Literatuurlijst Milieu en economie

SER-publicaties - Boeken - Tijdschriftartikelen - Standaardwerken


 

  • OECD, OECD environmental outlook to 2050 : the consequences of inaction
    Parijs : OECD, 2012. 349 p.
    OECD milieuvooruitzichten tot 2050. De OECD Environmental Outlook to 2050 stelt de vraag "Wat zal er de komende veertig jaar gebeuren?" Op basis van gezamenlijke modellering door de OECD en het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Er wordt vooruit gekeken naar het jaar 2050 om te zien wat demografische en economische trends kunnen betekenen voor het milieu mocht de wereld geen strikter groen beleid voeren. Ook wordt onderzocht welke beleidsmaatregelen dat vooruitzicht zouden kunnen verbeteren. Deze Outlook richt zich op vier thema's: klimaatverandering, biodiversiteit, zoet water en de gezondheidsimplicaties van vervuiling. (B30785)

  • Bartelsman, E. [et al.], Naar een duurzame financiering van de woningmarkt : zes stappenplan
    Z.P. : Z.U., 2012. 14 p.
    Een groep van 22 vooraanstaande economen onderschrijft in een concreet stappenplan de noodzaak voor hervorming van de woningmarkt, de hypotheekfinanciering en het fiscale stelsel. Door een geïntegreerde aanpak en geleidelijke hervorming wordt een duurzame financiering van de woningmarkt verenigd met waardebehoud en betaalbaarheid en wordt de consument beter beschermd. De belangrijkste maatregel die de economen voorstellen is een geleidelijke afbouw van de hypotheekrenteaftrek. Aanvullende maatregelen als het afschaffen van de overdrachtsbelasting, het stellen van een maximum van 100% of zelfs 90% aan de toegestane hypotheekschuld voor kopers en nieuwe transparante financieringsvormen die de rentekosten en risico’s van hypotheken verlagen, moeten duidelijkheid en betaalbaarheid bieden voor starters. Verder moet de huurmarkt beter gaan functioneren door de huren geleidelijk op te trekken naar marktconform niveau. (B30684)
     
  • Min. I&M, Klimaatwijzer : GPS voor een klimaatwijze inrichting van Nederland
    Den Haag : Min. I&M, 2012. 41 p.
    De klimaatwijzer is een handreiking voor het tijdig omgaan met de gevolgen van klimaatverandering in ruimtelijke planprocessen. En biedt Ondersteuning bij het maken van klimaatbewuste keuzes in ruimtelijke plannen. (B30667)
     
  • RMO, Tegenkracht organiseren : lessen uit de kredietcrisis
    Den Haag : RMO, 2011. 149 p.
    Advies, nr. 50
    In het advies Tegenkracht organiseren schetst de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) een aantal parallellen tussen de financiële sector en sectoren als onderwijs, zorg en welzijn. Niet om nieuwe crises te voorspellen, maar om er lessen uit te trekken. Productieve werkwijzen blijken langzaam en ongemerkt te resulteren in perverse uitkomsten. De oplossing ligt in gevarieerde tegenkrachten, zodat maatschappelijke sectoren hun publieke doelstelling niet uit het oog verliezen. (B30630)
     
  • Mertens, P.; Verhulst, D., Hoe durven ze? : de euro, de crisis en de grote hold-up
    Berchem : EPO, 2011. 351 p.
    Hoe durven ze! Hoe durven ze? brengt de geest van Tijl Uilenspiegel en de geuzen tot leven, de tegenstroom die democratie, vrijheid en economie opnieuw wil veroveren op de papen en zakenkabinetten van het kapitalistische Europa. Essentiële gedachte in het boek is dat economie in wezen niet de leer is van het geld, maar die van de behoeften. Het zou een open deur moeten zijn, maar zij is allang weer dicht gespijkerd door de industrie. Economie draait enkel om geld. (B30606)
     
  • Duijn, J. van, De schuldenberg : hoe de wereldwijde schuldenlast ons allemaal gaat raken
    Amsterdam : De Bezige Bij, 2011. 348 p.
    Jaap van Duijn laat in De schuldenberg echter zien dat de schulden van Nederlandse gezinnen veel groter zijn dan die van Amerikaanse gezinnen en dat Amerikaanse banken veel meer eigen vermogen hebben dan Nederlandse. Van Duijn voorspelt bovendien dat de schuldenberg een terugkeer naar financiële degelijkheid zal forceren, iets wat na eerdere schuldexplosies ook altijd is gebeurd. Het is onvermijdelijk dat banken minder gemakkelijk geld zullen uitlenen aan gezinnen en dat huizenkopers weer moeten leren sparen en eerder hun leningen zullen moeten aflossen. En we moeten ook nog op de blaren zitten: van eerdere crises weten we dat niet iedere overheid, niet iedere bank en niet iedere onderneming haar schulden zal afbetalen. Het boek begint met de vraag waarom er schulden worden gemaakt. Waarom de wereldwijde schuldenlast vanaf de jaren tachtig zo kon exploderen is het onderwerp van het tweede hoofdstuk. Het derde hoofdstuk gaat over de vier partijen die in een economie schulden maken: de bedrijven, de gezinnen, de banken en de overheden. Gezien de allesbepalende rol die de markt voor koopwoningen heeft gespeeld in de ontwikkeling van de gezinsschulden, wordt een afzonderlijk hoofdstuk (hoofdstuk 4) aan het eigen huis gewijd. Hoofdstuk 5 kijkt naar schulden op landenniveau. In hoofdstuk 6 wordt een antwoord gezocht op de vragen: Hoe rijk zijn wij eigenlijk, in Nederland en in andere ontwikkelde landen? En: hoe moeten we onze rijkdom eigenlijk meten, als inkomen, of als bezit?. De laatste drie hoofdstukken van het boek gaan over de gevolgen van de schuldencrisis. Hoofdstuk 7 behandelt de vraag wat burgers in Nederland van de crisis gaan merken. In hoofdstuk 8 wordt beredeneerd dat overheidsschulden om verschillende redenen van een geheel andere aard zijn dan particuliere schulden. Het slothoofdstuk gaat over de afwikkeling van de schuldenposities. (B30605)
     
  • World Bank; Canuto, O.; Leipziger, D. M., Ascent after decline : regrowing global economies after the great recession
    Washington : World Bank, 2012. 294 p.
    De publicatie combineert de analyses van vooraanstaande deskundigen van de verschillende elementen die invloed hebben op de economische groei en het beleid dat nodig is om die groei te stimuleren. Het rapport bespreekt de belangrijkste uitdagingen voor het economisch herstel, zoals een stijgende schuldenlast, verminderde handelsvooruitzichten, en de mondiale onevenwichtigheden, evenals de belemmeringen voor de groei als gevolg van fiscale raadsels en achterblijvende infrastructuur. Het onderzoekt ook de weg vooruit, te beginnen met de rol van de staat en vervolgens de arbeidsmarkt, informatietechnologie en innovatie. Rode draad in het boek is de mening dat economische her-groei in grote mate zal afhangen van slimme beleidskeuzes en dat de rol van de overheid nog nooit zo belangrijk is geweest dan op enig moment sinds de grote depressie. Bevat de volgende bijdragen:
    Part 1: Diagnossing the challenges: The challenges of growth; Rebalancing global growth; Fiscal policy and growth: overcoming the constraints; Infrastructure policy for shared growth post-2008: more and better, or simply more complex?
    Part 2: The way forward: Rethinking growth and the state; Financial shocks and the labor markets: should economic policy save jobs?; Information technology, globalization, and growth: the roles of scale economies, terms of trade, and variety; Innovation-driven growth: Analytical issues and policy implications. (B30597)
     
  • World Bank; Canuto, O.; Leipziger, D. M., Ascent after decline : regrowing global economies after the great recession
    Washington : World Bank, 2012. 294 p.
    De publicatie combineert de analyses van vooraanstaande deskundigen van de verschillende elementen die invloed hebben op de economische groei en het beleid dat nodig is om die groei te stimuleren. Het rapport bespreekt de belangrijkste uitdagingen voor het economisch herstel, zoals een stijgende schuldenlast, verminderde handelsvooruitzichten, en de mondiale onevenwichtigheden, evenals de belemmeringen voor de groei als gevolg van fiscale raadsels en achterblijvende infrastructuur. Het onderzoekt ook de weg vooruit, te beginnen met de rol van de staat en vervolgens de arbeidsmarkt, informatietechnologie en innovatie. Rode draad in het boek is de mening dat economische her-groei in grote mate zal afhangen van slimme beleidskeuzes en dat de rol van de overheid nog nooit zo belangrijk is geweest dan op enig moment sinds de grote depressie. Bevat de volgende bijdragen:
    Part 1: Diagnossing the challenges: The challenges of growth; Rebalancing global growth; Fiscal policy and growth: overcoming the constraints; Infrastructure policy for shared growth post-2008: more and better, or simply more complex?
    Part 2: The way forward: Rethinking growth and the state; Financial shocks and the labor markets: should economic policy save jobs?; Information technology, globalization, and growth: the roles of scale economies, terms of trade, and variety; Innovation-driven growth: Analytical issues and policy implications. (B30597)
     
