breukelen : Nyfer, 2003.
In het middelpunt van de Randstad, enkele meters beneden NAP, ligt de Zuidplaspolder. In dit gebied moet een nieuw, kloppend hart van de Randstad komen. Plannen voor de ontwikkeling van de Zuidplaspolder zijn in de maak. Beperkingen in de ruimtelijke ordening, die samenhangen met de Groene-Hartstatus van het gebied, zullen op termijn worden opgeheven. Er moeten woonwijken, recreatiegebieden, bedrijfsterreinen en nieuwe infrastructuur verrijzen. Dit essay bespreekt een aantal kansen en risico’s voor de ontwikkeling van de Zuidplaspolder vanuit een economisch perspectief. Wat zijn de mogelijkheden om hoogwaardige bedrijvigheid aan te trekken? Hoe kan het gebied economisch een kwaliteitsimpuls krijgen? NYFER bepleit in dit essay een andere manier van ruimtelijk ontwikkelingsbeleid, die uitgaat van een integrale gebiedsvisie en een stapsgewijze realisatie. We moeten niet langer de toekomstige inrichting van het gebied vooraf gedetailleerd willen vastleggen, maar juist meer ruimte bieden aan spontane ontwikkelingen en deze in een gewenste richting bijsturen, mocht dat nodig zijn. (B22574)
- Raad voor het Landelijk Gebied; InnovatieNetwerk Groene ruime en Agrocluster; [et al.], Op weg naar een volgende generatie gebiedsgericht beleid : het ontwerpen van een experiment
Amersfoort : Raad voor het Landelijk Gebied, 2003.
RLG publicatie 03/07; InnovatieNetwerk publicatie 03.2.053
Deze publicatie is verschenen naar aanleiding van een bijeenkomst over interactief bestuur in het landelijk gebied, gehouden op 8 mei 2003. De publicatie geeft een beeld van de inhoudelijke en bestuurlijke problematiek rond bestuurlijke vernieuwing in het landelijk gebied. Een aantal toonaangevende Nederlandse denkers en doeners hebben hun gedachten op papier gezet in de vorm van korte essays. Bevat de volgende bijdragen: Deel 1: De opbrengst in 't kort; Deel 2: Vormgeven aan een experiment: een palet aan ideeën: Van weiland naar wijland; Condities voor een geslaagd experiment 'Collaborative place-making'; Een lijst in het landschap; Enkele bespiegelingen; Arcadische polderexperimenten : een reactie; Wereld van Beleid en Wereld van Alledag: strijd om territorialiteit, het reëel bestaande experiment; Deel 3: Verslag van de bijeenkomst; Deel 4: De leefomgeving centraal.
Publicatie naar aanleiding van de werkconferentie over een volgende generatie gebiedsgericht beleid gehouden op 8 mei 2003, Makeblijde te Houten, georganiseerd door InnovatieNetwerk Groene Ruimte en Agrocluster, Raad voor het Landelijk Gebied (B22359)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], De ongekende ruimte verkend
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2003.
Het ruimtelijk beleid loopt steeds meer achter de feiten aan. De Vinex-wijken sluiten onvoldoende aan bij de woonwensen van burgers. Het denken in termen van nieuwe bedrijventerreinen gaat voorbij aan de behoeften van de groeiende dienstensector. En het platteland is onnodig op slot gezet door de eenzijdige bestemming van boerderijen. Het is daarom hoog tijd voor een ander, breder perspectief voor het ruimtelijk beleid. Tot deze conclusie komt het Ruimtelijk Planbureau in zijn studie ‘De ongekende ruimte verkend’. Met deze publicatie voldoet het planbureau aan zijn taak om periodiek na te gaan wat de toekomstige ruimtebehoeftes zijn. Het RPB gaat daarbij ook een stap verder. Het richt zich niet op de prognoses zelf maar op de vraag hoe met dergelijke ruimtelijke prognoses moet worden omgegaan. (B22350)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], De ruimtelijke effecten van ICT
Den Haag : NAi, 2003.
