Literatuurlijst Grotestedenbeleid

SER-publicaties - Boeken - Tijdschriftartikelen

 

  • KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing; Nicis Inst., Toekomst stedelijke vernieuwing na 2014
    Rotterdam : KEI, 2012. 39 p.
    Het project Toekomst Stedelijke Vernieuwing na 2014 is een initiatief van de drie overheidslagen Rijk (ministerie van BZK), provincies (IPO) en gemeenten (VNG). De aanleiding was de vraag hoe het verder moet met de stedelijke vernieuwing als het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) na 2014 ophoudt te bestaan. In drie hoofdstukken wordt allereerst de huidige en toekomstige opgave van stedelijke vernieuwing geschetst in een breder perspectief. Het tweede hoofdstuk geeft aan waar de stedelijke vernieuwing naartoe gaat, een vernieuwing die meer dan nu gebaseerd zal zijn op verleiding, uitnodiging en het benutten van verschillen. Hoofdstuk drie werkt deze toekomst uit naar instrumenten, financiering en het proces. Het rapport geeft achtergrondinformatie bij de essay ‘Stedelijke vernieuwing op uitnodiging’ (B30813). (B30814)

  • KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing; Nicis Inst., Stedelijke vernieuwing op uitnodiging : essay
    Rotterdam : KEI, 2012. 28 p.
    Hoe moet dat, stedelijk vernieuwen zonder Rijkssubsidies? Dat is de vraag waar de denktank Stedelijke vernieuwing na 2014 zich het hoofd over gebroken heeft. Ruim 70 professionals schreven mee aan een essay over de toekomst van de stedelijke vernieuwing. De uitkomsten uit de denktank zijn een belangrijke inbreng voor de Visie Toekomst stedelijke vernieuwing die in 2012 wordt opgesteld door Rijk, provincies en de gemeenten. Dit essay is geschreven in opdracht van het Ministerie van BZK (Rijk), IPO (provincies) en VNG (gemeenten). De essay richt zich op de nieuwe richting van de stedelijke vernieuwing. Een richting, zoals die naar voren kwam uit de vijf werksessies met de denktank. Dit essay vormt een pleidooi voor een duurzame invulling van steden en dorpen.
    Zie ook B30814 Toekomst van de stedelijke vernieuwing na 2014, (B30814) Dit rapport geeft meer context en achtergrond bij het essay. (B30813)

  • CPB; Gerritsen, S.; Reininga, T., Buurteffecten in perspectief
    Den Haag : CPB, 2011. 12 p.
    CPB Policy Brief, 2011/08
    In Nederland wordt door Rijk, gemeenten en woningbouwcorporaties beleid gevoerd om een meer evenredige spreiding van achterstandsgroepen over buurten te bereiken. Dit beleid leidt niet aantoonbaar tot een grotere kans op werk of een hoger inkomen voor de mensen uit deze groepen. Mogelijk leidt het beleid wel tot verbetering van de leefbaarheid. Wat de gevolgen zijn voor bewoners van andere wijken die mensen uit achterstandsgroepen in hun wijk ontvangen, is echter onbekend. Voor een totaalbeeld van spreidingsbeleid is het noodzakelijk deze effecten ook te kennen. Deze conclusies volgen na Amerikaans literatuuronderzoek, omdat de opzet van het Nederlandse onderzoek tot nu toe geen harde conclusies toelaat. Voor de Verenigde Staten en Canada is wel onderzoek beschikbaar dat op een methodologisch verantwoorde wijze de invloed van de buurt op individuele buurtbewoners in kaart brengt. Uit die literatuur blijkt weliswaar dat meer gemengde buurten de (gevoelens van) veiligheid en de geestelijke gezondheid van bewoners kunnen bevorderen, maar dat gemengde buurten niet bijdragen aan een verbetering van hun sociaaleconomische positie. Omdat de uitgangssituatie van Nederland beter is dan die van de Verenigde Staten, zijn de effecten van additioneel spreidingsbeleid op veiligheid en gezondheid in ons land vermoedelijk kleiner. (B30137)
     
  • Planbureau voor de Leefomgeving, Nieuwbouw, verhuizingen en segregatie : effecten van nieuwbouw op de bevolkingssamenstelling van stadswijken
    Den Haag : PBL, 2010. 162 p.
    Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) onderzocht de effecten van nieuwbouw en herstructurering op de bevolkingssamenleving in bestaande stadswijken. Het onderzoek laat zien dat herstructurering van bestaande woonwijken, waarbij sociale huurwoningen worden vervangen door koopwoningen, leidt tot minder segregatie, gelet op inkomens, huishoudtypen en etniciteit. Door de nieuwe woningen trekken de 'sociale stijgers' niet weg uit de wijk en kiezen huishoudens van buiten de wijk met midden- en hoge inkomens (zowel autochtonen als allochtonen) vaker voor deze wijken. Dit effect wordt voor een deel teniet gedaan door nieuwbouwwijken aan de stadsranden. Gezinnen met hogere inkomens trekken vanuit de stadswijken naar deze nieuwe wijken. Als het uitgangspunt is om segregatie tegen te gaan, is het van belang dat stedelijke gemeenten en stadsregio's hun nieuwbouw- en herstructureringsplannen op elkaar afstemmen op regionaal niveau. (B29125) 
      
  • Rath, J. ; Bodaar, A. ; Liempt, I. van ; Veldboer, L., Chinatown, Klein Istanbul of toch maar een doorsnee buurt? : Etnische buurten als plaatsen van vermaak en consumptie
    Den Haag : Nicis Inst., 2009.
    Aan de hand van het voorbeeld van etnisch gethematiseerde winkelgebieden worden de economische kansen van etnische diversiteit nader verkend. Aandacht voor de ervaringen in drie Nederlandse buurten met conclusies. (B28146)

  • VromRaad, Stad en wijk verweven : schakelen, verbinden, verankeren in de stad
    Den Haag : VROM-raad, 2009.
    Advies, nr. 074
    De Raad adviseert het wijkgerichte en stedelijke beleid veel meer te verweven, de aanpak van wijken te versterken door investeringen in stedelijkheid en in het stedelijke beleid het sociale en economische kapitaal in de wijken veel meer te benutten. De stedelijke voorzieningen zijn hierin belangrijk. Er zijn nog veel kansen effectiever te werk te gaan. Voor de overheid is er een rol op het vlak van visievorming, overleg met partijen en ondersteunende kaders. (B28040)

  • RMO, De wijk nemen : een subtiel samenspel van burgers, maatschappelijke organisaties en overheid
    Amsterdam : SWP, 2009. 87 p.
    Advies, nr. 45
    Wijkgericht werken staat door de zogeheten 'krachtwijkenaanpak' volop in de belangstelling. Maar wijkgericht werken is ook - of misschien wel juist - een instrument waarmee gemeenten in Nederland hun beleid dicht bij de burger willen brengen. Verwachtingenmanagement is cruciaal voor het slagen van wijkgericht werken. Een realistisch perspectief op wijkgericht werken maakt het mogelijk om te schakelen tussen schaalniveaus en continu te zoeken naar de juiste aanpak van maatschappelijke problemen. De RMO pleit in zijn advies voor het geven van meer inhoudelijke sturing en vertrouwen aan professionals in de wijk. (B27969)

  • Musterd, S.; Ostendorf, W.; Andeweg, R.; [et al.], Problemen in wijken of probleemwijken?
    Assen : Van Gorcum, 2009.
    Wanneer is een wijk een probleemwijk? Om welke wijken gaat het en hoe kunnen de problemen in deze wijken worden opgelost? Aan de hand van deze basisvragen gaat dit boek dieper in op de kern van de zaak: problemen in wijken of probleemwijken? Bevat de volgende bijdragen: Problemen in wijken of probleemwijken; De 40-wijkenaanpak in uitvoering; Keuzevrijheid op de woningmarkt: weinig te kiezen, veel te verliezen; De buurtcontext en middelbare schoolprestaties in Nederland; Ouderlijke régimes in een achterstandswijk; Interventies in de wijk. Waarom? Waar? En waarom daar; De stedenbouwkundige kwaliteiten van de 40 krachtwijken; De noodzaak van ontrafeling van problemen in stedelijk beleid: het 40-wijkenprogramma; Het meten van ‘de wijk’: wanneer is een wijk schoon, heel en veilig?; Wat te doen in de Vogelaarwijken; Een brug te ver? Onderzoek naar interventies in het kader van de wijkaanpak in Amsterdam; De sociale constructie van instrumenten voor wijkontwikkeling; Gemengd bouwen als oplossing voor de problemen in achterstandswijken; De effecten van Te Woon: verschillen in verwachtingen bij bewoners en corporaties; Van praktische buurtbenadering naar verstandige resultaatmeting. (B27826)

  • CDA; Wetenschappelijk Inst., De stad terug aan de mensen
    Den Haag : CDA, WI, 2008.
    Wissels omzetten
    In het WI-rapport De stad terug aan de mensen wordt een analyse gemaakt van de situatie in de grote steden en de christen-democratische aanpak hiervoor. Geconstateerd wordt onder meer dat het huidige grotestedenbeleid (GSB) veel problemen kent. Effectieve sturing door het rijk blijkt moeilijk te realiseren. Problemen worden vaak niet op de juiste schaal aangepakt. De overheid heeft dikwijls te veel hooi op de vork genomen en onrealistische verwachtingen gewekt. Het rapport roept dan ook op tot een andere benadering van de grote stad. De overheid zou niet meer beleid op beleid moeten stapelen, maar ruimte moeten geven aan de mensen en hun initiatieven. De uitdagingen voor de stad laten zich vangen in drie doelen: participatie, binden en een ‘stad in balans’. Dit rapport presenteert tal van inzichten en maatregelen die erop gericht zijn om de verbindingen in een stad sterker te maken, de participatie te verhogen en de balans te verbeteren. Bevat de volgende hoofdstukken: Inleiding; Visie op de stad; De staat van de stad; De staat in de stad; Stad van mensen; Leren, werken en ondernemen in de stad; Stad om te wonen; Conclusie. (B27609)