  • ING Economisch Bureau, Opheffen euro breekt ons op : handel en financiën maken Nederland kwetsbaar
    Amsterdam : ING Economisch Bureau, 2011. 5 p.
    Het volledig uiteenvallen van de eurozone zou een harde klap zijn: de Nederlandse export zou in 2012 met 25% kunnen krimpen en afschrijvingen van financiële bezittingen kunnen oplopen tot €200 mrd. Dit zou de dekkingsgraad van pensioenfondsen onder de 80% brengen. 300.000 banen zouden extra verloren kunnen gaan. Het laten vallen van de euro zou dus bijzonder kostbaar zijn voor Nederland.
    Dit rapport is een vervolg op 'EMU Break-up: Pay now, pay later' van 1 december. In dit rapport gaan we specifiek in op de gevolgen van het uiteenvallen van de eurozone voor Nederland. (B30562)
     
  • ING Economisch Bureau, Een ongelukkig nieuwjaar : Nederlandse economie gaat met een recessie het nieuwe jaar in : Dutch economic outlook
    Amsterdam : ING Economisch Bureau, 2011. 7 p.
    De Nederlandse economie gaat met een recessie het nieuwe jaar in. Hoe snel en sterk het herstel zich in de loop van 2012 zal aandienen hangt af van het verdere verloop van de eurocrisis. (B30561)
     
  • UN Global Compact; UNEP; Oxfam; World Resources Inst., Adapting for a green economy : companies, communities and climate change : a caring for climate report
    De verwoestende milieu-, sociale en economische gevolgen van de klimaatverandering worden nu al over de hele wereld gevoeld, de armste landen en gemeenschappen zijn hier onevenredig slachtoffer van. Dit rapport biedt inzicht in de belangrijkste vragen rond de rol van het bedrijfsleven in de aanpassing aan de klimaatverandering. (B30543)
     
  • Rabobank, Visie op 2012 : hoe rekbaar is de economie?
    Utrecht : Rabobank, 2011. 48 p.
    In haar Visie presenteert de Rabobank jaarlijks haar verwachtingen voor het komend jaar. De vooruitzichten voor 2012 zijn somber en de risico’s groot. De Rabobank voorziet een aanzienlijke groeivertraging, waarbij een recessie eind 2011 of begin 2012 -zij het in milde vorm- steeds aannemelijker wordt. Deze editie besteedt onder meer extra aandacht aan de terugkeer naar houdbare niveaus van Europese overheidsbegrotingen. (B30507) 
     
  • Heinberg, R., Einde aan de groei : ons aanpassen aan de nieuwe economische realiteit
    Utrecht : Jan van Arkel, 2011. 379 p.
    Heinberg beschrijft gedetailleerd waarom groei niet door kán gaan, gegeven de uitputting van grondstoffen, de aantasting van natuur en milieu en de torenhoge schulden. Hij gaat uitvoerig in op het vraagstuk van peak-oil en grondstoffentekorten, de beperkte mogelijkheden van innovatie en de kwetsbaarheid van het Chinese groei-wonder. Het boek vertelt ook wat overheden, buurten en individuen kunnen doen om een economie op te zetten die wel binnen het aardse budget blijft. Geïnspireerd door bewegingen als Transition Towns en Urgenda adviseert Heinberg om lokaal het weerstandsvermogen tegen economische schokken te vergroten. We kúnnen bloeien in transitie als we het menselijk welzijn en een duurzame samenleving vooropstellen. (B30446)
     
  • Huige, J.; Keune, L.
    Plan voor een duurzame en solidaire economie in Nederland
    Utrecht : Jan van Arkel, 2011. 120 p.
    In dit boek wordt de kritiek op de gangbare economie verwoord. Ook wordt de urgentie geschetst om tot echte veranderingen te komen. Die veranderingen vormen een transitie naar een nieuwe economie. De vorm van die transitie en de elementen voor het maatschappelijk debat worden in de laatste hoofdstukken geschetst. (B30445) 
     
  • Planbureau voor de Leefomgeving; ECN; Ros, J., Naar een schone economie in 2050 : routes verkend : hoe Nederland klimaatneutraal kan worden
    Den Haag : PBL, 2011. 170 p.
    PBL-publicatie, nr. 500083014
    De broeikasgasuitstoot van Nederland en andere westerse landen moet in 2050 zijn afgenomen met meer dan 80 procent. Alleen dan kunnen de gevolgen van de klimaatverandering worden beperkt tot een acceptabel niveau. Nederland kan daarin slagen, mits het inzet op een mix van energiebesparing; biomassa, CO2 - opvang en opslag; en schone elektriciteit. Het is zaak de daarvoor benodigde innovatieve technologie op korte termijn verder te ontwikkelen en in de praktijk in te passen. Dit rapport verkent de routes naar een ander, schoner energiesysteem in 2050. Het beschrijft daarbij de rol van specifieke technieken, en schetst de belangrijke stappen die op korte termijn moeten worden gezet. (B30410)
     
  • Duyvendak, W., Het groene optimisme : het drama van 25 jaar klimaatpolitiek
    Amsterdam : Uitgeverij Bert Bakker, 2011. 358 p.
    In dit boek vertelt de auteur de politieke geschiedenis van de aanpak van de klimaatverandering vanuit het perspectief van de direct betrokkenen: de klimaatwetenschappers, de topambtenaren en ministers van VROM, de milieubeweging en de groene bedrijven. De focus ligt op Nederland. De auteur bespreekt ook de mondiale klimaatonderhandelingen, de rol van de Europese Unie en ontwikkelingen binnen de wereldwijde klimaatwetenschap, maar hij doet dat voor zover ze relevant zijn voor de Nederlandse gebeurtenissen. (B30365)
     
  • Kon. Ver. voor de Staathuishoudkunde; Antony, J. [et al.], De economische toekomst van Nederland : preadviezen 2011
    Amsterdam : Kon. Ver. voor de Staathuishoudkunde, 2011. 282 p.
    Bevat de volgende preadviezen:
    Het Nederlandse economische beleid in de komende jaren; De econoom in crisistijd: De tovenaarsleerling ontwaakt; Welke lessen leert de Grote Recessie ons voor macromodellen?; Financiële sector in crisis; Governance van macroprudentieel beleid; Europa en de Nederlandse welvaart; De Economische Monetaire Unie: uitkomsten en uitdagingen; Nationaal begrotingsbeleid moet Europese dimensie krijgen; Steden, grondprijzen en de lokale overheid; De hardnekkigheid van het Nederlandse productiviteitsprobleem. (B30329)
     
  • OECD, Forstering innovation for green growth
    Parijs : OECD, 2011. 126 p.
    Green growth studies
    Groene groei betekent het bevorderen van economische groei en ontwikkeling met de verzekering dat natuurlijke activa bronnen en milieudiensten blijven voorzien, waarop ons welbevinden vertrouwt. Toenemende zorg over de toekomstige duurzaamheid van economische groeipatronen leggen de nadruk op de vraag naar een groener groeimodel. Innovatie leidt tot nieuwe ideeën, nieuwe ondernemers en nieuwezakenmodellen en nieuwe banen. Innovatie is de sleutel naar het mogelijk hand in hand gaan van groen en groei. (B30198)
     
  • CBS, De Nederlandse economie 2010
    Den Haag : CBS, 2011. 310 p.
    In deze publicatie beschrijft en analyseert het Centraal Bureau voor de Statistiek elk jaar ontwikkelingen bij ondernemingen, huishoudens en de overheid, en ten aanzien van de arbeidsmarkt en het milieu. Verder wordt in thema-artikelen nader stilgestaan bij actuele economische onderwerpen. Bevat de volgende hoofdstukken: Macro-economisch overzicht; Arbeidsmarkt; Economie en milieu; Huishoudens; Ondernemingen; Overheid en zorg; Thema-artikelen: De Europese schuldencrisis; De werkelijkheid achter het inflatiecijfer; Aandeel dienstverlening niet verder toegenomen; De naoorlogse economische ontwikkeling van Nederland en Duitsland; De Nederlandse aardgaswinning; Het vervoer van en naar Nederland. (B30146)
     
  • ESVLA; Vitols, K.; Schütze, K. L [et al.] Industrial relations and sustainability : the role of social partners in the transition towards a green economy
    Dublin : ESVLA, 2011. 61 p.
    De studie onderzoekt best practice voorbeelden van de betrokkenheid van sociale partners bij de vergroening van de economie in de verschillende lidstaten. Het analyseert de rol van de vakbonden en werkgeversorganisaties evenals die van de werknemers, hun directe vertegenwoordigers en bedrijfsleiding in geselecteerde projecten op nationaal of lokaal niveau. Het rapport laat zien hoe een succesvolle bijdrage van de sociale partners aan de vergroening van de economie eruit kan zien en identificeert factoren waarmee rekening moet worden gehouden. (B30020)
     
  • OECD, Towards green growth: monitoring progress
    Parijs : OECD, 2011. 141 p.
    De voortgang van de omschakeling naar groene groei dient nauwlettend in de gaten te worden gehouden met een reeks indicatoren die veranderingen beschrijven en traceren wat betreft: (i) de productiviteit in het gebruik van milieu en natuurlijke rijkdommen, (ii) de beschikbare natuurlijke rijkdommen, (iii) de milieuaspecten van de levenskwaliteit en (iv) beleidsreacties en economische kansen. Voor elk van die groepen werd een lijst van indicators voorgesteld in dit rapport. (B29959)
     