De invloed van informatie- en communicatietechnologie (ICT) op onze samenleving is onmiskenbaar. Maar in hoeverre hebben de nieuwe ontwikkelingen als gevolg van ICT ook ruimtelijke effecten? Zullen als gevolg van ICT de locatie-eisen van bedrijven veranderen? Leidt de virtuele e-mail communicatie tot een afname van het aantal fysieke contacten? Zal e-shopping de gang naar de winkel verminderen? Gaan mensen meer thuis werken? En zal dit telewerken leiden tot nieuwe kantoorconcepten en een afname van de mobiliteit? Deze vragen komen in deze studie aan de orde. Hoewel de effecten van ICT ruimtelijk nog weinig zichtbaar zijn, zijn er wel degelijk aanwijzingen dat de ruimtelijke orde niet 'bij het oude blijft', zo constateren de auteurs. Toch zijn er geen revolutionaire veranderingen te verwachten. ICT versterkt eerder bestaande trends: verspreiding van bedrijvigheid binnen stedelijke netwerken. Vooral binnen de Randstad doet zich een deconcentratie van bedrijven voor, terwijl de stadscentra zelf essentiële functies blijven vervullen. (B22248)
- Min. VROM, Van hindermacht naar ontwikkelkracht? : eindrapportage van de projectgroep ontwikkelingsplanologie
Den Haag : Min. VROM, 2003.
Het eindrapport dient als verkenning voor de mogelijkheden van ontwikkelingsplanologie in het huidige Nederlandse planningstelsel en als aanzet om ontwikkelingsgerichter met de ruimtelijke ordening in Nederland om te gaan. In het rapport is een balans gezocht tussen toelatingsplanologie enerzijds en ontwikkelingsplanologie anderzijds, met daarbij de vraag hoe ontwikkelingsplanologie kan bijdragen aan een betere uitvoering van ruimtelijke plannen dan nu het geval is. De inhoud van het rapport is drieledig. In de eerste plaats is er aandacht voor de mogelijkheden binnen het huidige planningsstelsel. Dit gebeurt aan de hand van een zogenaamd "best practices" onderzoek. Hierin worden voorbeelden aangehaald van ontwikkelingsgerichte projecten in binnen- en buitenland. Een tweede punt van aandacht is het handelen van de rijksoverheid. Hoe kan de rijksoverheid in de nabije toekomst de voorwaarden voor gebiedsgerichte samenwerking en uitvoering van ruimtelijke plannen verbeteren? Tenslotte komen de aanbevelingen aan bod, die door het ministerie van VROM en andere betrokken ministeries kunnen worden opgepakt. (B22105)
- Raad voor het Landelijk Gebied, Ruimte voor natuur : advies over realisatie en beheer van de Ecologische Hoofdstructuur en de ruimte die dat vraagt voor mensen, organisaties en de natuur zelf
Amersfoort : RLG, 2003.
RLG 03/5
Dit advies richt zich op het beleid van de realisatie van de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Afronding van het EHS in 2018 vergt nog een aanpassing van beheer en inrichting van 200.000 hectare om nieuwe natuurgebieden, verbindingszones en gebieden met agrarisch natuurbeheer te creëren. Bovendien is het noodzakelijk dat de vereiste condities worden gerealiseerd: schoon water, schone lucht en bodem, geen versnippering en heldere en effectieve juridische bescherming. (B22023)
- Ruimtelijk Planbureau; [et al.], Energie is ruimte
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2003.
Studie over de relatie tussen energie en ruimte. In dit rapport wijst het Ruimtelijk Planbureau (RPB) erop dat het debat over energie ook over de ruimtelijke aspecten moet gaan. Energie heeft altijd al een grote invloed gehad op de ruimte. De overgang naar nieuwe, duurzamer energiesystemen, die in het Nederlandse én internationale beleid wordt gestimuleerd, zal eveneens ruimtelijke gevolgen hebben. Omgekeerd kunnen ruimtelijke beperkingen die transitie afremmen. Het is een discussie die tot nu toe nauwelijks is gevoerd. Het rapport schetst allereerst een beeld van de manier waarop energie en ruimte in het verleden met elkaar samenhingen. Vervolgens wordt ingegaan op het huidige ruimtegebruik van de energiesystemen, vooral steenkool, olie, gas, kernenergie en elektriciteit. Daarna biedt het rapport inzicht in het toekomstig ruimtebeslag. Het accent ligt in dit hoofdstuk bij de nieuwe energiesystemen, zoals biomassa, waterkracht, windenergie en zonne-energie. (B21695)
- Ruimtelijk Planbureau; Dammers, E. [et al.], Scene : een kwartet ruimtelijke scenario's voor Nederland
Rotterdam : NAi Uitgevers, 2003.