  • Kon. Ver. voor de Staathuishoudkunde; Don, F. J. H. [et al.]
    Agenda voor de woningmarkt : preadviezen 2008
    Amsterdam : Kon. Ver. voor de Staathuishoudkunde, 2008. 212 p.
    Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 2008
    Geleidelijke afschaffing van woonsubsidies in de koop- en de huursector, een ruimer grondbeleid om de woonwensen van burgers zo goed mogelijk te bedienen, een verbreding van het takenpakket van de woningcorporaties. Dit zijn enkele kernpunten uit de bundel Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde. Bevat de volgende bijdragen: Agenda voor de woningmarkt: inleiding; De Nederlandse woningmarkt en overheidsbeleid: over aanbodrestricties en vraagsubsidies; Behoeftes en belemmeringen in de woningbouw: een lange termijn perspectief; Economische dynamiek en de Randstedelijke woningmarkt; Wat gaan we doen met de corporaties?; Subsidiëring van de woonconsumptie: een zinloos schip van bijleg; Macro-economische verkenning van de huizenmarkt. (B27317) 
      
     
  • Nicis Inst., Trendgids voor de steden 2009
    Den Haag : Nicis Inst. , 2008.
    Stedelijke trendgids met daarin de belangrijkste inhoudelijke ontwikkelingen in de steden. In de Nicis Trendgids 2009 worden vragen gesteld aan gemeentebesturen over de voornaamste ontwikkelingen. “Wat doet uw gemeente daaraan? Anticipeert u hierop voldoende? Ziet u trends over het hoofd en bent u bekend met de beleidsstrategieën om uw stad zowel economisch als sociaal te versterken?" De trends die in de Nicis Trendgids voor de Steden 2009 worden beschreven, zijn mede gebaseerd op de uitkomsten van state of the art studies die de verschillende universitaire leadpartners van Nicis Institute hebben gemaakt. De volgende thema’s komen aan de orde: Bestuur, Economie en innovatie, Onderwijs en arbeidsmarkt, Veiligheid, Welzijn en integratie, Wonen, en Internationaal . (B27296)

  • NICIS Inst.; Wassenberg, F.; Meer, A. van der; Kempen, R. van, Strategies for upgrading the physical environment in deprived urban areas : examples of good practice in Europe
    Den Haag : Nicis Inst., 2008.
    In vrijwel elke EU-lidstaat zijn de afgelopen jaren omvangrijke stedelijke vernieuwingsprojecten uitgevoerd. Hoewel veel van deze projecten succesvol zijn gebleken, is er in veel gevallen de gestelde doelen niet behaald en zijn er neveneffecten opgetreden. De studie analyseert vijftig (veelal) succesvolle stedelijke vernieuwings- en herstructureringsprojecten in de EU. Er wordt een overzicht gegeven van factoren die aan de basis liggen van geslaagde projecten. De studie is uitgevoerd door het European Urban Knowledge Network in opdracht van het Duitse EU-voorzitterschap van 2007. (B27108)

  • CBS; Haar, D. ter; Schreven, L.; Rienstra, M.; Min. VROM, Outcomemonitor Krachtwijken : nulmeting 08
    Voorburg : CBS, 2008.
    De outcomemonitor is ontwikkeld om de voortgang op het krachtwijkenbeleid in de 40 door minister Vogelaar geselecteerde aandachtswijken te kunnen volgen. De nulmeting, rondom de peildatum van 1 januari 2007, geeft de stand van zaken weer van de krachtwijken. Hierbij zijn gegevens verzameld rondom de 5 thema's van de krachtwijken (wonen, werken, leren, integratie en veiligheid), aangevuld met het thema schuldhulpverlening. De CBS-Outcomemonitor bevat daarnaast een overzicht van de 40 krachtwijken en de belangrijkste verschillen met de nulmeting. (B27109)

  • SCP; Hoenderkamp, J., De sociale pijler : ambities en praktijken van het grotestedenbeleid : proefschrift Universiteit
    Utrecht

    Den Haag : SCP, 2008. 373 p.
    SCP-publicatie, nr. 2008/14
    In het rapport geeft dr. Jeroen Hoenderkamp een beeld van de effectiviteit van het sociaal beleid in
    de grote steden in Nederland. Aan de hand van drie cases (Gouda, Amsterdam, Emmen) wordt
    nader ingegaan op de hoge verwachtingen en vaak tegenvallende resultaten van het beleid. Beide
    aspecten worden vervolgens afgezet tegen de feitelijke mogelijkheden van het sociaal beleid op
    gemeentelijk niveau. (B26982) 
     
     
  • Ruimtelijk Planbureau; Lörzing, H.; Harbers, A.; Schluchter, S.; Planbureau voor de Leefomgeving, Krachtwijken met karakter
    Rotterdam : NAi Uitgevers, 2008. 227 p.
    Inventarisatie, op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW), van de sterke en zwakke punten in de stedenbouwkundige opzet van de zogenoemde veertig  Nederlandse 'krachtwijken'. Aangegeven wordt hoe de stedenbouwkundige kwaliteiten van de wijken benut kunnen worden om de (woon)kwaliteit van deze sociaal-economische
    probleemwijken te verbeteren. Geconcludeerd wordt dat de veertig 'krachtwijken' beschikken over stedenbouwkundige kwaliteiten die bij mogelijke herstructureringen benut kunnen worden om de woonmilieus in de wijken te verbeteren, economische activiteiten te stimuleren en de openbare ruimte aantrekkelijker te maken. De waardevolle, veelal monumentale pleinen en lanen in de vooroorlogse wijken kunnen bijvoorbeeld worden benut als identiteitsdrager van een wijk. In de naoorlogse wijken is vooral de groenstructuur waardevol. Deze kan een belangrijk uitgangspunt vormen bij de herinrichting van een wijk, zorgen voor variatie en bijdragen aan een meer geborgen woonomgeving. (B26970)
     
     
  • Vreeman, R., Het verhaal van de stad : over strategievorming in industriesteden : rede
    Tilburg : BAZN, 2008.
    In alle oude industriegebieden van Europa en de VS worstelen gemeentebesturen met de vraag hoe om te gaan met de verandering van een dominante industriële productie naar een meer op diensten gerichte en kennisintensieve economie. Hoe om te gaan met de nieuwe eisen, die er aan de beroepsbevolking worden gesteld. Wat te doen met vergrijzing, immigratie en arbeidsmarkt. Kunnen deze steden 'come-back'steden worden. Wat zijn de aangrijpingspunten voor transformatie? Oratie en installatie van dr. Ruud Vreeman als buitengewoon lector bij BAZN de bestuursacademie. (B26842)

  • Gemeente Amsterdam; MKB Amsterdam; Ernst & Young; [et al.], De Kracht van de wijk : belang van wijkeconomie voor de leefbaarheid in Amsterdamse Krachtwijken
    Utrecht : Rabobank, 2008.
    Nederland telt een groot aantal (stedelijke) wijken waarin de kwaliteit van de leefomgeving flink achterblijft. Minister Vogelaar voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI) van VROM is aangesteld om het tij te keren en veertig aandachtswijken tot Krachtwijken om te vormen. In haar beleid ligt de focus op het verbeteren van sociale en fysieke knelpunten. De rol van de bestaande wijkeconomie voor verbetering van de leefbaarheid in de wijken blijft hierin echter onderbelicht. En dat terwijl ondernemers een flinke bijdrage kunnen leveren aan deze leefbaarheid. Vanuit deze overtuiging hebben Rabobank Amsterdam, Economische Zaken Gemeente Amsterdam en MKB Amsterdam onderzoek laten verrichten naar de wijkeconomie in drie Amsterdamse Krachtwijken. De centrale vraagstelling in het onderzoek luidt: Hoe kan de wijkeconomie in de drie Krachtwijken worden versterkt, zodat zij kan bijdragen aan de leefbaarheid in deze wijken? Enkele conclusies uit het onderzoek: Opleidingsniveau en wijkomgeving bepalen de prestaties omdat bedrijven die in de krachtwijken zijn gevestigd presteren minder goed dan bedrijven in de referentiewijken; Minder verantwoordelijkheidsgevoel voor leefbaarheid in Krachtwijken; Krachtwijken krijgen een lagere waardering door ondervraagde ondernemers. (B26756)

  • Dijk, J. van; [et al.], De economische kracht van de stad
    Assen : Van Gorcum, 2007.
    Dit boek biedt een overzicht van de vele gezichten van de economische kracht van de stad. De hoofdstukken zijn verdeeld over vier subthema’s: ‘Theorie en empirie van stedelijke economische groei’, ‘Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en bedrijvendynamiek’, ‘Economische relaties tussen stad en platteland’ en ‘De economie van de wijk’. De hoofdstukken weerspiegelen de bijdragen van de onderzoekers die op de NETHUR Stadsdag van 2007 hun kennis over de economische kracht van de stad hebben gepresenteerd. Bevat de volgende bijdragen: De economische kracht van de stad: ontwikkelingen, verschuivingen en nieuwe kansen; Stedelijke economische groei: de locatie van productiviteitsstijging; Steden als motor van de kenniseconomie?; Regionale verschillen in arbeidsparticipatie van vrouwen: stad versus platteland; De dynamiek van organisatiediversiteit in steden: theoretische relaties en mogelijkheden voor kwantitatief onderzoek; Economische relaties tussen stad en land: een vergelijking van zes kleine kernen in Nederland; Regionale richtingwijzers en plaatselijke pluspunten: het landschap als drager van een regionale wooneconomie; It’s the economy stupid! De hernieuwde aandacht voor de economie in de stedelijke vernieuwing; Ondernemers en hun bedrijven in de wijk: het cement voor de economische pijler. (B26604)