  • OECD, Towards green growth
    Parijs : OECD, 2011. 142 p.
    Rapport over groene groei. Groene groei betekent dat economische groei en ontwikkeling worden nagestreefd zonder dat de voor ons welzijn zo belangrijke hulpbronnen en milieudiensten die de natuur ons verschaft overmatig worden geëxploiteerd. De omschakeling naar een dergelijke groene groei vereist investeringen en vernieuwingen, die tot duurzame groei zullen bijdragen en nieuwe economische kansen zullen creëren. Het rapport gaat in op de noodzaak van strategieën voor groene groei. Vervolgens wordt er een kader voor groene groei geschetst. Daarna wordt aandacht besteed aan het bevorderen van de omschakeling naar een groene groei. Hierbij wordt ingegaan op de gevolgen voor de arbeidsmarkt, de verdelingseffecten en de internationale samenwerking voor groene groei. Tot slot wordt ingegaan op het meten van de vooruitgang en op wat de volgende stappen in het proces zijn. (B29958)
     
  • Planbureau voor de Leefomgeving; Universiteit Maastricht; Alterra; Wageningen UR; Universiteit Utrecht; Backes, C. W. [et al.], Natura 2000 in Nederland : juridische ruimte, natuurdoelen en beheerplanprocessen
    Den Haag : PBL, 2011. 126 p.
    PBL-publicatienummer: 555084001
    Nederland neemt nog onvoldoende maatregelen om een verdere achteruitgang van de kwaliteit van de Natura 2000-gebieden te stoppen. Daardoor ontstaan allereerst risico‟s voor de soorten en habitats die Nederland op basis van Europese afspraken moet beschermen. Nederland kan in gebreke blijven wat betreft het halen van de doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Dit levert daarnaast ook andere risico‟s op voor Nederland. Beperkte budgetten kunnen bij de uitvoering van het Europese Natura 2000-beleid niet worden aangevoerd als reden om maatregelen niet uit te voeren. Dit zijn de belangrijkste conclusies die onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving, de universiteiten van Maastricht en Utrecht, en Alterra trekken in het rapport „Natura 2000 in Nederland: juridische ruimte, natuurdoelen en beheerplanprocessen‟. (B29948) 
     
  • Planbureau voor de Leefomgeving; Energieonderzoek Centrum Nederland; Verdonk, M.; Daniëls, B., Raming van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen 2011-2015
    Den Haag : PBL, 2011. 53 p.
    Beleidsstudie
    Nederland kan zijn internationale verplichtingen wat betreft de uitstoot van broeikasgassen tot en met 2015 zeer waarschijnlijk nakomen, deels door de aankoop van buitenlandse emissierechten. Voor de luchtverontreinigende stoffen ammoniak en stikstofoxiden is het onzeker of de verplichtingen worden gehaald. Deze conclusie trekken het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) in het rapport "Raming van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen 2011-2015". In dit rapport brengen zij in beeld wat de te verwachten uitstoot van broeikasgassen (vooral CO2, maar bijvoorbeeld ook methaan en lachgas) en luchtverontreinigende stoffen zal zijn in de periode 2011 tot en met 2015. Gekeken is of Nederland in die periode zal voldoen aan de verplichte Europese en internationale regels. (B29945)
     
  • Planbureau voor de Leefomgeving, Emissions and targets of greenhouse gases not included in the emission trading system 2013-2020 : analysis of the impact of the European effort sharing decision for the Netherlands
    Den Haag : PBL, 2011. 34 p.
    PBL publicatienummer: 500253003
    In dit rapport berekent het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor de periode 2013-2020 de jaarlijkse emissieplafonds voor de sectoren in Nederland die niet onder het Europese emissiehandelssysteem (ETS) vallen; de belangrijkste niet-ETS-sectoren zijn verkeer, de gebouwde omgeving en een deel van de landbouwsector. De berekening is gebaseerd op de rekenprocedures en gegevensbronnen zoals voorgesteld door de Europese Commissie in het kader van het Effort Sharing-besluit. Om de resultaten te kunnen duiden, wordt ter vergelijking ook een alternatieve berekening geïntroduceerd en geëvalueerd . Bovendien bevat dit rapport een beperkte actualisatie van de verwachte feitelijke uitstoot in 2020 door Nederlandse niet-ETS-sectoren. Daarnaast zijn de effecten onderzocht van onzekerheden die zijn gerelateerd aan het monitoren van de uitstoot van broeikasgassen bij het bepalen van de emissieplafonds en de verwachte feitelijke uitstoot. (B29944)
     
  • Planbureau voor de Leefomgeving; Energieonderzoek Centrum Nederland; Elzenga, H. E.; Daniëls, B. W., Effecten van voorgenomen beleid voor verlaging van de broeikasgasemissies van de niet-ETS-sectoren
    Den Haag : PBL, 2011. 20 p.
    Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft inschattingen gemaakt van het effect in 2020 van voorgenomen beleidsmaatregelen van het kabinet-Rutte en de Europese Commissie voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen van de sectoren die niet onder het Europese CO2-emssiehandelsysteem vallen (niet-ETS sectoren). Op verzoek van I&M hebben het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en ECN in deze briefnotitie de plausibiliteit van de inschattingen beoordeeld. (B29943)
     
  • Planbureau voor de Leefomgeving; Kok, M.; Brons, J.; Witmer, M., A global public goods perspective on environment and poverty reduction : implications for Dutch foreign policy
    Den Haag : PBL, 2011. 40 p.
    Background studies. PBL-publicatienummer: 555075001
    Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) moet internationale samenwerking bijdragen aan mondiale publieke goederen, zoals een stabiel klimaat, een rijke visstand in de oceanen, duurzaam beheerde tropische bossen, vrede en veiligheid. Realisering en beheer van mondiale publieke goederen vragen om samenwerking en coördinatie tussen landen. Beheersmaatregelen van individuele landen zullen bijvoorbeeld de overbevissing onvoldoende tegengaan. Nederland kan aan mondiale publieke goederen bijdragen vanuit eigen verantwoordelijkheid, belang en expertise. Op verzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft het Planbureau voor de Leefomgeving de aanbeveling van de WRR uitgewerkt voor milieubeleid en armoedebestrijding. (B29942)
     
  • Jolink, A. [et al.], Ooggetuigen van de crisis : Nederlandse economen tijdens de grote recessie
    Den Haag : Sdu, 2010. 180 p.
    De Nederlandse economie onderging in 2008 de grootste crisis na de Grote Depressie, en de economen keken toe. In 27 ooggetuigenverslagen doen Nederlandse economen hun eigen verhaal over de grootste economische gebeurtenissen van hun leven: de Grote Recessie. (B29725) 
      
  • Structurele Evaluatie Milieuwetgeving; ; Min. VROM; Min. SZW; Min. VWS; Vogelezang-Stoute, E. M. [et al.], Regulering van onzekere risico's van nanomaterialen : mogelijkheden en knelpunten in de regelgeving op het gebied van milieu, consumentenbescherming en arbeidsomstandigheden
    Arnhem : STEM, 2010. 362 p.
    STEM publicatie 2010/5
    Dit rapport bevat de resultaten van een onderzoek naar het reguleren van nanomaterialen. Onderzocht is welke mogelijkheden en beperkingen zich hiertoe voordoen in de regelgeving op het gebied van milieu, consumentenbescherming en arbeidsomstandigheden, gezien de onzekere risico’s die verbonden zijn aan het omgaan met nanomaterialen. Centraal staat de vraag welke bevoegdheden overheden hebben om productie, verwerking, gebruik en afvalfase van (producten met) nanomaterialen met onzekere risico’s te reguleren en welke verplichtingen bedrijven in verband hiermee hebben, teneinde de veiligheid van mens en milieu te waarborgen. De onderzoeksvragen zijn gericht op de onzekere risico’s van nanomaterialen en bestrijken de volgende onderwerpen: bevoegdheden om (risico-)informatie aan bedrijven op te vragen; bevoegdheden om voorschriften te stellen, bijvoorbeeld in het kader van vergunningen of algemene regels; bevoegdheden om maatregelen te nemen om producten van de markt te weren bij vermoedens van grote risico’s en de rol van het voorzorgsbeginsel hierbij; verplichtingen voor de werkgever om binnen het arbobeleid rekening te houden met onzekere risico’s van nanomaterialen; mogelijkheden in het kader van de Arbowet om bepalingen inzake het werken met nanomaterialen op te nemen; de aansprakelijkheid van werkgevers voor gezondheidsschade door het werken met nanomaterialen. (B29575)
     
  • United Nations; UNCTAD, World investment report 2010 : investing in a low-carbon economy
    Geneva : United Nations, 2010. 184 p.
    Aandacht voor een veelbelovend vooruitzicht. Na een aanzienlijke wereldwijde terugval is er een licht herstel met nog betere resultaten in 2011 en 2012. De focus ligt nu bij klimaatverandering en de rol van transnationale corporaties. Zij kunnen aanzienlijk bijdragen aan verlichting en aanpassing. (B29423)
     
  • Hiteq; Universiteit Utrecht; Lunstroot, O.; Kowalczyk, J.; Os, P. van; Velzen, W. van; Vries, G. de; Maatman, D., Groene welvaart? : biobased economy, wegwerpmaatschappij en cradle to cradle : verschillen, overeenkomsten, kansen en bedreigingen
    Hilversum : Hiteq, 2010. 85 p.
    Duurzame productie van biomassa kan de Nederlandse economie kansen bieden. Dat schrijven Hiteq-onderzoekers in de publicatie Groene Welvaart? Biobased economy, Cradle to Cradle en wegwerpmaatschappij. De onderzoekers concluderen onder meer dat een biobased economy Nederland kansen biedt omdat het land bijvoorbeeld zelf biomassa kan produceren en een biobased economy de uitstoot van schadelijke stoffen kan reduceren. Een van de bedreigingen die worden genoemd, is de mogelijkheid dat biomassa uiteindelijk niet duurzaam wordt geproduceerd, zodat aanwezige kansen niet worden benut. Hiteq heeft twee productieroutes onderzocht die uiteenlopende gevolgen hebben voor bedrijfsleven en onderwijs. (B29263)
     