In vier scenario’s voor het ruimtelijk beleid van Nederland schetst het Ruimtelijk Planbureau uiteenlopende maatschappelijke ontwikkelingen met hun onderlinge relaties en effecten, samen met de belangrijkste dreigingen en kansen voor de ruimtelijke inrichting. Hierbij gaat het om ontwikkelingen binnen de economie, de demografie, de technologie en dergelijke. In de studie is vooral gelet op de onzekerheden omtrent het verloop van ontwikkelingen en op de ruimtelijke knelpunten en kansen die zij voor ons land kunnen opleveren. De scenario's als ideeëngenerator, ontwikkeld door gedachte en ongedachte toekomsten te ontwerpen en gepresenteerd in de vorm van 'essays over de toekomst': Nederland als belevingsruimte, Nederland als productieruimte, Nederland als overlevingsruimte en Nederland als milieuruimte, zijn uitgewerkt in deze studie van het Ruimtelijk Planbureau. (B21652)
- Min. LNV, Structuurschema Groene Ruimte 2 : resultaten van inspraak, bestuurlijk overleg en advies
Den Haag : Min. LNV, 2003.
SGR2 geeft invulling aan de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid uit de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Daarnaast geeft SGR2 aan wat de gevolgen zijn van het beleid uit andere nota's als Voedsel en Groen, Natuur voor Mensen en Nationaal Milieubeleidsplan 4. Van 24 januari tot 19 april 2002 was er een inspraakronde. Dat heeft geleid tot zo'n 600 reacties. De hoofdlijnen van deze reacties zijn tezamen met de samenvattingen van adviezen en de verslagen van het bestuurlijk overleg in maart 2003 uitgebracht in deel 2 van het SGR2. (B21522)
- Min. EZ, Naar gebiedsgerichte economische perspectieven : hoofdrapport
Den Haag : Min. EZ, 2002.
Discussierapport, bestaand uit een hoofdrapport en vier afzonderlijke landsdelige deelrapporten over de - bezien door een nationale bril - ruimtelijk-economische perspectieven voor de Nederlandse economie. Deze perspectieven zijn opgesteld op basis van een sterkte-zwakte analyse, en geven richting aan een selectie van beleidsopgaven, die indicatief zijn doorvertaald naar maatregelen en projecten. Het rapport verschaft inzicht in de - vanuit economische optiek - gebiedsgerichte nationale prioriteiten inzake werklocaties, bereikbaarheid en innovatie. EZ wil hiermee een bijdrage leveren aan de realisatie van een selectie van nationale projecten. Op basis van dit rapport gaat EZ met belanghebbenden verkennen waar nationale en regionale perspectieven met elkaar overeenkomen, om vervolgens schaarse mensen en middelen zo selectief mogelijk op concrete projecten in te zetten. Daarnaast vormt de analyse voor EZ een referentiekader voor het nationaal ruimtelijk economisch beleid en zijn eigen toekomstige rol bij o.a. bedrijventerreinen, regionaal-economische beleid, stedelijke economie en toerisme. (B21297)
- Min. VROM; RPD; ABF Research; Brouwer, J.; Mattenmaker, L.; Heida, H., Ruimtevraag wonen, werken en voorzieningen herberekend : verkenning 2000-2030 voor deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Voorstudie vijfde nota over de ruimtelijke ordening, reeks II, nr. 1
In deze rapportage komen verschillende aspecten uit deel III van de Vijfde Nota aan bod. Het gaat om de indeling in stads- en dorpsmilieus, de vraag naar woningen en arbeidsplaatsen, de ruimtevraag en de bij deze aspecten behorende definities, uitgangspunten en gedane veronderstellingen. (B21081)
- Min. VROM; RPD; Royal Haskoning, De stedelijke netwerken rond : gesprekken over stedelijke netwerken op weg naar deel 3 van de Vijfde Nota
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Voorstudie vijfde nota over de ruimtelijke ordening, reeks II, nr. 3
Rapportage naar aanleiding van de 'ronde tafel gesprekken' die de Werkgroep Stedelijke netwerken van de RPD heeft gevoerd met vertegenwoordigers van vijf nationale en drie regionale stedelijke netwerken. Op de agenda voor de gesprekken stonden de volgende onderwerpen: Inhoudelijke beleidsagenda van de netwerken; Visies en plannen die in voorbereiding zijn; Ervaringen met de organisatie van de samenwerking in het netwerk; Kansen, knelpunten en wensen met het oog op PKB deel 3. (B21083)