  • Ruimtelijk Planbureau; Wouden, R. van der, Een nieuwe stedelijke agenda : overwegingen voor een toekomstig grotestedenbeleid
    Rotterdam : NAi Uitgevers, 2007.
    Beleidsadviezen, nr. 04
    Met deze publicatie wil het Ruimtelijk Planbureau (RPB) bijdragen aan de gedachtegang over een nieuwe opzet van het grotestedenbeleid na 2009. Daartoe verkent het een aantal trends die gaande zijn in de grote steden. Hierbij ligt de nadruk op de economische ontwikkeling en de woningmarkt, factoren die de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van steden bepalen. Op beide gebieden is de regionale vervlechting sterk toegenomen. Een toekomstig grotestedenbeleid zou daarom veel meer dan tot nu toe gericht moeten zijn op de stedelijke regio. (B26353)

  • Kenniscentrum Grote Steden; NICIS; Kenniscentrum voor Bevolkingsdaling en Beleid; [et. al.], De krimpende stad : ontgroening, vergrijzing, krimp en de gevolgen daarvan voor de lokale economie
    Den Haag : Kenniscentrum grote Steden, 2006.
    Onderzoek naar de effecten die een afnemende bevolking heeft op onze samenleving. Steden richten zich veelal op groei: grotere bedrijventerreinen, meer winkelaanbod en nieuwe woningen. Uit het onderzoek komt echter naar voren dat steden zullen gaan krimpen en daar wordt nog onvoldoende rekening mee gehouden. Gemeenten dienen daarom een omslag in het denken te maken. In het rapport doen de auteurs een aantal aanbevelingen aan beleidsmakers in de steden. Zij benadrukken dat er niet méér bedrijventerreinen moeten komen, maar dat steden bestaande bedrijventerreinen moeten revitaliseren. Ook moeten er minder nieuwe woningen komen, maar moeten bestaande woningen geherstructureerd of zelfs gesloopt worden. Ook dient er geïnvesteerd te worden in de oudere werknemer, in plaats van deze af te schrijven. Behalve een aantal aanbevelingen, beschrijven de auteurs van ‘de Krimpende Stad’ een aantal effecten van een dalende bevolkingsomvang. De fileproblematiek zal afnemen, ruimte en milieu worden ontlast, er ontstaat krapte op de arbeidsmarkt en onderwijs en arbeidsmarkt zullen beter op elkaar aansluiten. De onderzoekers wijzen op het gegeven dat de demografische ontwikkelingen zich zeer divers voordoen binnen en tussen regio’s. Maatwerk is dan ook vereist. (B26549)

  • SCP; Wittebrood, K.; Dijk, T. van, Aandacht voor de wijk : effecten van herstructurering op de leefbaarheid en veiligheid
    Den Haag : SCP, 2007.
    SCP-publicatie, nr. 2007/13
    Een van de maatregelen die wordt ingezet om wijken leefbaarder en veiliger te maken is het slopen van woningen en het bouwen van nieuwe woningen. Soms is de ingreep vooral gericht op het verbeteren van de kwaliteit van woningen, maar soms is deze expliciet bedoeld om een concentratie van ‘kansarmen’ tegen te gaan. Over de sociale effecten van de herstructurering is echter weinig bekend.
    Deze publicatie gaat over de effecten van herstructurering op de leefbaarheid en veiligheid in woonbuurten in 30 grote steden in de periode 1995-2006. Onderzocht is of vooral individuele bewoners de leefbaarheid en veiligheid in een buurt bepalen of dat de buurt als sociale context ook relevant is. Verder zijn buurten waar een substantiële fysieke ingreep heeft plaatsgevonden vergeleken met (overeenkomstige) buurten waar dat niet is gebeurd: zijn er verschillen in leefbaarheid en veiligheid? (B25993)

  • Ned. Inst. voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting; [et al.], Stedelijke vernieuwing in balans : op weg naar duurzaam vernieuwde wijken
    Den Haag : Nirov, 2007.
    Output, nr. 6
    Publicatie in het kader van het meerjarenprogramma Van Stad Naar Regio. De publicatie markeert het einde van de excursies binnen het Innovatie Programma Stedelijke Vernieuwing (IPSV) en bevat de volgende bijdragen en cases: De toekomst van stedelijke vernieuwing; Stedelijke vernieuwing: terug- en vooruitblikken; Herstructurering in dienst van de gemeenschap; Casus Enschede: De ongelijksoortige pijlers van beleid; Sociale stijging door herstructurering. Een nieuw paradigma in de bewonersparticipatie? Casus Den Bosch: Bewoners op de barricade in Boschveld; Woonbeleid, stedelijke vernieuwing en keuzes in de stadsregio Rotterdam. Hoe past de regionale aanpak in regionaal perspectief?; Casus Venlo: De regionale context; Duurzaamheid voor de Stedelijke Vernieuwing; Casus Poptahof Delft: Duurzaamheid in uitvoering. (B25582)

  • OECD; [et al.], Metropolitan governance and competitiveness : the case of Randstad, the Netherlands
    Parijs : OECD, 2007.
    OECD Territorial Reviews
    Het adviesrapport “Metropolitan Governance and Competitiveness: the Case of Randstad, The Netherlands” is opgesteld door het Secretariaat van het Territorial Development Policy Committee (TDPC) van de OESO. De centrale boodschap in het rapport is dat de economie in de Randstad in veel opzichten goed scoort, maar dat de relatief lage groei van de arbeidsproductiviteit een grote uitdaging blijft. De OESO beveelt hierbij aan om beter gebruik te maken van de voordelen die de nabijheid van relatief grote stedelijke agglomeraties in de Randstad biedt. De Randstad als polycentrisch gebied zou dan als het ware de voordelen van grote wereldsteden kunnen evenaren. Hiervoor is nodig dat de interne bereikbaarheid in de Randstad verbetert, steden zich meer gaan specialiseren, het woon- en leefmilieu verbetert (o.a. door meer te profiteren van het Groene Hart als hoogwaardig leefmilieu en recreatieruimte) en het kennispotentieel beter wordt benut. Een deel van het rapport gaat over de bestuurlijke structuur in de Randstad. Volgens de OESO hoeft de bestuurlijke structuur niet diepgaand te worden hervormd: meer efficiëntie volstaat. (B25526)

  • CPB, Grote Stedenbeleid na 2009
    Den Haag : CPB, 2006
    CPB Notitie
    Sinds midden jaren negentig voert het rijk een grotestedenbeleid. Het CPB is samen met andere planbureaus gevraagd om mee te denken over de vorm en de mogelijkheden van een toekomstig grotestedenbeleid na afloop van de huidige convenantperiode. Welke vraagstukken dienen zich aan? Geven deze vraagstukken aanleiding voor overheidsbeleid? Wat zijn (on)mogelijkheden van het beleid om daar adequaat op te reageren? Deze notitie schetst enige aspecten die het CPB belangrijk voorkomen. (B25355)

  • NIDI, Werkverband Periodieke Rapportage Bevolkingsvraagstukken; [et al.], Bevolkingsvraagstukken in Nederland anno 2006 : grote steden in demografisch perspectief
    Den Haag : NIDI, 2006.
    Rapport, nr. 71
    Rapport van het Werkverband Periodieke Rapportage Bevolkingsvraagstukken (WPRB). Dit keer richt het rapport zich in het bijzonder op de grote steden in Nederland. Het WPRB kijkt niet alleen demografische trends, zoals bevolkingsgroei, etnische samenstelling, soorten huishoudens en verhuisstromen naar en vanuit de stad. Ook ontwikkelingen in opleidingsniveau en onderwijs, de grootstedelijke economie en de woningmarkt worden onder de loep genomen evenals gezondheid, leefbaarheid, veiligheid, woonomgevingkwaliteit en het grote stedenbeleid zelf. Enkele conclusies uit het rapport: De grote stadsbevolking groeit langzamer dan de rest van Nederland. Amsterdam, Den Haag en vooral Utrecht groeien, maar de bevolking van Rotterdam krimpt; Vooral door selectieve verhuisstromen verkleuren de grote steden sneller; Eén op de drie grote stadsbewoners is van niet-westers allochtone herkomst; voor Nederland is dat één op de tien; De grote steden zijn nog steeds belangrijke centra van werkgelegenheid; Ondanks het hoge gemiddelde opleidingsniveau van de beroepsbevolking is de werkloosheid in de grote steden hoger dan in de rest van Nederland. De werkloosheid is het hoogst aan de onderkant van de arbeidsmarkt. (B25287)