  • Planbureau voor de Leefomgeving; Olivier, J.G. J.; Peters, J. A. H. W.
    No growth in total global CO2 emissions in 2009
    Bilthoven : PBL, 2010. 23 p.
    Ondanks de aanhoudende economische crisis is de wereldwijde uitstoot van kooldioxide, het belangrijkste broeikasgas, in 2009 gelijk gebleven. De sterke toename van CO2-uitstoot in snel groeiende ontwikkelingslanden als China en India doet de daling in de geïndustrialiseerde wereld volledig teniet. (B28946)
     
  • Planbureau voor de Leefomgeving; RIVM; Maas, C. W. M.; van der [et al.], Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2008 : national inventory report 2010
    Bilthoven : PBL, 2010. 229 p.
    PBL Report, nr. 500080017/2010
    Dit rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is op verzoek van het Ministerie van VROM opgesteld om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2010 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Dit rapport bevat de volgende informatie:
    Trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2008; Een analyse van zogenaamde sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies volgens de 'Tier 1'-methodiek van het IPCC-rapport over Good Practice guidance; Documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; Een overzicht van het kwaliteitssysteem en de validatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissieregistratie. Geconcludeerd wordt dat de emissies van de zes broeikasgassen, uitgedrukt in CO2 equivalenten, in 2008 in totaal met bijna 3% gedaald zijn ten opzichte van het basisjaar. (B28944)
      
  • Inst. for European Studies; Vrije Universiteit Brussel; Oberthür, S.; Pallemaerts, M.; Roche Kelly, C. [et al.], The new climate policies of the European Union : internal legislation and climate diplomacy
    Brussel : VUB press, 2010. 339 p.
    Bevat de volgende bijdragen:
    The EU's internal and external climate policies: an historical overview / Sebastian Oberthür and Marc Pallemaerts;
    The EU emissions trading system revised (Directive 2009/29/EC) / Jon Birger Skjoerseth and Jorgen Wettestad;
    From sharing the burden to sharing the effort: decision 406/2009/EC on member state emission targets for non-ETS sectors / Nuno Lacasta, Sebastian Oberthür, Eduardo Santos and Pedro Barata;
    The EU's new renewable energy directive (2009/28/EC) / Tom Howes;
    The legal framework for carbon capture and storage in the EU (Directive 2009/31/EC) / Joana Chiavari;
    Mitigating CO2 emissions from cars in the EU (Regulation (EC) No 443/2009) / Patrick ten Brink;
    The German paradox: climate leader and green car laggard / Christian Hey;
    Assessing EU assistance for adaptation to climate change in developing countries: a southern perspective / Jessica Ayers, Saleeumul Huq and Achala Chandani;
    The sustainability of the EU's model for climate diplomacy / Louise van Schaik;
    Russia and the international climate change regime / Wybe Th. Douma, Michael Kozeltsev and Julia Dobrolyubova;
    Public perceptions of climate change and energy issues in the EU and the United States / Camilla Adelle and Sirini Withana. (B28894)
     
  • CPB; Planbureau voor de Leefomgeving, Keuzes in kaart 2011-2015 : effecten van negen verkiezingsprogramma's op economie en milieu
    Den Haag : CPB, 2010.
    Bijzondere publicatie, nr. 85
    Op verzoek van negen politieke partijen (CDA, PvdA, SP, VVD, PVV, GroenLinks, ChristenUnie, D66 en SGP) hebben het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de effecten van de verkiezingsprogramma’s op economie en milieu in beeld gebracht. De publicatie presenteert de gevolgen van de partijprogramma's voor de overheidsfinanciën, de koopkracht en de werkgelegenheid. Ook zijn analyses gemaakt op het gebied van bereikbaarheid, energie en klimaat, natuur, onderwijs, woningmarkt en zorg. (B28795)

  • CPB; Planbureau voor de Leefomgeving, Bijlagen bij Keuzes in kaart 2011-2015
    Den Haag : CPB, 2010.
    Bijlagen bij Keuzes in kaart 2011-2015. De bijlagen per politieke partij geven een overzicht van de concreet voorgestelde beleidsmaatregelen. Daarnaast zijn er nog enkele bijlagen met toelichting op de aanpak van de analyse en met overzichten van de maatregelen en effecten van alle partijen op een bepaald beleidsterrein. (B28796)

  • ESVLA, Greening the European economy : responses and initiatives by member states and social partners
    Dublin : ESVLA, 2009.
    Het is duidelijk dat de groene agenda steeds belangrijker wordt in de meeste Europese landen. Tegelijkertijd lijken overheden en sociale partners steeds serieuzer bezig met dit onderwerp. Er zijn veel voorbeelden van activiteiten en initiatieven. Overzicht van ontwikkelingen. (B28571)

  • VROM-raad, Dynamiek in gebiedsgericht milieubeleid : ontwikkelen door herschikken
    Den Haag : VROM-raad, 2009.
    Advies, nr. 075
    De Raad heeft zich fundamenteel herbezonnen over de vraag hoe de spanning tussen milieu en ruimte kan worden opgelost. Wat moet er veranderen in het systeem opdat we zowel ruimtelijke ontwikkelingen kunnen faciliteren als de gewenste milieukwaliteit kunnen realiseren? De Raad is op zoek gegaan naar nieuwe oplossingsrichtingen waarbij het streven naar een goede kwaliteit van leven voorop blijft staan. (B28064)

  • ECN; CE Delft; Ecofys; TNO; Copernicus Inst.; Universiteit Utrecht, Effects of climate policies on emissions of air pollutants in the Netherlands
    Den Haag : ECN, 2008.
    ECN-report, ECN-E-08-064
    De maatregelen uit het Nederlandse klimaatprogramma 'Schoon en zuinig' hebben als doel de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Sommige leiden tot vermindering. Van een aantal andere maatregelen is het effect echter nog onzeker of onbekend. Om deze onzekerheden te kwantificeren zijn in 2008 onderzoeken uitgevoerd. Deze hebben aangetoond dat klimaatmaatregelen niet hoeven te leiden tot een daling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Het netto-effect van alle maatregelen uit het Nederlandse klimaatprogramma is echter gunstig voor de luchtkwaliteit. (B27640)

  • Sachs, J., Welvaart voor de wereld : economie voor een overbevolkte planeet
    Amsterdam : Business Contact, 2008.
    In 'Welvaart voor de wereld' stelt Sachs dat we dringend aan een nieuw economisch model toe zijn om aan de desastreuze gevolgen van de overbevolking op onze planeet te ontsnappen. Volgens Sachs moet het nieuwe model mondiaal zijn, een coöperatieve grondslag hebben en milieubewust zijn. Sachs betoogt dat we ons alleen van welvaart kunnen verzekeren als we duurzame projecten en technologie ontwikkelen en verspreiden, de wereldbevolking stabiliseren en de allerarmsten – een miljard mensen – helpen te ontsnappen uit de valstrik van armoede. Hij voorspelt dat ogenschijnlijk softe thema’s als milieu, volksgezondheid, bevolkingsgroei en armoede de komende jaren zullen uitgroeien tot politieke breekpunten. Sterker nog: ze zullen doorslaggevend worden als het gaat om oorlog of vrede.
    Het idee van landen die strijden om macht, natuurlijke grondstoffen en internationale afzetmarkten is passé. Volgens Sachs staat een tijdperk van wereldwijde samenwerking voor de deur, ook al ontbreekt het vertrouwen daarin momenteel. Als regeringen, ondernemingen en bevolkingsgroepen zich verenigen, kan iedereen op aarde in vrede en welvaart leven. Een haalbaar doel, schrijft Sachs, maar met onze huidige economische denkwijze bereiken we dat niet. (B27277)

  • Lof, E., Groei en bloei : economie is goed voor het milieu
    Amsterdam : Nieuw Amsterdam, 2008.
    Is economische groei echt zo schadelijk voor milieu en klimaat als de media en de milieubeweging ons willen doen geloven? Volgens de auteur berust die suggestie op een misverstand. Milieu- en klimaatbeleid kunnen alleen effectief zijn wanneer ze gebaseerd zijn op een nuchtere en realistische afweging van kosten en baten. (B27242)