- Min. VROM; RPD; RIGO Research en Advies; [et al.], Capaciteit in bestaand bebouwd gebied in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland : maatgevoel middels een modelmatige benadering
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Voorstudie vijfde nota over de ruimtelijke ordening, reeks II, nr. 4
Modelmatige verkenning gericht op het verkrijgen van meer inzicht in de mogelijkheden voor toevoeging van woon- en werkfuncties binnen bestaand bebouwd gebied (BBG) in de landsdelen Noord, Oost en Zuid in 2010-2030. De vooruitblik moet maatgevoel geven over de mogelijkheden binnen het bestaand stedelijk gebied. In deze studie worden twee modelmatige methoden toegepast. (B21084)
- Min. VROM; RPD; RIGO Research en Advies; [et al.], Toetsing capaciteitsraming BBG voor de landsdelen Noord, Oost en Zuid
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Voorstudie vijfde nota over de ruimtelijke ordening, reeks II, nr. 5
Modelmatige verkenning gericht op het krijgen van meer inzicht in de mogelijkheden voor toevoeging van woon- en werkfuncties binnen bestaand bebouwd gebied (BBG) van stad en dorp. Dit model doet aannames, betreffende mogelijkheden en tempo van toevoegingen binnen BBG in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland. De aannames zijn gebaseerd op dichtheden en plannen van vergelijkbare woonmilieus en gemeenten in west-Nederland. (B21085)
- Min. VROM; RPD; DHV/Arcadis; Werkgroep Deltametropool, Dilemma's in het hart : integrale effectrapportage Deltametropool
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Voorstudie vijfde nota over de ruimtelijke ordening, reeks II, nr. 11
Integrale effectrapportage die ten behoeve van de besluitvorming over de Deltametropool is uitgevoerd. Hierin zijn de (milieu)gevolgen van een aantal verstedelijkingsmodellen beschreven en onderling vergeleken. (B21091)
- Min. VROM; RPD; Regio Randstad; RIGO Research en Advies; [et al.], Verstedelijking Randstad na 2010 : gebiedsverkenning
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Voorstudie vijfde nota over de ruimtelijke ordening, reeks II, nr. 13
Onderzoek naar de aard en omvang van de mogelijke uitbreiding van de voorraad wonen, werken, (centrum)voorzieningen en groen in het bestaand stedelijk gebied van de afzonderlijke steden en gemeenten in de stadsgewesten en BoN-gebieden van de Randstad voor de periode 2010-2030. De ambities en plannen die bij de gemeenten beschikbaar zijn of leven, vormen de basis voor de gebiedsverkenningen voor de periode 2010-2030. (B21093)
- Min. VROM; RPD; RIGO Research en Advies; Ontwerp Team Stad; [et al.], Gebiedsverkenningen Randstad fase 3 : vier case studies
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Voorstudie vijfde nota over de ruimtelijke ordening, reeks II, nr. 14
In dit vervolgonderzoek wordt aan de hand van vier voorbeeldgemeenten meer inzicht geboden in de bandbreedte zowel kwalitatief als kwantitatief van de voorziene toevoegingen aan de voorraad binnen bestaand stedelijk gebied tussen 2010 en 2030; de belemmeringen en bijbehorend instrumentarium; de kwaliteitssprong in bestaand stedelijk gebied in relatie tot kwantitatieve mogelijkheden. (B21094)
- Min. VROM; RPD; TNO-INRO; [et al.], Relatiepatronen in het Noorden
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Voorstudie vijfde nota over de ruimtelijke ordening, reeks II, nr. 16; TNO-rapport, nr. 2001/RRO-036
Onderzoek naar de ruimtelijk-economische en bestuurlijke relaties c.q. afstemming van functies die er anno 2000 bestaan tussen de steden Assen, Emmen, Groningen, Heerenveen, Leeuwarden en Smallingerland. Tevens wordt zicht gegeven op de te verwachten demografische ontwikkelingen in het Noorden. Na een korte toelichting op het concept 'stedelijke netwerken' wordt achtereenvolgens ingegaan op de ruimtelijk-economische structuur in het Noorden en de te verwachten veranderingen daarin. Voor drie typen functionele relaties tussen gebieden in het Noorden zijn de huidige ruimtelijke patronen onderzocht. Het betreft respectievelijk verhuizingen van personen en bedrijven, verplaatsingen van personen en goederenvervoer. Kort wordt ingegaan op bestuurlijke samenwerkingsverbanden. (B21096)