  • Min. BZK, Steden van morgen, keuzes voor vandaag : over de toekomst van de stad en het stedelijk beleid
    Den Haag : Min. BZK, 2006. 52 p.
    Discussienota over de toekomst van de stad en het stedelijk beleid. Stedelijk beleid werkt. Vanaf 1994 zijn successen geboekt met grotestedenbeleid (GSB). De stad is aantrekkelijker geworden voor midden en hogere inkomensgroepen en voor de creatieve klasse. De werkloosheid is verminderd. En in een aantal achterstandswijken is de kwaliteit van de woningvoorraad en het leefklimaat verbeterd. Maar niet overal. Veel steden hebben nog steeds te kampen met complexe problematiek en met wijken met hardnekkige problemen op het gebied van leefbaarheid en veiligheid. Bovendien zijn de steden van vandaag niet per se de steden van morgen. Er ontstaat een nieuw type stedelijke problemen. Ook de verschillen tussen en binnen steden nemen toe. Deze specifieke en complexe problemen in de stad blijven ook in de toekomst om aandacht vragen. In deze discussienota komen onder meer aan de orde: de oorsprong en resultaten van GSB; aard en oorsprong van problemen in de stad; de toekomstverwachtingen voor de steden van morgen; de beleidsagenda: leren, werken en wonen in een veilige stad; randvoorwaarden voor een nieuw stelsel; drie sturingsmodellen voor samenwerking tussen het Rijk en de steden. (B25241)

  • Oort, F. G. van, Economische vernieuwing en de stad : kansen en uitdagingen voor stedelijk onderzoek en beleid : rede
    Rotterdam : NAi Uitgevers, 2006.
    Sinds jaar en dag wordt de stad gezien als een bron van economische vernieuwing en vitaliteit. Stedelijk-economische functies, zoals winkelcentra, verspreiden zich over een steeds groter oppervlak en zo breidt de stad zich als een olievlek uit. De relatie tussen stedelijk-economische vernieuwing en ruimtelijke planning lijkt overduidelijk. Maar is die relatie wel zo duidelijk? Leidt stedelijk-economische groei altijd tot economische vernieuwing? En is economische vernieuwing in de stad altijd verbonden aan groei? Is het groter worden van de stad niet van alle tijden? Moeten we daarom wel spreken van een stedelijk veld of een stedelijk netwerk? En tot slot: op welke stedelijk-economische kansen kan de overheid met haar beleid sturen? Deze vragen komen aan de orde in de oratie die prof.dr. Frank van Oort uitsprak op 1 februari 2006, bij het aanvaarden van de leerstoel 'Stedelijke economie en ruimtelijke planning' aan de Universiteit Utrecht. (B25238)

  • SCP; [et al.], De leefsituatie in de grote stad 1997-2004
    Den Haag : SCP, 2006.
    Beknopte studie waarin nader wordt ingegaan op de ontwikkeling van de leefsituatie van de stedelijke bevolking in de afgelopen tien jaar. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan de kwaliteit van de wijken in de vier grote steden en de ontwikkelingen rond de 56 prioriteitswijken van het ministerie van VROM. Ook de ontwikkelingen rond criminaliteit en onveiligheid worden in kaart gebracht. De studie wordt afgesloten met een korte beschouwing over de (on)wenselijkheid van voortzetting van het grote stedenbeleid (GSB). (B25213)

  • Ruimtelijk Planbureau; [et al.], Toekomstverkenning grotestedenbeleid: een beschouwing
    [Den Haag] : RPB, 2006.
    Verkenning uitgevoerd op verzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De verkenning beschouwt het grotestedenbeleid (GSB) en beziet of zo’n beleid na 2009 – wanneer de huidige convenantperiode afloopt – nog zinvol is, en zo ja in welke vorm. Het rapport concludeert dat het grotestedenbeleid in zijn huidige vorm uitgewerkt is. Hoewel het de afgelopen jaren economisch gezien beter gaat met de grote steden, is dit succes eerder te danken aan de conjunctuur dan aan het beleid. Bovendien is door het beleid een aantal hardnekkige problemen in de steden niet verminderd, zoals de hoge uitkeringsafhankelijkheid onder bepaalde groepen, de toenemende segregatie in het onderwijs en middeninkomens die uit de stad wegtrekken. Het grotestedenbeleid is minder effectief geworden omdat het zich richtte op te veel doelstellingen en op te veel steden, met al het bestuurlijk verkeer dat daarvan het gevolg was. (B25188)

  • Min. BZK; Putten, N. van; [et al.], Terug naar de stad : een kleine geschiedenis van het grotestedenbeleid
    Den Haag : Min. BZK, 2006.
    De ontwikkeling van het grotestedenbeleid wordt beschreven vanaf de eerste aanleiding in 1965 tot heden. Er worden lessen getrokken uit het verleden en er wordt vooruitgeblikt naar de toekomst. (B25047)

  • Min. BZK, Evaluatie tweede convenantsperiode grotestedenbeleid (1999 – 2004)
    Den Haag : Min. BZK, 2006.
    Eindevaluatie GSB II. De maatschappelijke doelen van het Grotestedenbeleid zijn grotendeels gehaald. De positie van de grote steden is fors verbeterd. Uit een vergelijking met 20 niet-GSB steden is het effect van het beleid aangetoond, zoals bij de bestrijding van jeugdwerkloosheid en de werkloosheid onder allochtonen. Niet alleen sociaal economisch boekt het Grotestedenbeleid succes maar ook in sociaal fysieke hoek (woningmarkt en leefomgeving). Het economisch beleid van GSB 2 heeft de totale werkgelegenheid in de GSB-steden niet aantoonbaar vergroot. Wel heeft het de werkgelegenheid in de detailhandel gestimuleerd door de aantrekkingskracht op winkelend publiek. Bestuurlijk zijn ook de meeste doelen gehaald. Tussen het rijk en de steden waren nauwelijks knelpunten in de regelgeving. Wel bleek meer aandacht nodig voor samenwerking van steden met de regio’s en de ontbureaucratisering in de financiële en bestuurlijke afspraken. Ondanks het positieve effect op wat bereikt moest worden, bleken afspraken over de wijze waarop, tussen steden en het rijk toen moeilijk meetbaar te maken. (B24896)

  • Min. BZK; Ecorys; [et al.], Evaluatie beleids- en procesmatige effecten GSB II : naar een integraal resultaat?
    Rotterdam ; Ecorys, 2006.
    Analyse van de mate waarin de beleids- en procesmatige doelstellingen van het Grotestedenbeleid (GSB) zijn gerealiseerd. Deze doelstellingen zijn: Integraal en samenhangend beleid; Resultaatgericht werken; Intensivering van de regionale samenwerking. (B24897)

  • St. Atlas voor gemeenten; Marklet, G.; Woerkens, C. van; Min. BZK, De effectiviteit van grotestedenbeleid
    Utrecht : St. Atlas voor gemeenten, 2006.
    De effectiviteit van grotestedenbeleid is een verslag van de resultaten uit de effectmeting van GSB-II, de tweede convenantperiode van het beleid dat in 1994 van start ging. Die effectmeting heeft zich gericht op drie centrale doelstellingen van het grotestedenbeleid: het versterken van de stedelijke woonmilieus, de verbetering van de economische concurrentiepositie van steden; en het terugdringen van de werkloosheid. In het onderzoek is de daadwerkelijke effectiviteit van het grotestedenbeleid gemeten. Dit houdt in dat is geanalyseerd in welke mate de ontwikkelingen in GSB-steden ook daadwerkelijk het gevolg zijn geweest van het grotestedenbeleid. De algemene conclusie op basis van deze effectmeting van het grotestedenbeleid is dat naast het sociale beleid voor specifieke doelgroepen, vooral fysieke maatregelen in de stad succes hebben gehad. Grotestedenbeleid is met name effectief geweest in het realiseren van een aantrekkelijker woon- en bezoekklimaat in de grote steden. (B24898)

  • Bestuur & Management Consultants; [et al.], Evaluatie expertteam uitvoering grotestedenbeleid : eindrapport
    Z.P. : Bestuur & Managements Consultants, 2006.
    Het expertteam GSB is in 2003 opgericht door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het expertteam, onderdeel van het Kenniscentrum Grote Steden, zou steden op afroep terzijde staan bij het aanpakken van ingewikkelde stadsproblematiek. Per 1 januari 2006 is het expertteam opgeheven. Deze publicatie bevat de rapportage van het evaluatieonderzoek. ingegaan wordt op de opdrachten van het expertteam, de resultaten daarvan en de verankering in de betreffende organisaties. Doel van het onderzoek is een uitspraak te kunnen doen over de bijdrage die het expertteam heeft geleverd aan de uitvoering van het GSB. (B24899)

  • Min. BZK, Eindevaluatie onze buurt aan zet : een thematische vergelijking van tien steden
    Den Haag ; Min. BZK, 2006. 154 p.
    Van 2001 tot 2004 zijn dertig steden in Nederland actief geweest binnen het impulsprogramma ‘Onze Buurt aan Zet’ (OBAZ). Dit programma maakte deel uit van het Grotestedenbeleid (GSB) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Doel was om de veiligheid, leefbaarheid, integratie en sociale cohesie in aandachtswijken te bevorderen. Een belangrijk kenmerk van het programma 'OBAZ' is het experimenteren met vergaande vormen van burgerparticipatie voor het vergroten van de leefbaarheid, veiligheid en integratie in aandachtswijken. In deze eindevaluatie is onderzocht of bewonersparticipatie binnen de OBAZ-aanpak ook daadwerkelijk leidt tot verbetering van de veiligheid, leefbaarheid en integratie in de betrokken wijken en buurten? Op basis van zes thema's worden de resultaten van tien geselecteerde steden met elkaar vergeleken. Deze thema's zijn: Duurzaamheid en projectmatig werken; Bestuurderscultuur en bewonerscultuur; Het informeren van bewoners; Het mobiliseren van bewoners; Allochtonen en autochtonen; Harde problemen en softe aanpakken. (B24900)