  • Millieu- en Natuur Planbureau; Planbureau voor de Leefomgeving; [et al.], Lessen uit mondiale milieuverkenningen
    Bilthoven : Planbureau voor de Leefomgeving, 2008.
    Dit rapport trekt lessen uit vier mondiale verkenningen op het gebied van milieu en duurzame ontwikkeling die in 2007-2008 verschenen. Bij de huidige trends worden mondiale ontwikkelings- en milieudoelen niet gehaald. De analyses in IPCC Climate Change 2007, de UNEP Global Environment Outlook 4, de OECD Environmental Outlook en de IAASTD Agriculture Assessment laten zien dat snelle actie van landen wereldwijd nodig is om internationaal vastgestelde doelen te kunnen halen. Concurrentie om land is een nieuw thema voor internationaal beleid, dat uit de verkenningen naar voren komt. De verkenningen concluderen dat veel oplossingen bekend zijn en dat mogelijke maatregelen in beginsel betaalbaar zijn. Dit rapport analyseert twee belangrijke mondiale aandachtsgebieden: ‘landbouw, voedsel en biodiversiteit’ en ‘energie, klimaat en luchtverontreiniging’. In een intermezzo wordt ingegaan op bio-energie en biobrandstoffen in de vier verkenningen. Internationale samenwerking is nodig om deze duurzaamheidsproblemen op te lossen, maar komt slechts moeizaam tot stand. Dat lukt alleen door overeenstemming te bereiken over doelen en verdeling van de kosten en baten. Op basis van een analyse van de verkenningen concludeert dit rapport dat Nederland en Europa daarbij vooral kunnen inzetten op het vormen van internationale coalities, versterking van de bestuursstructuren voor duurzame ontwikkeling, de verduurzaming van productie- en consumptieketens en het versterken van samenhang in beleid. (B27094)

  • IMF, Food and fuel prices : recent developments, macroeconomic impact, and policy responses
    Washington : IMF, 2008. 58 p.
    IMF rapport over de invloed van de prijsstijgingen van voedsel en olie. Het IMF stelt dat de sterke
    stijging van de voedsel- en brandstofprijzen de economische stabiliteit van veel arme landen
    bedreigt. De hele wereld heeft volgens het IMF last van de explosief gestegen prijzen van olie en
    voedsel, maar de pijn wordt het sterkst gevoeld in arme landen die afhankelijk zijn van de import
    van voedsel en olie (B26965)
     
  • Min. EZ: Programmacie Zuidvleugel, Pieken in de Zuidvleugel 2008
    Den Haag : Min. EZ, 2008. 27 p.
    Programmadocument Zuidvleugel. Dit document bevat het gebiedsgerichte economische programma voor de Zuidvleugel van de Randstad voor 2008. Dit programma is gebaseerd op de nota Pieken in de Delta van het ministerie van Economische Zaken. Allereerst wordt de onderbouwing voor de gekozen focus in het Programma Zuidvleugel gepresenteerd. Vervolgens wordt het programma in termen van doelstellingen, programmalijnen en acties beschreven. (B26990)
     
  • Min. EZ; Programmacie Noordvleugel Randstad, Pieken in de Noordvleugel : uitbouw van de internationale dienstverlening 2008 Den Haag : Min. EZ, 2008. 29 p.
    Programmadocument Noordvleugel Randstad. Dit document omvat het gebiedsgerichte economische programma 2008 voor de Noordvleugel van de Randstad. Het programma is gebaseerd op de nota Pieken in de Delta van het ministerie van Economische Zaken. Het document beschrijft allereerst het economische profiel en de doelstellingen voor Noordvleugel Randstad binnen Pieken in de Delta evenals de uitwerking daarvan. Vervolgens bevat het document het Programma Noordvleugel Randstad zelf, dat bestaat uit doelstellingen, programmalijnen en acties (B26889)
     
  • United Nations Environment Programme, Global environment outlook GEO4 : environment voor development
    UNEP, 2007.
    Vierde editie van het milieurapport van de United Nations Environment Programme (UNEP) milieurapport. De Global Environment Outlook constateert een achteruitgang op alle fronten. Broeikaseffect en klimaatverandering worden als het grootste gevaar gezien. De VN heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van de veelal verslechterende milieuveranderingen voor de mondiale kwaliteit van leven. In veel gevallen zijn het de armen, ouderen, kinderen, vrouwen en de lokale bevolking die het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van milieuveranderingen. De geïndustrialiseerde landen wentelen volgens de VN hun milieuproblemen te veel af op de ontwikkelingslanden. (B26238)

  • OECD, OECD environmental outlook to 2030
    Parijs : OECD, 2008.
    Milieuverkenning van de OESO. Het rapport analyseert de economische ontwikkelingen en de ontwikkelingen op milieugebied tot 2030 en en geeft simulaties van politieke maatregelen om de belangrijkste uitdagingen op milieugebied een antwoord te bieden. Het eerste deel van het rapport gaat in op de milieuverwachtingen bij beleidsinactiviteit. Het rapport bespreekt daartoe de aanleidende factoren voor milieuveranderingen: consumptie, productie en technologie; demografische veranderingen; economische ontwikkelingen; globalisering; urbanisatie. Vervolgens komt aan de orde de impact van veranderingen in het milieu op: klimaat, luchtvervuiling, biodiversiteit, water, verspilling, gezondheid en milieu, alsmede de kosten van beleidsinactiviteit. Het tweede deel van het rapport gaat in op mogelijke beleidsmaatregelen. Besproken worden de sectorale ontwikkelingen en beleidsinstrumenten voor de volgende sectoren: landbouw, visserij en aquacultuur, transport, energie, chemicaliën, staal en cement, pulp en papier, toerisme, en de mijnindustrie. Tot slot wordt gekeken hoe de verschillende beleidsinstrumenten gecombineerd kunnen worden om de milieuproblemen aan te pakken, welke instituties en benaderingen er zijn voor de uitvoering van beleid en hoe er wereldwijd kan worden samengewerkt. Geconcludeerd wordt dat zonder nieuw beleid, we het gevaar lopen onomkeerbare schade toe te brengen aan het milieu en de natuurlijke hulpbronnen die nodig zijn ter ondersteuning van de economische groei en welzijn. Niets doen is duurder is dan nu investeren in milieumaatregelen. Maar uit de Outlook blijkt ook dat het aanpakken van de belangrijkste milieuproblemen waarmee we vandaag worden geconfronteerd - inclusief klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, waterschaarste en de gezondheidseffecten van verontreiniging - zowel haalbaar als betaalbaar zijn. Het signaleert een mix van beleid dat deze uitdagingen op een kosteneffectieve manier aan kan. Volgens OECD moeten ook de opkomende economieën als Brazilië, China, India en Rusland delen in de kosten voor milieubeleid. De zogenoemde BRIICS-landen (Brazilie, Rusland, India, Indonesië, China en Zuid-Afrika) dragen in de komende decennia bij aan de problemen en ondervinden er ook de gevolgen van. (B26625)

  • St. Natuur en Milieu; FNV, De groene schatkist : vijftien belastingvoorstellen voor milieu en innovatie
    Utrecht : St. Natuur en Milieu, 2006.
    Belastingplan van FNV en Stichting Natuur en Milieu. Het nieuwe belastingplan omvat een lastenverschuiving van 10 miljard euro van belasting op arbeid naar belasting op milieugebruik. De FNV en Stichting Natuur en Milieu pleiten voor een ingrijpende belastingherziening in de komende kabinetsperiode, die is gericht op vergroting van arbeidsdeelname, het stimuleren van duurzame ontwikkeling, versterking van de economie en het innovatievermogen, en een rechtvaardige inkomensverdeling. Er is per saldo geen sprake van belastingverhoging. In het rapport 'De groene schatkist' worden vijftien voorstellen gedaan voor belastinghervormingen die bijna allemaal in één of meerdere EU-landen zijn ingevoerd. Het gaat hierbij om voorstellen als het extra belasten van verpakkingsmateriaal, batterijen en bestrijdingsmiddelen, en het invoeren van een open-ruimteheffing. Daarnaast zijn er ook fiscale maatregelen nodig om milieuonvriendelijke vormen van mobiliteit extra te belasten, zoals een ticketheffing voor vliegverkeer, de invoering van kilometerprijzen, het verhogen van de belastingen op bestel- en vrachtauto’s en het verhogen van dieselaccijns. Met de groene belastingopbrengsten kunnen de tarieven voor de eerste twee belastingschijven fors omlaag, tot onder het niveau van de belastingherziening in 2001. (B25337)

  • Duyvendak, W.; Halsema, F.; GroenLinks, Ekonomie : inspiratie voor groene innovatie
    Den Haag : GroenLinks, 2006.
    GroenLinks wil een doorbraak in de groene politiek. Een nieuw kabinet moet zorgen voor groene innovatie en gebruik maken van inspirerende groene ontwikkelingen in binnen- en buitenland. Nederland kan zich zo ontwikkelen tot een GreenValley aan de Noordzee. Een economie die de innovatieve kracht van Silicon Valley combineert met de ambities van moderne groene politiek. (B25106)

  • SEO; Koopmans, C.; Min. Financiën, De waarde van normen : essay over kosten-batenanalyse van milieubeleid : eindrapport
    Amsterdam : SEO, 2006.
    SEO-rapport, nr. 892
    Maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) wordt steeds vaker gebruikt om nieuwe infrastructuur en ander overheidsbeleid te beoordelen. Dit roept de vraag op of de MKBA aanpak ook kan worden toegepast op milieunormen. Dit rapport verkent de mogelijkheden. Het rapport beperkt zich tot 'gerichte’ normen, waarbij duidelijk is op welke sector en op welk aspect van productie of consumptie de norm zich richt. Van meer algemene normen kan pas een MKBA worden gemaakt als zij zijn vertaald in gerichte maatregelen. Geconcludeerd wordt dat MKBA geschikt is om de verschillende effecten van gerichte milieunormen systematisch in beeld te brengen, en om de effecten onderling vergelijkbaar te maken. Wel moeten sommige aspecten nader worden uitgewerkt, zoals de waardering van milieurisico’s en de discontering van milieubaten. (B24906)

  • OECD, Economic valuation of environmental health risks to children
    Parijs : OECD, 2006. 310 p.
    Onderzoek naar de milieu-invloed op de gezondheid van kinderen. (B24790)