- Min. VROM; RPD, Legenda stads-, dorps- en werkmilieus
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Voorstudie vijfde nota over de ruimtelijke ordening, reeks II, nr. 18
In de Vijfde Nota RO wordt een indeling in Stads- en Dorpsmilieus gehanteerd die bestaat uit zes eenheden: vier gemengde stedelijke milieus, twee gemengde dorpsmilieus en een monofunctioneel werkmilieu. Deze indeling wordt gebruikt voor als basis voor planologische analyses. Daarbij wordt het vier-cijfer postcodegebied als planologische eenheid gehanteerd. Deze studie doet een poging om de stedenbouwkundige karakteristieken van de gehanteerde planologische eenheden nader in beeld te brengen. Daarbij zijn van elke categorie vier postcodes onderzocht, en is gekeken uit welke stedenbouwkundige eenheden deze gebieden zijn opgebouwd. Voor elk gebied is een van de stedenbouwkundige eenheden nader gekarakteriseerd aan de hand van de verschijningsvorm, het programma en de ruimtelijke principes. (B21098)
- WRR; Knaap, G. A. van, Stedelijke bewegingsruimte : over veranderingen in stad en land
Den Haag : WRR, 2002. 210 p.
Voorstudies en achtergronden, nr. V113
Besproken worden een aantal maatschappelijke en ruimtelijk relevante trends, zoals de veranderingen in het ruimtegebruik van huishoudens en bedrijven en de hiermee samenhangende verandering in de ruimtelijke mobiliteit. In het bijzonder staat het begrip 'netwerkstad' centraal. Aangegeven wordt dat in het kader van de ontwikkeling van netwerksteden gezocht moet worden naar andere vormen van beleidsafstemming tussen de verschillende departementen en tussen de rijksoverheid en de lager overheden. Hierdoor ontstaan meer mogelijkheden om aan te sluiten bij marktprocessen en ontstaat speelruimte voor meer variëteit om problemen op lokaal niveau op te lossen. (B20980)
- VROM-Raad; [et al.], Studies ten behoeve van het VROM-raadsadvies Impuls voor ruimtelijke
investeringspolitiek
Den Haag : VROM-raad, 2002.
Achtergrondstudie 013
Deze achtergrondstudie bevat informatie en analyses die een rol hebben gespeeld bij het
totstandkomen van het VROM-raadsadvies 'Impuls voor ruimtelijke investeringspolitiek;
advies naar aanleiding van de (ICES-) investeringsimpuls 2002.'
Bevat twee delen: Deel I: Essay: Ruimtelijke kwaliteit, verbindingen en kenniseconomie;
Deel II: TNO Inro rapport: ICES: Proces, beoordeling en betekenis voor het strategisch
omgevingsbeleid. (B20863)
- Raad voor het Landelijk Gebied, Voor boeren, burgers en buitenlui : advies over de betekenis van sociaal-culturele ontwikkelingen voor het landelijk gebied
Amersfoort : RLG, 2002.
Publicatie RLG, nr. 02/08
De raad constateert dat het platteland - van oudsher de contramal van de stad - geleidelijk dreigt
te verdwijnen en acht dit ongewenst. Hij adviseert de overheid daarom expliciet zorg te dragen
voor behoud en ontwikkeling van dat platteland en het beleid ook expliciet daarop te richten,
zowel in ruimtelijk en economische als ook in sociaal-culturele zin. (B20852)
- VROM-raad, Impuls voor ruimtelijke investeringspolitiek
Den Haag : Vromraad, 2002.
Advies, nr. 33
In het advies beschrijft de raad in hoofdlijnen de gewenste opzet van een adequate
investeringsstrategie voor het vastgestelde strategisch beleid. Verder doet de raad voor zowel de
korte als voor de langere termijn een aantal aanbevelingen en voorstellen. Een zwaarder accent op regionale programmafinanciering en betere coördinatie op rijksniveau zijn daarvan belangrijke
elementen. (B20850)
- Min. VROM; [et al.], Academische reflecties : de wetenschap aan het woord over de vijfde nota
Den Haag : Min. VROM, 2002.