  • Kools, Q.; Neut, I. van der; IVA Beleidsonderzoek, "Uitgebroed" : eindevaluatie digitale broedplaatsen
    Tilburg : IVA Beleidsonderzoek, 2005.
    In de periode 2001 tot 2004 hebben Amsterdam, Den Haag, Deventer en Eindhoven gefungeerd als ‘digitale broedplaats’. Deze broedplaatsen dienden als experimenteeromgeving waar innovatieve ICT-toepassingen werden ontwikkeld die een bijdrage moesten leveren aan de sociale kwaliteit van (delen van) deze steden. Een digitale broedplaats had twee belangrijke taken: 1) de opzet en de uitvoering van een voorbeeldproject en 2) de inrichting van een Fonds Lokale Initiatieven van waaruit lokale projectvoorstellen op het gebied van ict en sociale kwaliteit gefinancierd werden. Leren van het experimenteren stond in de broedplaatsen voorop. Uit deze eindevaluatie blijkt dat een 'broedplaats' een goede manier is om in een stad creatieve energie vorm te geven in innovatieve projecten. De extra financiële mogelijkheden gecombineerd met de eis om innovatieve projecten te bedenken hebben bestaande partijen in de steden een impuls gegeven om nieuwe mogelijkheden te bekijken. Dit heeft in verschillende steden geleid tot nieuwe vormen van samenwerking tussen partijen. (B24901)

  • Weening, H, Smart cities : omgaan met onzekerheid : proefschrift TU Delft
    Delft : Eburon, 2006.
    Dit boek gaat over omgaan met onzekerheid in Smart City projecten. Dit zijn projecten waarbij ICT en online diensten worden ingezet om de sociaal-economische ontwikkeling van steden te stimuleren. Maar Smart City projecten worden bij uitstek gekenmerkt door onzekerheid. Allereerst op organisatorisch gebied: er zijn veel verschillende en wisselende actoren bij Smart City projecten betrokken, actoren die bovendien onderling van elkaar afhankelijk zijn. Daarnaast is op technisch gebied sprake van onzekerheid: Smart City projecten kennen veel verschillende technische componenten, waarbij de interdependentie tussen de dominante onderdelen infrastructuur en diensten kenmerkend is, en daarbij komt dat de technologie zich razendsnel en onvoorspelbaar ontwikkelt. In dit boek worden drie cases gepresenteerd die laten zien hoe managers van Smart City projecten op verschillende manieren omgaan met onzekerheid en hoe de betreffende managementstijl doorwerkt op het verloop en de uitkomsten van deze projecten. De Nederlandse casus Kenniswijk laat de effecten zien van de keuze om onzekerheid zoveel mogelijk te benutten. De Canadese casus SmartCapital laat het tegenovergestelde zien: wat gebeurt er als onzekerheid zoveel mogelijk wordt beheerst? De Ierse casus Ennis Information Age Town ten slotte toont de effecten van een gemengde strategie waarbij onzekerheid zowel wordt beheerst als benut. (B24856)

  • SMO; [et al], De toekomst van de grote stad : stedelijke economie en wonen
    Den Haag : SMO, 2006. 140 p.
    SMO, nr. 2006-1
    In deze publicatie staat de toekomst van de grote stad centraal. Daarbij is gekozen voor drie onderwerpen: de toekomst van de stedelijke economie, de toekomst van de stedelijke retail en de stad als toekomstig woonmilieu. In dit boek worden de belangrijkste ontwikkelingen en issues op deze gebieden beschreven. Daarnaast bevat het een verslag van een drietal stakeholderssessies waarin deze ontwikkelingen en issues zijn besproken met onderzoekers, ondernemers, beleidsmakers en opinion leaders. Ten slotte is per onderwerp een aantal aanbevelingen geformuleerd. De aanbevelingen in dit boek variëren van het uitbreiden van de microfinanciering aan startende creatieve bedrijven op basis van vertrouwen en met verantwoording achteraf tot het gezamenlijk herstructureren of saneren van onaantrekkelijke winkellocaties in of rondom de stad. (B24781)

  • Min. BZK; Ecorys, Jaarboek Grotestedenbeleid 2004 : laatste editie tweede convenantsperiode (1 januari 2000 t/m 31 december 2004)
    Den Haag : Min. BZK, 2006.
    Het Jaarboek Grotestedenbeleid 2004 staat in het teken van de afsluiting van de periode 2000-2004 en geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de dertig grote steden in de tweede convenantperiode. Het jaarboek geeft een beeld van het ondernemersklimaat, de leefbaarheid, de woningmarkt, de arbeidsmarkt en de veiligheid van de dertig grote steden. In alle steden is de toenemende jeugdwerkloosheid en de groei van het aandeel jonge werklozen met maximaal een VMBO-diploma reden tot zorg. In de steden slaat deze ontwikkeling krachtiger toe dan in Nederland als geheel. De steden blijven een belangrijke motor van economische dynamiek: de groei van het aantal bedrijfsvestigingen in de steden tussen 2000 en 2004 is groter dan landelijk (1,0% t.o.v. 0,7%) en ook het aantal startende bedrijven groeit (0,3% tussen 2001 tot 2004) terwijl dit landelijk daalt (-5,2%). De woningmarkt vertoont positieve ontwikkelingen: er zijn meer koopwoningen (van 37% in 2002 naar 40% in 2004) en het aantal huishoudens met midden en hogere inkomens is gegroeid van (50% in 2000 naar 51% in 2002). (B24706)

  • Min. BZK; Ecorys, Jaarboek Grotestedenbeleid 2004 : tabellen en stedenprofielen
    Den Haag : Min. BZK, 2006.
    Deze bijlage is onderdeel van het Jaarboek Grotestedenbeleid 2004. In dit bijlagenboek worden de ontwikkelingen op de doelstellingen en de belangrijkste indicatoren voor de tweede convenantperiode gepresenteerd. Per doelstelling wordt per stad de ontwikkeling weergegeven, waarbij aangesloten wordt bij de thema’s uit het hoofdrapport. Het laatste hoofdstuk sluit aan bij hoofdstuk 6 uit het Jaarboek Grotestedenbeleid 2004. Hierin wordt aan de hand van 21 indicatoren uit de voorgaande hoofdstukken in het Jaarboek een stedenprofiel gegeven op basis van het signaleringssysteem, waarbij de steden op alle indicatoren worden afgezet tegen het G30-gemiddelde. (B24756)

  • PriceWaterhouseCoopers, Cities of the future : global competition, local leadership
    Z.P. : PriceWaterhouseCoopers, 2005. 175 p.
    PriceWaterhouseCoopers heeft in 44 grote steden, waaronder Amsterdam en Den Haag, over de hele wereld onderzocht welke trends en uitdagingen burgemeesters en gemeentesecretarissen zien. In het boek wordt beschreven welke opgaven er zijn maar ook welke 'kapitalen' in samenhang gezet kunnen worden om de toegevoegde waarde te kunnen realiseren en optimaal kunnen worden ingezet in de concurrentiestrijd. Het gaat om sociaal, intellectueel, democratisch, technisch, milieu, cultureel en financieel kapitaal. In Nederland doen de grote steden ook mee aan deze concurrentie. Echter, het is verspilde energie deze concurrentie te richten op Nederlandse steden onderling; de maatschappelijke problemen vragen nu dringend om het vormen van slimme coalities. (B24418)

  • SCP; Gijsberts, M.; Dagevos, J., Uit elkaars buurt : de invloed van etnische concentratie op integratie en beeldvorming
    Den Haag : SCP, 2005. .
    SCP-publicatie, nr. 2005/13
    In het integratiedebat van de laatste jaren wordt de concentratie van minderheden in buurten en scholen van de grote steden steeds vaker gezien als oorzaak van de falende integratie. Maar klopt dat ook met de feiten? Deze publicatie onderzoekt het verband tussen etnische concentratie en (elementen van) sociaal-culturele integratie en draagt bij aan de kennisvorming en discussie over de betekenis van etnische concentratie. Hebben etnische concentraties in buurten een weerslag op de contacten tussen allochtonen en autochtonen en wordt de kennis van het Nederlands erdoor beïnvloed? En de vraag wordt gesteld of zwarte scholen nadelig zijn voor de taalprestaties van leerlingen. Voor een succesvolle sociaal-culturele integratie is het van belang te weten hoe autochtonen en allochtonen over elkaar en over de aanwezigheid van minderheden in het algemeen denken. Worden deze opvattingen beïnvloed door (toenemende) concentraties minderheden in de buurten van de grote steden? (B23854)

  • Min. EZ; ECORYS Nederland; Holt, D.; [et al]. Benchmark gemeentelijk ondernemingsklimaat : thematische rapportage eindmeting : eindrapportage
    Den Haag : Min. EZ, 2005.
    Eindmeting van de inventarisatie in de 30 gemeenten van het Grotestedenbeleid (GSB) van de waardering van ondernemers voor het gemeentelijke ondernemingsklimaat en de inspanning die de gemeenten plegen om dit klimaat te optimaliseren. Deze tussenmeting is een vervolg op de nul-meting van 1999/2000. Doel is de gemeente te stimuleren verbeteringen in hun ondernemingsklimaat door te voeren. De benchmark vormt verder de belangrijkste monitor van de "Stadseconomie" in het kader van de GSB. In het algemeen scoren de gemeenten ten opzichte van de nulmeting beter op de diverse benchmarkindicatoren. Voor een belangrijk deel lijkt deze verbetering het gevolg van intensivering en structurering van de communicatie met het bedrijfsleven. De gemeenten zijn op een aantal thema's getoetst, te weten: Algemene waardering ondernemers, organisatie van economisch beleid, gemeentelijke dienstverlening, ontwikkeling economische structuur, ruimte en infrastructuur, voorzieningen en etnisch ondernemerschap.
    Zie ook bijbehorende bijlage B23833 (B23832)