  • Milieu- en Natuurplanbureau, Beoordeling maatregelenpakket toekomstagenda milieu
    Bilthoven : MNP, 2006. 24 p.
    Rapportnr. 500085002
    In dit rapport geeft het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP), mede op verzoek van het ministerie van
    VROM, een beoordeling van de effecten van het maatregelenpakket uit de Toekomstagenda Milieu
    om in 2010 milieudoelen te bereiken. Het Kabinet houdt vast aan bestaande doelen voor het milieubeleid, zoals geformuleerd in NMP4 en de nota ‘Vaste waarden, nieuwe vormen’. De Milieubalans van 2006 geeft aan dat - met het vastgestelde milieubeleid en tegen een hoog economisch groeiscenario - veel van deze doelen niet gehaald worden in het afgesproken jaar (veelal 2010). Met de Toekomstagenda Milieu wil het Kabinet deze milieudoelen alsnog realiseren. Als de voorgenomen maatregelen uit de Toekomstagenda daadwerkelijk worden gefinancierd en geïnstrumenteerd, dan zullen de 2010-beleidsdoelen voor klimaat (Kyoto Protocol) en emissies naar lucht waarschijnlijk alsnog worden gehaald. (B24792)

  • Min. VROM, Toekomstagenda milieu : schoon, slim , sterk
    Den Haag : Min. VROM, 2006.
    Toekomstagenda Milieu. Deze nota die volgt op het 4e Nationale Milieubeleidsplan (NMP), beschrijft de manier waarop dit kabinet uitvoering geeft aan het nationale milieubeleid en doet voorstellen waardoor het beleid ook op de lange termijn houdbaar is. (B24757)

  • CPB; Nahuis, R.; Tang, P.J.G., Environmental Policy Competition and Differential Tax Treatment : A Case for Tighter Coordination
    Den Haag : CPB, 2005.
    CPB discussion paper nr. 50
    Het Kyoto protocol legt het niveau van emissies van broeikasgassen in deelnemende landen vast. Het legt echter niet op hoe landen dit niveau dienen te bereiken. De economische kosten van het bereiken van de emissiedoelstellingen worden in het algemeen laag ingeschat. Evaluaties met toegepaste algemeen-evenwichtsmodellen schatten de kosten, bijvoorbeeld, op ongeveer 0,2 tot 0,5 % van het BBP, wanneer tussen overheden internationale handel in emissierechten wordt toegestaan. In dit artikel laten we zien dat in zulke analyses belangrijke kosten over het hoofd gezien worden omdat overheden geneigd zullen zijn voor verstorende belastingregimes te kiezen. Dit artikel toont aan dat overheden in het algemeen kiezen voor verschillende energiebelastingtarieven voor huishoudens en voor internationaal opererende bedrijven. De oorzaak hiervan is belasting- of vervuilingsconcurrentie. Bij belastingconcurrentie proberen overheden elkaar te onderbieden met het belastingtarief om hun land aantrekkelijk te maken als locatie voor vervuilende industrie. In het tweede geval trachten ze vervuilende industrie het land uit te werken. In beide gevallen zijn de prikkels voor bedrijven en huishoudens om energie te besparen verschillend aan de marge. In beide gevallen zou verdergaande coördinatie van milieubeleid wenselijk zijn; coördinatie die verder gaat dan de combinatie van het opleggen van een plafond aan broeikasgasemissies en internationale handel in emissierechten tussen overheden. (B24666)

  • Inst. Clingendael; [et al.]., Nederland en de totstandkoming van EU-milieurichtlijnen : eindrapport
    Den Haag : Clingendael, 2005. 30 p.
    De afgelopen jaren is Nederland herhaaldelijk verrast door de consequenties van Europese milieuregels. Het Clingendael European Studies Programme heeft onderzoek gedaan naar de oorzaken van dreigende implementatieproblemen van EU-richtlijnen. Aan de hand van interviews en dossierstudie zijn de onderhandelingen rond twee recente richtlijnen over luchtkwaliteit (1999/30/EG) en energieprestaties van gebouwen (2002/91/EG) gereconstrueerd. De centrale vraag daarbij was in hoeverre de implementatieproblemen ten tijde van de totstandkoming van de richtlijnen te voorzien waren. Het Clingendael-rapport beveelt aan om reeds tijdens de onderhandelingen over nieuwe EU richtlijnen te beginnen met het opstellen van een nationaal 'implementatieplan' en van eventueel aanvullend beleid. Het eerstverantwoordelijke departement kan daarbij een actievere rol spelen in het betrekken van andere ministeries, provincies en gemeenten. Door de politieke leiding kunnen Europese richtlijnen en hun mogelijke consequenties eerder als al dan niet controversieel worden ingeschat. Ook de Tweede Kamer zou deze beoordeling reeds ten tijde van de onderhandelingen moeten maken. Om dit te bewerkstelligen is een beter samenspel tussen het ambtelijk traject en de politieke fase noodzakelijk. (B24498)

  • European Environment Agency, The European environment : state and outlook 2005
    Luxemburg : EG, 2005.
    Derde rapport over de huidige situatie en toekomst van het milieu in Europa. Het rapport is opgebouwd uit 4 delen. Deel A geeft een geïntegreerde beoordeling van de milieusituatie. Deel B beschrijft de indicatoren: luchtverontreiniging en vermindering van de ozonlaag; biodiversiteit; klimaatverandering; land; verspilling; water; landbouw; energie; visserij en transport. Deel C bevat landenstudies en geeft een analyse per land van negen kernindicatoren: broeikaseffect, totaal energiegebruik; duurzame elektriciteit, uitstoot van oxide, uitstoot van ozon precursors; de vraag naar vrachtvervoer, aandeel in biologische landbouw, verspilling, en gebruik van zoetwater bronnen. Landen die in het rapport aan bod komen: De EU-25 (België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden) en Bulgarije, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Roemenië en Turkije. Deel D tot slot bevat een overzicht van publicaties van het Europees Milieuagentschap. (B24480)

  • Milieu en Natuur Planbureau; MERIT; [et al.], Nederlands beleid voor milieu-innovatie
    Bilthoven : MNP, 2005.
    Rapport nr. 500051001/2005
    Innovatie wordt vaak gezien als een middel om milieudoelen te bereiken. Milieudoelstellingen raken dan ook steeds verder geintegreerd in het innovatiebeleid. Deze beleidsintegratie van milieu en innovatie kan vanuit de reguliere economische theorie onderbouwd worden: overheidsingrijpen wordt in dit kader gelegitimeerd door marktfalen en door systeemfalen. De overheid kan daarbij verschillende rollen spelen. Milieu-innovaties kunnen worden gestimuleerd door aanbodgestuurd beleid (technology push), door het versterken van de vraag naar dergelijke innovaties (demand pull) of door als een makelaar het innovatiesysteem soepeler vorm te geven, bijvoorbeeld door verschillende partijen samen te brengen. Een groot aantal beleidsinstrumenten is ontwikkeld om aan deze verschillende rollen invulling te geven. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt naar generiek innovatiebeleid en naar specifiek milieugericht beleid. In de laatste jaren is een verschuiving zichtbaar van specifiek beleid naar steeds generieker innovatiebeleid. Dit rapport probeert de effecten van deze verschuiving te duiden. Daarnaast is de voorzichtige opkomst zichtbaar van systeeminstrumenten, zoals in het kader van het transitiebeleid. Dit rapport biedt twee case studies over windturbineproductie en anaerobe waterzuivering in Nederland, om de barrieres en kansen in het innovatiesysteem aan te kunnen tonen. (B24374)

  • Vollebergh, H; [et al.], Milieubeleid en technologische ontwikkeling in de Nederlandse economie
    Den Haag : SDU, 2004.
    Dit boek analyseert recente inzichten op het snijvlak van technologische ontwikkeling en milieu. In het bijzonder staat de vraag centraal hoe een voortgaande economische groei kan samengaan met een vermindering van het milieubederf. Voor Nederland in het bijzonder is dit een lastige vraag aangezien een belangrijk deel van onze bedrijvigheid zich afspeelt in energie-intensieve sectoren die ook nog eens aan een sterke internationale concurrentie zijn blootgesteld. De auteurs, afkomstig van tal van Nederlandse universiteiten, richten zich in elk van de in dit boek opgenomen bijdragen op dit actuele, voor Nederland van groot belang zijnde vraagstuk. Aan de orde komen recente inzichten in de theorie omtrent innovatie en adoptie van nieuwe technologie, het concept transitiemanagement en het belang van onzekerheid voor de beslissing om al of niet te investeren in milieuvriendelijke technieken. Verder wordt veel aandacht besteed aan typische kenmerken van de Nederlandse economie en de gevolgen hiervan voor het ontwerp van technologie- en milieubeleid en hun interactie. Bevat de volgende hoofdstukken en bijdragen: 1. Milieu, energieverbruik en technologische ontwikkeling; Deel I. Barrières bij de ontwikkeling en diffusie van nieuwe technologie: 2. Technologische transities en duurzaamheid; 3. Dynamiek van technologie-ontwikkeling: innovatie, adoptie en diffusie; 4. Stimuleren van adoptie van milieubesparende technologieën: welk instrument, wanneer?; 5. Over de wisselwerking tussen milieu- en technologiebeleid; Deel II Energiegebruik en beleidsinstrumenten in Nederland: 6. De energie- en arbeidsproductiviteit van Nederland in internationaal perspectief; 7. Energiebelastingen en heterogeniteit; 8. Effectiviteit van energie-investeringssubsidies voor technologiekeuze; 9. Sociotechnische scenarios als hulpmiddel voor transitiebeleid: een illustratie voor het domein van personenmobiliteit; 10. Milieu- en technologiebeleid in een kleine open economie; Deel III Epiloog: 11. Milieu en technologie: lessen voor het beleid (B23649)