Bundel met wetenschappelijke essays waarin kritisch wordt gereageerd op belangrijke aspecten van de Vijfde nota. Opgenomen zijn de volgende bijdragen: Ruimte maken, ruimte delen; Grondwater in de vijfde nota; Ruimte voor water in internationaal perspectief; Thalassa, Thalassa: ruimtelijk Noordzeebeleid ofwel een zeemansgraf voor Hugo de Groot?; Terug naar het landschap; Het Nederlandse landschap in Europa, een glijdend vlak; Landelijk gebied: kapitaal of kruitvat?; Globalisering en de herschaling van de politiek-economische ruimte: nieuwe machtsrelaties in de productie van de ruimte; Recente ontwikkelingen in de Franse ruimtelijke ordening als inspiratiebron voor een nieuwe aanpak in Nederland; Hoe 'ICT proof' is de vijfde nota?; Stedelijke netwerken in Europees perspectief; De grondmarkt, het grondbeleid en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening; De Vijfde Nota: hefboom voor ruimtelijke kwaliteit; Planologie van witte jas tot Armanipak. (B20774)
- Raad voor het Landelijk Gebied, Meer regio, minder regels, meer resultaat
Amersfoort : RLG, 2002.
Publicatie RLG, nr. 02/6
Advies over het Tweede Structuurschema Groene Ruimte deel I. De raad adviseert een drastische vereenvoudiging van het beleid voor de groene ruimte en vrij fundamentele wijzigingen ten aanzien van de doorwerking en de financiering ervan. Minder regels, en meer ruimte en verantwoordelijkheid voor provincie, regio en maatschappelijke organisaties. De raad onderschrijft wel de doelstellingen en het hoge ambitieniveau van het beleid, dat in het Tweede Structuurschema is geformuleerd. (B20754)
- VROM-raad, Impuls voor ruimtelijke investeringspolitiek : advies naar aanleiding van de (ICES-) investeringsimpuls 2002
Den Haag : VROM-raad, 2002.
Advies, nr. 33
het advies beschrijft de raad in hoofdlijnen de gewenste opzet van een adequate investeringsstrategie voor het vastgestelde strategisch beleid. Verder doet de raad voor zowel de korte als voor de langere termijn een aantal aanbevelingen en voorstellen. De raad wil een andere aanpak van ruimtelijke investeringen in Nederland. Het betreft investeringen in de hoofdinfrastructuur, de grote steden en de ontwikkeling van natuur en landschap. In het verleden verdeelde de zogenaamde ICES, de Interdepartementale Commissie voor Economische Structuur, tientallen miljarden op dit terrein. Deze ICES-aanpak is vastgelopen. De raad stelt voor het ICES-proces te beëindigen. De raad wil dat het systeem drastisch wordt omgevormd, zodat er een stevige relatie ontstaat tussen investeringsmiddelen en de grote beleidsnota’s over de infrastructuur, ruimtelijke ordening, stedelijke ontwikkeling en de ontwikkeling van natuur en landschap. De samenhang tussen die nota’s moet worden versterkt door een rijksbrede visie op ruimtelijke politiek. Een minister voor ruimtelijke planning moet de ontwikkeling van die visie coördineren. De tijdshorizon voor investeringsplannen zal bovendien moeten worden opgerekt van 2010 tot 2015. Daarnaast bepleit de raad meer beleidsruimte voor provincies en stadsregio’s om samenhangend ontwikkelingsbeleid te voeren. Het Rijk moet de provincies en stadsregio’s daarin financieel bijstaan met integrale regionale programmafinanciering, in plaats van de huidige sterk versnipperde geldstromen. (B20677)
- WRR; Asbeek Brusse, W.; Dalen, H. van; Wissink, B., Stad en land in een nieuwe geografie : maatschappelijke veranderingen en ruimtelijke dynamiek
Den Haag : SDU, 2002.