  • Min. EZ; ECORYS Nederland; Holt, D.; [et al]., Benchmark gemeentelijk ondernemingsklimaat : bijlagenrapport eindmeting
    Den Haag : Min. EZ, 2005. 68 p.
    Deze bijlage is onderdeel van de thematische rapportage van de eindmeting van de Benchmark Gemeentelijk Ondernemingsklimaat en bevat: een statistische verantwoording van de analyse van de telefonische enquête onder ondernemers; de rapportcijfers van de nul-, tussen- en eindmeting per gemeente; de voor de eindmeting gebruikte vragenlijst.
    Bijlage bij B23832 (B23833)

  • WRR, Vertrouwen in de buurt
    Amsterdam : Amsterdam University Press, 2005.
    Rapporten aan de regering, nr. 72
    Het rapport biedt inzicht in de manier waarop burgers, door versterking van kleinschalige verbanden, effectief kunnen bijdragen aan de leefbaarheid van hun buurt. Het rapport laat zien onder welke voorwaarden op buurtniveau 'sociaal kapitaal' ontstaat en groeit. Het rapport geeft aan op welke wijze beleidsmakers en uitvoerders deze initiatieven kunnen ondersteunen. (B23731)

  • WRR; [et al.], Sociale herovering in Amsterdam en Rotterdam : een verhaal over twee wijken
    Amsterdam : Amsterdam University Press, 2005.
    WRR verkenningen, nr. 8
    De verkenning handelt over twee achterstandsbuurten waar door een krachtige strategie van sociale herovering met inzet van overheden, burgers en maatschappelijke organisaties de negatieve spiraal van onleefbaarheid kon worden doorbroken. (B23732)

  • WRR; [et al.], Buurtinitiatieven en buurtbeleid in Nederland anno 2004 : analyse van een veldonderzoek van 28 casussen
    Den Haag : WRR, 2005.
    Webpublicatie, nr. 9
    Ten behoeve van het WRR-rapport Vertrouwen in de buurt (2005) is door de WRR ook een eigen veldonderzoek uitgevoerd. De resultaten van de onderzochte casussen, een 28-tal good practices, zijn in deze webpublicatie beschikbaar gesteld. (B23733)

  • Min. EZ; [et al.], NFSE verantwoord : rapport in het kader van de op te stellen richtlijnen voor verantwoording over de GSB-convenantperioden 1999-2004 & 2005-2009
    Den Haag : Min. EZ, 2003.
    Beleidsstudies, Publicatienr. 04O09
    In 2005 dienen gemeenten verantwoording af te leggen aan het Rijk over het Grote Stedenbeleid (GSB). Eén van de onderdelen van het GSB betreft de niet-fysieke stadseconomie (NFSE). De NFSE richt zich op thema’s als het stimuleren van ondernemerschap en het verbeteren van het ondernemingsklimaat voor kansrijke sectoren en clusters. Het onderzoek en het rapport zijn gericht op het inventariseren van de wijze waarop de 30 GSB-gemeenten zijn omgegaan met de NFSE. Teneinde een beeld te kunnen vormen omtrent de vraag hoe de GSB-gemeenten omgegaan zijn met de NFSE is een toetsingskader opgesteld op basis waarvan bij de 30 GSB-gemeenten de volgende thema’s zijn geïnventariseerd: 1. de traceerbaarheid van de inkomende en uitgaande geldbeweging in het kader van de NFSE; 2. de zichtbaarheid (projectmatige aanpak) van de werkzaamheden in het kader van de NFSE; 3. de beleidsmatige inbedding van de uitvoering van de NFSE in het Meerjaren Ontwikkelingsprogramma (MOP). (B23071)

  • Adviescie Strategische Kennisthema's Grote Steden; Kenniscentrum Grote Steden; Min. BZK, De staat van de stad : rapport van de Adviescommissie Strategische Kennisthema's Grote Steden
    [Den Haag] : KCGS, 2003.
    Deze onderzoeksagenda is een gezamenlijk initiatief van het Ministerie van BZK en het kenniscentrum Grote Steden. De onderzoeksagenda is een richtinggevend document voor stedelijk onderzoek op de korte en middellange termijn en wil onder meer samenhang brengen in de onderzoeksvragen van steden, departementen en onderzoeksinstellingen. Thema's op de agenda zijn: Het wezen van de stad; Diversiteit en samenhang; Dynamiek en verankering; Individu en gemeenschap; Netwerk en institutie. (B21664)

  • Kenniscentrum Grote Steden; Zouridis, S. [et al.], De staat van de stad : deelstudies
    Den Haag : KCGS, 2003.
    Bevat de volgende deelstudies: A. Steden op drift: bestuurders en beleidsmakers gevraagd. Deze deelstudie is een 'praktijkscan' gebaseerd op interviews met bestuurders en beleidsmakers. Ingegaan wordt op ontwikkelingen en trends in steden, stedelijkheid en vraagstukken die zich daarbij voordoen, de positie van het stadsbestuur, kennisvragen van bestuurders en beleidsmakers; B. Beelden van de stad : een literatuurgesprek. In dit essay wordt ingegaan op verschillende stadsbeelden - variërend van 'informational city' tot 'fantasy city'; C. Tien onderzoeksvragen over de sociale identiteit van de stad; D. Organiserend vermogen in perspectief. Deze rapportage bespreekt wat er onder organiserend vermogen wordt verstaan, geïllustreerd met voorbeelden uit het buitenland. Ten slotte mondt de rapportage uit in een praktisch relevante onderzoeksagenda voor de komende jaren; E. berichten uit de pijlers: een overzicht van de belangrijkste thema's en discussies in de pijlers van het grotestedenbeleid. Hier worden de belangrijkste thema's en discussies in de drie GSB-pijlers (fysieke pijler, sociale pijler, pijler, economie en werk) besproken; F. Bijlag: Grotestedenbeleid in het buitenland. (B21665)

  • Min. BZK; Ecorys, Jaarboek grotestedenbeleid 2002
    Den Haag : Min. BZK, 2003.
    Het Jaarboek Grotestedenbeleid beschrijft de ontwikkelingen en trends in de 30 grote steden. Achtereenvolgens komen aan de orde: Werk, arbeid en scholing; Ondernemingsklimaat en bereikbaarheid; Wonen, leefbaarheid en veiligheid; Ruimtelijke concentratie op wijkniveau. Belangrijkste conclusies uit het Jaarboek Grote Stedenbeleid 2002: De sociaal-economische positie van de grote steden is de laatste jaren verbeterd. De concurrentiepositie van de steden op de woningmarkt ten opzichte van de regio is eveneens iets verbeterd. De daling van de werkloosheid en de groei van de werkgelegenheid stabiliseren zich. Er blijven echter wel hardnekkige problemen, zoals het achterblijven van de woningkwaliteit en de uitstroom van gezinnen. Daarnaast nemen criminaliteit en gevoelens van onveiligheid en verloedering toe in de grote steden. Het vernieuwen en verbeteren van de steden dienen dan ook op alle fronten te worden doorgezet. (B21582)

  • SMO; Hogewind, S. N.; Bakas, A.; Ver. VNO-NCW, Stad in spanning : economische gevolgen van de demografische ontwikkelingen in de vier grote steden
    Den Haag : SMO, 2002.
    SMO-2002-6
    De grote steden in Nederland zullen de komende tien jaar onder invloed van demografische ontwikkelingen ingrijpend veranderen. Binnen enkele jaren zal de bevolking van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag voor meer dan de helft uit allochtonen bestaan. Ook krijgen de grote steden te maken met een groeiende groep allochtone ouderen, terwijl de autochtone ouderen juist de grote steden verlaten. Deze ontwikkelingen hebben belangrijke gevolgen voor de stedelijke economie . Deze publicatie analyseert deze gevolgen aan de hand van een succesvol Amerikaans model en bekijkt op welke manier de economische orde en netwerkstructuren in de stad zich zullen moeten aanpassen. Locale overheden, maar ook het 'autochtone' bedrijfsleven, moeten meer rekening houden met de 'verkleuring' van de samenleving, stellen de onderzoekers. Ook moeten de allochtonen zelf meer worden betrokken bij het ontwikkelen van plannen. In de bijlage gaat het rapport in op allochtoon ondernemerschap. (B21064)

  • Priemus, H.; [et al.], De stedelijke investeringsopgave 2003-2014
    Delft : DUP Science, 2002.
    Stedelijke en regionale verkenningen, nr. 30
    De stedelijke investeringsopgave 2003-2014 wordt in beeld gebracht, in relatie tot het ICES beleid in het algemeen en het Grotestedenbeleid in het bijzonder. De investeringen worden voor de periode 2003-2014 gerangschikt naar investeringscategorie en kostendrager, voor de G30 gekwantificeerd. Na een typering van de dertig steden komen in het rapport de volgende investeringscategorieën aan de orde: woon- en leefomgeving; economische vitaliteit; cultureel erfgoed; duurzaamheid en veiligheid; bereikbaarheid; en overige fysieke investeringen. Tot slot wordt ingegaan op de bestuurlijke arrangementen die nodig zijn om deze investeringsopgave te realiseren. (B21049)