  • RIVM, Outstanding environmental issues : a review of the EU's environmental agenda
    Bilthoven : RIVM, 2004.
    Het rapport evalueert de toestand van het Europese milieu en de effectiviteit van het Europese milieubeleid. Het rapport bevat hoofdstukken over: De kwaliteit van groei; klimaatverandering en energie, grondstoffen en verspilling, natuur en biodiversiteit, volksgezondheid en milieu; de Europese burger en het milieu. Het rapport concludeert dat het Europese milieubeleid van de afgelopen decennia heeft geleid tot investeringen in de economie waarvan ook de gezondheid van mensen en de natuur geprofiteerd hebben. Toch blijft het milieu in Europa om aandacht vragen. Dit geldt in het bijzonder voor de klimaatverandering, het verlies aan natuur en de luchtvervuiling in stedelijke gebieden. Implementatie en handhaving van bestaand EU-beleid in de lidstaten kan nog veel milieu- en natuurwinst opleveren. Om de Europese milieudoelen te halen, zal nieuw beleid zich moeten richten op de stimulering van schone en energiezuinige technieken. Daarnaast is een betere afstemming van de Europese financiering voor landbouwproductie en natuurbeheer nodig. De belangrijkste uitdaging voor het Europese milieubeleid blijft het opnemen van milieu- en natuurbescherming in de prijzen van producten. (B24014)

  • United Nations; Economic Commission for Europe, Economic survey of Europe 2003, no. 2
    New York : UN, 2003.
    Rapport over de economische situatie in West-Europa, Oost-Europa, Noord-Amerika en het Gemenebest van onafhankelijke staten. Centraal staat dit keer het thema duurzame ontwikkeling. aan de orde komen de relatie tussen economische groei en het milieu, en de gevolgen van duurzame ontwikkeling voor de sectoren energie en transport. Het laatste deel bevat statistische gegevens. (B22759)

  • CPB; [et al.], Explaining Dutch emissions of CO2 : a decomposition analysis
    Den Haag : CPB, 2003.
    Discussion paper, nr. 24
    De Nederlandse overheid zal nog een grote beleidsinspanning moeten leveren om te kunnen voldoen aan de Kyoto-verplichting om in 2010 de emissies van broeikasgassen met 6% te verminderen ten opzichte van de hoeveelheid uitstoot in 1990. Het terugdringen van deze emissies behoort tot de hardnekkigste milieuproblemen omdat met name de uitstoot van kooldioxide (CO2) nauw verbonden is met de groei van de economie. Doordat vooral de op export gerichte sectoren zorgen voor de toename van de CO2-emissies, moeten beleidsmaatregelen om de uitstoot te reduceren in internationaal verband plaats vinden. Het Europese systeem van emissiehandel dat met ingang van 2005 gaat starten, biedt voor Nederland grote kansen. (B22228)

  • Universiteit Wageningen; Alterra Green World Reseach; LEI, The unifying power of sustainable development : towards balanced choices between people, planet and profit in agricultural production chains and rural land use : the role of science
    Wageningen : University and Research Centre, 2003.
    WUR-report sustainable development
    Dit rapport gaat in op de oorsprong en de betekenis van duurzame ontwikkeling op verschillende terreinen en hun interactie, uitgedrukt in de drie-eenheid People, Planet, Profit. Drie case studies illustreren de diverse moeilijkheden en de mogelijkheden om een drievoudige duurzaamheid te bereiken. Het rapport is verschenen naar aanleiding van 85 jaar Universiteit Wageningen. (B22220)

  • Eijgelshoven, P. J.; [et al.], Milieu tussen markt en overheid : liber amicorum voor prof. dr. A. Nentjes
    Groningen : Wolters-Noordhoff, 2003.
    In Milieu tussen markt en overheid analyseren verschillende auteurs het Nederlandse milieubeleid tegen de achtergrond van de economische theorie. Aan de orde komen het sinds het bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden gevoerde milieubeleid becommentarieerd vanuit het gezichtspunt van het decentralisatietheorema; de baten van het milieu; marktinstrumenten en regelgeving; de voorkeur van belangengroepen voor bepaalde instrumenten, verklaard vanuit de politieke economie; de voorkeur van de overheid voor bepaalde instrumenten, geanalyseerd vanuit de evolutionaire economie; het subsidiariteitsbeginsel bij de afbakening tussen nationaal en Europees milieubeleid. Naast deze algemeen theoretische onderwerpen bevat het boek verhandelingen over economische aspecten van verzuring; klimaatbeleid; watervoorziening en de betekenis van beleid en economische instrumenten bij de totstandbrenging van technologische veranderingen. Opgenomen zijn de volgende titels: 1. Laat de markt het vuile werk doen; 2. De druk van de Nederlandse economie op het milieu: 1813-2000; 3. De prijs van het milieu; 4. Marktconforme instrumenten in het Nederlandse milieubeleid; 5. Belangengroepen en milieubeleid; 6. Implementatie en pad-afhankelijkheid van marktgericht milieu-beleid; 7. Nationaal milieubeleid in Europees perspectief; 8. Economische aspecten van verzuring; 9. Marktconforme instrumenten in het klimaatbeleid; 10. Nentjes-effect prikkelt watersector; 11. Milieu-innovatie. (B22171)

  • RIVM; Wageningen Universiteit en Researchcentrum; ECN; Milieu-en Natuurplanbureau, Milieu- en natuureffecten hoofdlijnenakkoord kabinet Balkenende-2
    Bilthoven : RIVM, 2003.
    RIVM rapport, nr. 500013002
    In deze evaluatie is gekeken hoe bezuinigingen en intensivering van milieu- en natuuruitgaven op de begroting 2004 zich verhouden tot de begroting 2003 van het kabinet Balkenende-1. Daarnaast zijn beleidswijzigingen uit het Hoofdlijnenakkoord en de begroting bekeken in het licht van langere termijn trends in het milieu- en natuurbeleid. In de begroting 2004 wordt tevens vooruitgekeken naar de periode 2005-2008. Net als in het Hoofdlijnenakkoord is de regeerperiode van 4 jaar (2004-2007) als uitgangspunt genomen voor de evaluatie. (B22054)

  • RIVM: Milieu- en Natuurplanbureau; Min. VROM; Hollander, G. den; Hanemaaijer, A., Nuchter omgaan met risico's
    Bilthoven : RIVM, 2003.
    RIVM rapport, nr. 251701047/2003
    Bij het beheersen van milieurisico’s moet de politiek regelmatig de afweging maken tussen rechtvaardigheid en betaalbaarheid. Hiervoor heeft het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM een systematiek ontwikkeld als startpunt voor de politieke discussie. De systematiek biedt handvatten om op een transparante en te verantwoorden manier te komen tot beschermingsniveaus. Wezenlijk is dat hierin de beleving van risico’s door de burger en de kosten van risicovermindering zijn meegenomen. De te aanvaarden risico’s zouden bij zo’n ‘nuchtere’ aanpak niet overal gelijk hoeven te zijn, maar in bepaalde situaties kunnen afwijken van een algemeen geldend beschermingsniveau. (B22055)

  • Natuurplanbureau; LEI; Plant Research Intern.; [et al.], Trendverkenningen Nederlandse landbouw
    Wageningen : Natuurplanbureau, 2002.
    Planbureaustudies, nr. 4
    Deze studie omvat vijf essays waarin de wegen worden verkend waarlangs de Nederlandse land- en tuinbouw en zeevisserij zich de komende decennia zou kunnen ontwikkelen. De concepten zijn eind 2002 afgesloten. In het eerste essay 'Stuwende schaarste' worden de drijvende krachten achter de ontwikkeling van de Nederlandse land- en tuinbouw in de afgelopen vijftig jaar beschreven en wordt nagegaan hoe deze factoren zich de komende jaren zullen ontwikkelen en hoe zij de gang van zaken in de land- en tuinbouw zullen beïnvloeden. De overige essays verkennen via het doortrekken van een aantal van deze trends de wijzen waarop de verschillende sectoren in de land- en tuinbouw (veehouderij, akkerbouw, opengrondstuinbouw) en de Noordzeevisserij zich de komende decennia zouden kunnen ontwikkelen en de effecten hiervan op natuur en landschap. (B22059)

  • WRR, Naar nieuwe wegen in het milieubeleid
    Den Haag : SDU, 2003.
    Rapporten aan de regering, nr. 67
    Het beleid van de Nederlandse overheid is niet afdoende voor de milieuproblemen die zich in de (nabije) toekomst zullen voordoen. Voor nog openstaande en nieuwe milieuproblemen, zoals de problematiek van de klimaatverandering en de afnemende biodiversiteit, kan niet worden uitgegaan van de bestaande, vertrouwde beleidsconcepten. Deze pasten wel bij de zintuiglijk waarneembare milieuproblemen, zoals stank, geluidshinder of verontreinigd zwemwater. Maar bij de nieuwe problemen doen de effecten zich niet hier en nu voor, en is er daardoor nog geen gevoel van maatschappelijke urgentie. Voor de vorming van nieuw milieubeleid zijn volgens de raad kennisontwikkeling, maatschappelijke inbedding van die kennis, en een goede schakeling tussen het nationale en internationale – vooral Europese – niveau van belang. (B21776)