Voorstudies en achtergronden, nr. V112
De relatie tussen stad en land is het uitgangspunt voor een studie naar maatschappelijke veranderingen en de ruimtelijke consequenties die hieraan verbonden zijn. De auteurs analyseren die veranderingen vanuit drie wetenschappelijke disciplines: de economie, de sociologie en de geografie. Zij zien een 'nieuwe geografie ontstaan' en constateren dat de overheid hiermee weinig rekening houdt. Dit laatste is ook terug te zien in de Vijfde nota over de ruimtelijke ordening, die de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland verregaand wil regisseren. Een alternatief beleid, waarin provincies en gemeenten meer de regie wordt gelaten, verdient volgens de auteurs de voorkeur. Ook roepen zij op tot meer aandacht in het overheidsbeleid voor nieuwe thema's, zoals de tendens tot privatisering van de openbare ruimte, die in de toekomst voor nieuwe ruimtelijke problemen kunnen zorgen. (B20659)
- Marlet, G.; Nyfer, Boeren, bouwen of openhouden : de strijd om de ruimte in economisch perspectief
Amsterdam : De Balie, 2002.
Open-podiumreeks, nr. 6
Essay over de ruimtelijke inrichting van Nederland, het overheidsbeleid, het nut van nieuwe natuur, het lot van de landbouw, de kracht en het falen van de grondmarkt, lokale belangen, de taak van Den Haag, de kaart van Nederland in 2030, en de noodzakelijk veranderingen. (B20627)
- Ridder, J. de; Dijkstra, G. A.; Kemkers, R. H. C.; Neerhof, A. R.; RU Groningen, Artikel 19 in de praktijk : de eerste effecten van een wetswijziging
Deventer : Kluwer, 2002.
Op 1 maart 2001 werd de nieuwste versie van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht. Dit artikel regelt de zogenoemde 'buitenplanse vrijstelling': de mogelijkheden van het gemeentebestuur voor het verlenen van vrijstellingen van de bepalingen van een bestemmingsplan zonder dat het bestemmingsplan zelf daarin voorziet. Na vijfendertig jaar van strijd tegen het oneigenlijk gebruik van de oorspronkelijke vrijstellingsregeling, tegen lege voorbereidingsbesluiten en sterk verouderde bestemmingsplannen gaf de wetgever zijn pogingen op om de praktijk aan de wet aan te passen. In plaats daarvan werd de wet nu aan de in de praktijk levende behoeften aangepast. B&W konden voortaan in afwijking van het geldende bestemmingsplan bouwvergunningen verlenen zonder te anticiperen op een nieuw bestemmingsplan. Sommigen spraken van een revolutie, anderen zagen er slechts een papieren bevestiging in van een allang bestaande praktijk. De wetgever zelf had er hoge verwachtingen van. De stroperigheid van de besluitvorming zou verminderen, de slagvaardigheid van de overheid zou toenemen en de bestuurslasten zouden omlaag gaan. Reeds een jaar na de inwerkingtreding is de nieuwe regeling geëvalueerd, om na te gaan in hoeverre Haagse verwachtingen in de praktijk uitkwamen. Dit boek bevat een verslag van dat evaluatieonderzoek. De verschillende procedures van het nieuwe artikel 19 worden uitgelegd, de mogelijkheden en problemen ervan voor de praktijk van de gemeentelijke ruimtelijke ordening worden besproken en tenslotte wordt ook nagegaan in hoeverre de doelstellingen van de wetgever verwezenlijkt lijken te worden. Deze studie biedt daarmee zowel een handzame inleiding in de nieuwe regeling alsook een kritische analyse van de vrijstellingspraktijk die in die regeling juridisch vorm heeft gekregen. (B20241)
- Min. VROM; RPD, Ruimte maken, ruimte delen : vijfde nota over de ruimtelijke ordening 2000/2020
PKB Deel 3, Kabinetsstandpunt
PKB Deel 2, Resultaten van inspraak, bestuurlijk overleg en advies
Den Haag : Min. VROM, 2002.
VROM 01.0532/a/01-02, 15676/179
Bevat de vastgestelde PKB-tekst van de Vijfde Nota en de bijbehorende toelichting, die onder meer de reactie van het kabinet op de inspraak, het overleg en de adviezen bevat. Dit deel wordt afgesloten met de tekst van de Beleidslijn Ruimte voor de rivier. Het tweede onderdeel van deze publicatie is PKB deel 2 met daarin een samenvatting van de reacties van o.a. SER en VROM-raad op PKB 1 Nationaal ruimtelijk beleid. (B20195)