  • Priemus, H.; Onderzoeksinst. OTB, Economische structuurversterking, stedelijke vernieuwing en de ICT-revolutie
    Delft : DUP Science, 2002.
    Stedelijke en regionale verkenningen, nr. 28
    De stand van zaken van het economisch structuurversterkingsbeleid van het kabinet, het stedelijke vernieuwingsbeleid van het kabinet en van de G30-steden aan het begin van 2002 en de vermoedelijk ruimtelijke effecten van de toenemende toepassing van ICT vormen de centrale thema's van deze publicatie. Achtereenvolgens komen aan de orde het ICES beleidskader, het vigerende nationale economische structuurversterkingsbeleid, het vigerende Grotestedenbeleid en het stedelijk vernieuwingsbeleid, de meerjarenontwikkelingsprogramma's als stedelijke beleidskaders. Bij het stedelijke vernieuwingsbeleid zijn door verschillende instanties kanttekeningen geplaatst. De laatste hoofdstukken gaan in op de mogelijke betekenis van ICT-toepassingen voor de stad: de ruimtelijke gevolgen van ICT en de gevolgen van ICT voor het wonen in de stad. Fysieke en digitale bereikbaarheid dienen in de komende jaren belangrijke speerpunten van het stedelijke investeringsbeleid te zijn. (B21050)

  • Ypeij, A.; Snel, E.; Engbersen, G.; RISBO, Armoede in Amsterdam-Noord : eerste deelstudie van project 'Landschappen van armoede'
    Rotterdam : RISBO, 2002.
    Werkstukken Sociale Vraagstukken en Beleid
    Dit rapport is een eerste verslag van het onderzoeksproject 'Landschappen van armoede', Het project beoogt een beschrijving en verklaring te bieden van de leefsituatie van diverse kwetsbare groepen in verschillende stedelijke en rurale gebieden in Nederland. Het onderzoek wil niet alleen de precaire financiële situatie van deze groepen beschrijven, maar richt de aandacht vooral op de wijze waarop de betrokkenen actief omgaan met deze situatie. Centraal in het onderzoek staat de vraag naar de strategieën die arme huishoudens ontwikkelen om hun situatie hanteerbaar te maken dan wel te verbeteren. Een belangrijk aspect hiervan is de sociale inbedding van arme huishoudens in (deels buurtgebonden) netwerken van familie en personen, die zich in een soortgelijke situatie bevinden. Ook wordt in het onderzoek aandacht besteed aan het (lokale) armoedebeleid. Het rapport over Amsterdam-Noord richt zich met name op autochtone buurtbewoners die reeds lang in Amsterdam-Noord wonen en daar een sterke binding mee hebben. (B20908)

  • Staring, R.; Engbersen, G.; Ypeij, A., Armoede, migranten en informaliteit in Rotterdam-Delfshaven : tweede deelstudie van project 'Landschappen van armoede'
    Roterdam : RISBO, 2002.
    Werkstukken Sociale Vraagstukken en Beleid
    Deze deelstudie is uitgevoerd in Rotterdam-Delfshaven. In dit tweede rapport wordt vooral aandacht besteed aan de betekenis van informele economische activiteiten voor arme huishoudens. (B20909)

  • Ypeij, A.; Snel, E.; Risbo, Armoede en bestaansstrategieën : formele en informele sociale zekerheid in Amsterdam-Zuidoost : derde deelstudie van project 'Landschappen en armoede'
    Rotterdam : RISBO, 2002.
    Werkstukken Sociale Vraagstukken en Beleid
    In deze derde deelstudie wordt verslag gedaan van intensief onderzoek onder zeventig huishoudens in Amsterdam-Zuidoost. Ook wordt gebruik gemaakt van eerder verzamelde gegevens in Amsterdam-Noord. In dit rapport staat vooral de positie van eenoudergezinnen centraal, waarbij systematisch aandacht wordt besteed aan twee belangrijke bestaansstrategieën, namelijk de mate waarin arme huishoudens profiteren van het lokale armoedebeleid en de mate waarin arme huishoudens diverse hulpbronnen weten te mobiliseren uit de sociale netwerken waarvan zij deel uit maken (B20910)

  • Ypeij, A.; Engbersen, G.; RISBO, Sociaal investeren in de sociale infrastructuur
    Rotterdam : RISBO, 2002.
    Werkstukken Sociale Vraagstukken en Beleid
    Dit onderwerpt de sociale infrastructuur in Amsterdam-Noord en -Zuidoost aan een nadere analyse. De doelstelling van het rapport is tweeledig. In de eerste plaats wordt het gebrek aan overeenstemming tussen het veld van de sociale infrastructuur en de arme huishoudens van kwetsbare burgers nader in kaart gebracht. In de tweede plaats worden beleidssuggesties gedaan voor verbetering van de onderlinge institutionele verhoudingen met als opzet de maatschappelijke positie van kwetsbare groepen substantieel te verbeteren. (B20911)

  • B&A Groep Beleidsonderzoek & -Advies; [et al.], Regionale samenwerking en afstemming in het grotestedenbeleid : eindrapport
    Den Haag : B&A Groep, 2002.
    Verkennend onderzoek naar de knelpunten bij het, samen met regionale partners, oplossen van stedelijke vraagstukken. Centraal staat hierin de regionale afstemming en programmering op fysiek-ruimtelijk terrein tussen centrumstad en buurgemeenten, centrumstad en stedelijke regio/kaderwetgebied en centrumstad en provincie. In de tweede plaats geeft het onderzoek een aanzet voor concrete oplossingen voor de afstemmings- en programmeringsproblematiek. (B20898)

  • SCP; Hart, J. de; Knol, F.; Maas-de Waal, C.; Roes, Th. [et al.], Zekere banden : sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid
    Den Haag : SCP, 2002
    SCP-publicatie, nr. 2002/05
    In discussies over het Nederland van nu wordt veelvuldig gerept over 'sociale cohesie', 'maatschappelijke integratie', 'leefbaarheid' en 'veiligheid'. Het SCP heeft onderzoek gedaan naar deze fenomenen en de resultaten daarvan in deze publicatie bijeengebracht. Het eerste deel van de publicatie gaat uitgebreid in op het centrale thema van het rapport 'Sociale cohesie'. Op basis van survey-onderzoek dat door de jaren heen is gehouden onder landelijke steekproeven uit de Nederlandse bevolking wordt een beeld geschetst van verschuivingen inzake een aantal indicatoren van sociale cohesie en integratie. Hier worden onder andere een aantal informele segmenten van de sociale infrastructuur besproken. Vervolgens wordt het thema nader uitgediept voor een aantal sectoren en groepen: het onderwijs, kinderopvang en (informele) zorg, vrijetijdsbesteding, (ex-)psychiatrische patiënten, etnische minderheden en sociale activering van langdurig werklozen. Voorts is vergelijking opgenomen tussen een aantal concrete wijken naar het beeld dat zij vertonen vanuit het perspectief van sociale cohesie. Deel 2 start met een beschrijving van veranderingen die zich in de afgelopen decennia in Nederland hebben voorgedaan in de fysieke woonomgeving. Dit deel brengt de ontwikkelingen in kaart m.b.t. het tweede centrale thema: veiligheid en veiligheidsbeleving. Een belangrijke conclusie in het rapport is: veiligheid en veiligheidsbeleving hangen sterk samen met aspecten van sociale cohesie en integratie. (B20546)

  • Musterd, S.; [et al.], Strijd om de stad : sociale en economische integratie in de stedelijke samenleving
    Assen : Van Gorcum, 2002.
    Een van de belangrijkste sociale verschijnselen in de steden is de snel veranderende bevolkingssamenstelling. Nieuwe groepen komen de steden binnen, andere verlaten de stad. Maar ook de ‘zittende’ bevolking is erg mobiel en verhuist gemakkelijk tussen de wijken en buurten. Al die bevolkingsbewegingen betekenen een toename van de 'strijd' om de fysieke, sociale, economische en culturele ruimte die de steden bieden. Integratie of uitsluiting in de stedelijke samenleving, met name van nieuwe bevolkingsgroepen, vormt het thema van dit boek. Een tiental bekende auteurs op het gebied van stedelijke studies geeft een samenhangend beeld van die 'strijd om de stad’. Bevat de volgende bijdragen: Strijd om de stad; Immigratie, hoogconjunctuur en uitsortering; Concentratie van nieuwkomers en werklozen; Sorteermachine Amsterdam; Immigranten en andere nieuwkomers in de stad; De innovatieve stad en de arbeidsmarkt; Kansenstructuur, migrantenondernemerschap en beleid; Wederzijdse dienstverlening en sociale netwerken; Publiek domein en maatschappelijke integratie; De strijd beslecht? (B20485)

  • Min. BZK, Steden op stoom : tussenstand grotestedenbeleid 1994 – 2002
    Den Haag : Min. BZK, 2002.
    Met de Tussenstand grotestedenbeleid (GSB) geeft het kabinet tussentijds inzicht in de aanpak, vorderingen en resultaten in de uitvoering van het GSB. De eindverantwoording over het realiseren van de afgesproken maatschappelijke resultaten en over de besteding van de middelen door de steden in deze tweede convenantsperiode vindt zoals afgesproken eenmalig in 2005 plaats. De Tussenstand GSB bestaat uit twee hoofddelen: In deel I geeft het kabinet zijn belangrijkste bevindingen weer van zeven jaar GSB en trekt het lijnen naar de toekomst. Het tweede deel van de Tussenstand bestaat uit een groot aantal onderliggende stukken die gebruikt zijn als input voor de kabinetsbrief. Het betreft hier onder meer het Jaarboek GSB 2001, de adviezen van de SER, de Raad voor het openbaar bestuur en de Raad voor de financiële verhoudingen, de RMO en de Vrom-raad, de samenvatting van de zelfanalyse van het Rijk en het rapport van de Expertgroep Brinkman. In deze tussenstand komt het kabinet tot de conclusie dat dankzij de inspanningen van burgers, instellingen, bedrijven en steden en een kabinetsbrede inzet de eerste positieve resultaten zichtbaar zijn. Ook publieksversie aanwezig. (B20350)