  • WRR; [et al.], Milieubeleid in een veranderende context : zes voorbeelden
    Den Haag : WRR, 2003.
    Werkdocumenten, nr. W134
    Werkdocument bij het rapport 'Naar nieuwe wegen in het milieubeleid' In dit werkdocument worden zes cases behandeld die in relatie staan tot de uitkomsten van het rapport. De geselecteerde casussen worden naar de aard van de problematiek geordend in drie paren. ‘Luchtverontreiniging in Rijnmond’ en ‘Uitbreiding Schiphol’ zijn casussen waarin vooral de hinder van industriële en commerciële activiteiten voor omwonenden centraal staat. De ‘Vogelrichtlijn’ en ‘Stikstof in de landbouw’ zijn casussen waarin de verhouding tussen het Nederlandse en het Europese beleid centraal staat, wat zich uit in conflicten over de implementatie van Europese richtlijnen. Bij de laatste twee casussen, ‘Klimaatverandering’ en ‘Risico’s van chloorhoudende verbindingen’, staat wetenschappelijke onzekerheid over de ernst van het probleem, de mogelijke oorzaken en de effectiviteit van mogelijke maatregelen centraal. (B21777)

  • European Environment Agency, Europe's environment : the third assessment
    Kopenhagen : EEA, 2003.
    Envirnometal assesment report, nr. 10
    Internationale milieubalans Het rapport beschrijft de situatie van het milieu in 52 landen, waaronder de 15 lidstaten van de Europese Unie, landen uit Centraal en Oost Europa, de Kaukasus en Centraal- Azië. Het rapport is opgesteld voor de ministeriële conferentie 'Environment for Europe' van 21-23 mei in Kiev. Op deze conferentie wordt onder andere gesproken over investeringen in oostelijke landen om het milieu te verbeteren. Een van de belangrijkste conclusies uit deze derde internationale milieubalans is dat in de afgelopen tien jaar het milieu in Europa in verscheidene opzichten is verbeterd, maar een flink deel van de vooruitgang waarschijnlijk door economische groei teniet zal gaan. Regeringen moeten nog altijd wezenlijke maatregelen nemen om milieudruk los te koppelen van economische activiteit. Ook aanwezig de Nederlandstalige samenvatting (B21660) Het milieu in balans.
    (B21659)

  • VROM-raad, Milieu en economie : ontkoppeling door innovatie
    Den Haag : VROM-raad, 2002.
    Advies, nr. 36
    In dit advies wordt en strategie gepresenteerd voor het wegnemen van de spanning tussen 'milieu en economie. Dit advies bouwt voort op de lijn van het NMP4 waarin over dit thema twee zaken centraal staan: ten eerste de internalisering van de milieukosten en ten tweede het veranderingsproces, waarvoor het concept transitiebeleid is geïntroduceerd. Het advies start met een probleemanalyse. Voor vier typen milieuproblemen wordt in kaart gebracht in hoeverre absolute ontkoppeling noodzakelijk en haalbaar is: emissies en afval, uitputting van niet-vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, gebruik van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, en aantasting van natuur en landschap in Nederland. Daarna staat het draagvlak dat zich richt op ontkoppeling centraal. Onderzocht is hoe Nederlanders aankijken tegen het spanningsveld 'milieu en economie'. Vervolgens worden verschillende aangrijpingspunten voor ontkoppeling onderzocht: bevolkingsomvang, productmix en eco-efficiency. Uit onderzoek komt naar voren dat inzetten op een forse eco-efficiencyverbetering het meest geschikte aangrijpingspunt is. Gepresenteerd wordt een tweeledige strategie om tot een forse eco-efficiencyverbetering te komen die tevens op een breed maatschappelijk draagvlak kan rekenen. De kern is dat langs twee lijnen innovaties worden bevorderd die bijdragen aan eco-efficiencyverbetering. De eerste lijn die besproken wordt is eco-efficiencyverbetering via internalisering van milieukosten. De tweede lijn is eco-efficiencyverbetering via innovatiebeleid. (B21324)

  • Min. VROM, Vaste waarden, nieuwe vormen : milieubeleid 2002-2006
    Den Haag : Min. VROM, 2002.
    Notitie waarin het milieubeleid voor de periode 2002-2006 staat beschreven. De economische situatie dwingt het kabinet tot een aanpassing van de milieudoelstellingen op korte termijn. De lange-termijnambities uit het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) blijven overeind. De notitie omschrijft de ambities van het milieubeleid als vaste waarden en de instrumenten van het milieubeleid als nieuwe vormen. De notitie gaat verder in op de transitieaanpak (de aanpak van de overgang naar nieuw evenwicht), de veranderende context (o.a. politiek, economisch en internationaal). De notitie bevat voorts de kabinetsreactie op de Milieubalans. Vervolgens komt de uitvoering van het milieubeleid aan bod (agenda en acties). De bijlage bevat een overzicht van de voortgang klimaatbeleid 2001. (B21046)

  • Pampson, G. P.; Chambers, W. B. [et al.], Trade, environment, and the millennium
    Tokyo : United Nations University Press, 2002.
    De motivatie achter het boek is het geloof, dat er mogelijkheden zijn tot vooruitgang in het
    debat over handel en milieu. Er worden constructieve gegevens aangevoerd, die bij
    toekomstige onderhandelingen van nut kunnen zijn. De bedoeling is aandacht te vestigen
    op een aantal kernpunten voor de toekomstige onderhandelingen. Er zijn bijdragen van
    auteurs met verschillende achtergronden, die aanbevelingen doen. 2nd ed. (B20862)

  • Europese Cie, European SMEs and social and environmental responsibility
    Luxemburg : EG, 2002. 72 p.
    Observatory of European SMEs 2002, nr. 4
    Rapport over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) waarbij de sociale en de milieuverantwoordelijkheid van het bedrijfsleven aan de orde komt. Ingegaan wordt op hoe het mkb haar rol ziet in dit opzicht en hoe ze hier mee omgaat. (B20527)

  • OECD, Environmental performance reviews : achievements in OECD countries
    Parijs : OECD, 2001.
    Aandacht voor de in de OECD-landen bereikte resultaten op het gebied van milieu in de jaren negentig. Aan de orde komen internationale afspraken; milieumanagement op het gebied van water, lucht, vervuiling, en natuurbehoud, de kosteneffectiviteit van milieubeleid; de integratie van milieu-aangelegenheden in economische en sectorale beslissingen. (B20465)

  • CPB; RIVM, Economie, energie en milieu : een verkenning tot 2010
    Den Haag : SDU, 2002.
    RIVM-rapport, nr. 408129024
    In het licht van de verkiezingen voor de Tweede Kamer in mei 2002 en daarop aansluitend het begin van een nieuwe kabinetsperiode biedt deze verkenning een analyse van vraagstukken rond energie en milieu tot 2010. Dit geschiedt tegen de achtergrond van een verkenning van de bedrijfstakontwikkeling in twee scenario’s voor de Nederlandse economie welke aansluiten op de in december 2001 door het CPB gepubliceerde Economische Verkenning 2003-2006 (B20008). Deze verkenning presenteert een voorzichtig en een optimistisch scenario voor de ontwikkeling van de Nederlandse economie, waarbij evenals in de Economische Verkenning 2003-2006, inzichten met betrekking tot het groeipotentieel van de economie op langere termijn worden gecombineerd met een analyse van de vraagzijde. De publicatie beschrijft allereerst de ontwikkeling van de economie in de periode 2003-2010. Daarbij ligt de nadruk op de sectoren en ontwikkelingen die vanuit een oogpunt van vervuiling en grondstoffenverbruik het belangrijkst zijn: Vervolgens is een hoofdstuk gewijd aan de vraag, het aanbod en de prijsvorming van energie. Tot slot wordt de ontwikkeling van een aantal milieu-indicatoren bij de economische scenario’s beschreven. (B20344)

  • CPB; Broer, P.; Mulder, M.; Vromans, M., Economische effecten van nationale systemen van CO2-emissiehandel : nationale dilemma's bij een mondiaal vraagstuk
    Den Haag : CPB, 2002.
    CPB document, nr. 018
    Het CPB heeft op verzoek van de Commissie CO2-handel (Cie Vogtländer) onderzoek gedaan naar de economische effecten van nationale systemen van CO2-emissiehandel. De centrale vraag die in dit rapport wordt beantwoord is of het invoeren van handel in CO2-emissierechten in Nederland een efficiënte invulling is van het nationale klimaatbeleid. Om deze vraag te beantwoorden zijn de economische effecten van verschillende varianten van nationale emissiehandelssystemen vergeleken met die van de huidige Regulerende Energiebelasting en energiebesparingsconvenanten. Geconcludeerd wordt dat de voordelen van CO2-emissiehandel vooral tot uiting komen wanneer deze emissiehandel in internationaal verband plaatsvindt. Het in Nederland invoeren van een nationaal systeem van CO2-emissiehandel is niet de meest efficiënte invulling van het klimaatbeleid. Macro-economische aanpassingskosten, dat wil zeggen kosten van sectorale verschuivingen en van aanpassingen op de arbeidsmarkt, zijn bij een internationaal systeem geringer dan bij een nationaal systeem, terwijl dan bovendien meer geprofiteerd kan worden van verschillen in kosten tussen landen om emissies om laag te brengen. (B20132)