  • G4; Gemeente Amsterdam; Gemeente Rotterdam; Gemeente Den Haag; Gemeente Utrecht, De stad in de wereld : de wereld in de stad : manifest G4
    Z.P. ; G4, 2001.
    De vier grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht (G4) gaan de komende jaren nauw samenwerken om een internationaal georiënteerde, economisch sterke Randstad te ontwikkelen. Tegelijkertijd maken de G4 een aanvalsplan om de sociaal en culturele problemen van de steden aan te pakken. De plannen en maatregelen die de G4 voor ogen hebben, staan in het manifest 'De stad in de wereld, De wereld in de stad. Het gaat zowel beter als slechter in de G4. Beter dan bij aanvang van het Grotestedenbeleid en de stedelijke vernieuwing voor mogelijk werd gehouden. Slechter, omdat de voorspoed ook problemen aan de oppervlakte heeft gebracht of heeft verscherpt. De G4 hebben tien concrete voorstellen geformuleerd die zij samen met het Rijk nader willen uitwerken. (B20243)

  • Priemus, H.; [et al.], De stad van de toekomst : de toekomst van de stad
    Delft : DUP Satelite, 2001.
    OTB-studiedagverslag, nr. 24
    Bevat de volgende bijdragen: De stad van de toekomst; De complete stad (een exposé over het Nederlandse Grotestedenbeleid); The coming era of the City-State? (Hierin wordt antwoord gegeven op de vraag of het komende tijdperk dat van de stad-staat zal worden); An urban Renaissance; Comparing apples to oranges: ethnic segragation in th USA and the Netherlands (over de Nederlandse en Europese steden in hun strijd tegen etnische segregatie); Vijf dilemma's rond stedelijke vernieuwing (over de problematiek van ruimtelijke segregatie en stedelijke vernieuwing); De economische betekenis van de stad: een (r)evolutie?; De onwennige metropool. (B20032)

  • VROM-raad, Grotestedenbeleid, voortzetten en verbouwen : advies over grotestedenbeleid
    Den Haag : VROM-raad, 2001.
    Advies, nr. 030
    Advies over de optimalisatie van het stelsel grotestedenbeleid. De VROM-raad is met name ingegaan op de inhoudelijke kant van het grotestedenbeleid en het schaalniveau. De VROM-raad constateert dat de regio nu nog onvoldoende 'mede-eigenaar' is van de grotestedenproblematiek. Daarom moet de rijksoverheid een 'regionale kop' op het grotestedenbeleid zetten. De volgende Meerjarige Ontwikkelingsprogramma's zijn geen stedelijke, maar regionale ontwikkelingsprogramma's. Uiteraard moeten die zaken die op het lokale schaalniveau goed kunnen, ook lokaal worden gedaan. Maar zaken als wonen, werken, groen en verkeer vragen om een regionaal beleidskader. Het Rijk moet een financiële bonus geven op regionalisering van het beleid. Tussen de drie pijlers van het beleid (fysiek, sociaal, economisch) moeten meer verbindingen worden gelegd. Er zou niet alleen gesproken moeten worden over sociale effecten van fysiek beleid, maar ook over fysieke effecten van sociaal beleid. (B19950)

  • RMO, Van uitzondering naar regel : maatwerk in het grotestedenbeleid
    Den Haag : RMO, 2001.
    Advies, nr. 19
    Advies over de optimalisatie van het grotestedenbeleid (GSB). Het advies beschrijft achtereenvolgens het sturingskader van het grotestedenbeleid en besteedt beknopt aandacht aan de kritische rapporten van het CPB en de Algemene Rekenkamer. Vervolgens beschrijft het advies het beoordelingskader. Daarbij gaat het om de herwaardering van de organisatie van het publieke domein. Tevens wordt een verband gelegd tussen enerzijds schaal, sturing en samenhang, en anderzijds het grotestedenbeleid. Voorts wordt het GSB-stelsel beoordeeld. De RMO beveelt een aangescherpt besturingsparadigma voor het grotestedenbeleid aan. De RMO waardeert vooral de impuls die het grotestedenbeleid aan de vernieuwing van publieke organisaties geeft. Het beleid gaat uit van een aantal cruciale principes: ruimte voor lokaal maatwerk, aansluiten bij bestaande netwerken, partnerschap tussen betrokkenen. (B19949)

  • Raad voor het openbaar bestuur; Raad voor de financiële verhoudingen, Steden zonder muren : toekomst van het grotestedenbeleid
    Den Haag : Rob, 2001.
    De Rob en de Rfv zijn gevraagd te adviseren over een optimalisatie van de werking van het stelsel grotestedenbeleid. Daarnaast is de Raden gevraagd specifiek in te gaan op de selectie van steden. Achtergrond bij de adviesaanvraag is het streven van het kabinet naar verdere optimalisatie van het GSB-stelsel in de aanloop naar de volgende convenantsperiode. Allereerst wordt een beschrijving op hoofdlijnen gegeven van de geschiedenis en de inhoud van het GSB. Daarna volgt een weergave van de belangrijkste bevindingen uit studies van de SER (1998), de Visitatiecommissie Grote-Stedenbeleid (1998), het CPB (2000) en de Algemene Rekenkamer (2001). Vervolgens gaan de Raden in op de relatie tussen de sturingsfilosofie, de bestuurlijke schaal en de schaal waarop maatschappelijke problemen zich voordoen, en op onderwerpen als regionale samenwerking, aanpak op wijkniveau en lokaal en regionaal draagvlak. In een vervolghoofdstuk staat de relatie tussen prestatiesturing en integraliteit van beleid centraal. Tot slot wordt specifiek ingegaan op het selectieproces en de toekomst van het grotestedenbeleid. (B19948)

  • SCP; Wouden, R. van de; Bruijne, E. de; Wittebrood, K., De stad in de omtrek : problemen en perspectieven van de vier grootstedelijke gebieden in de Randstad
    Den Haag : SCP, 2001.
    SCP-publicatie, nr. 2001/13
    In het rapport worden de ontwikkelingen in de vier grootstedelijke gebieden van de Randstad op tal van terreinen onderzocht. Aan de orde komen onder meer: bevolkingsontwikkeling, woningmarkt, economie, arbeidsmarkt en uitkeringsafhankelijkheid, segregatie naar inkomen en etniciteit en criminaliteit. Er wordt bovendien bijzondere aandacht besteed aan de benarde positie van de middengroepen in de stad, aan de wisselwerking tussen de grote stad en de regio en aan het grotestedenbeleid. (B19916)

  • Min. VROM, Monitor stedelijke vernieuwing : signaleren van stedelijke ontwikkelingen
    Den Haag : Min. VROM, 2001.
    De monitor SV is een landelijke thermometer om het proces van stedelijke vernieuwing te monitoren. De Monitor gaat in op het beleidskader stedelijke vernieuwing, de rol die het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV) speelt binnen het grotestedenbeleid, het gemeentelijke kwaliteitszorgsysteem en de rol van de Monitor SV; twee onderdelen van de Monitor, te weten de indicatorenset en de procesmonitor; de gegevensverzameling en de wijze waarop wordt omgesprongen met de gesignaleerde ontwikkeling. (B19816)

  • Vreeswijk, A. M. G.; Verhoeven, J. Th. M.; Verweij, A. O.; Weijers, Y. M. R.; ISEO; Erasmus Universiteit; Min. BIZA, Jaarboek 2000 grotestedenbeleid
    Assen : Van Gorcum, 2001.
    Het Jaarboek Grotestedenbeleid 2000 is een monitor van het grotestedenbeleid. De inmiddels zesde editie geeft een beeld van de situatie op 1 januari 2000 in de 25 grote steden die onder het grote stedenbeleid vallen. Daarnaast geldt dit Jaarboek als een nulmeting voor de nieuwe vierjarige convenantsperiode die is ingegaan op 20 december 1999. Onderwerpen die aan de orde komen zijn: demografie; werkgelegenheid, bedrijvigheid en ondernemingsklimaat; inactiviteit op de arbeidsmarkt, werkloosheid, bijstand en arbeidsongeschiktheid; wonen en woonbeleving; veiligheid; ruimtelijke concentratie. (B19430)

  • VROM-raad, Verscheidenheid en samenhang : stedelijke ontwikkeling als meervoudige opgave : visie op de stad 2
    Den Haag : VROM-raad, 2001.
    Advies, nr. 025
    Uitgangspunt voor het advies is het thema 'zorgvuldig ruimtegebruik'. Ruimtelijke keuzen moeten het resultaat zijn van een grondige en samenhangende afweging tussen economische doelmatigheid, sociale rechtvaardigheid, culturele identiteit en ecologische duurzaamheid. Die samenhangende afweging dient gemaakt te worden in verplicht te stellen gemeentelijke en regionale structuurplannen. Gemeenten moeten vervolgens de ruimte krijgen om op hun eigen wijze invulling te geven aan stedelijke herstructureringsplannen. De Raad kan zich vinden in het vaststellen van een bandbreedte voor milieunormen, waarbij aangegeven wordt wat een absoluut noodzakelijk minimumniveau is en wat daarboven uitwisselbaar kan zijn. Daarnaast dienen gemeenten niet snelheid, maar kwaliteit als uitgangspunt te nemen voor stedelijke herstructureringsplannen. (B19352)

  • European Inst. for Comperative Urban Research; Erasmus Universiteit; Berg, L. van den; [et al.], Social challenges and organising capacity in cities
    Rotterdam : Euricur, 2001.
    Onderzocht wordt welke strategie er wordt gevolgd om de sociale problemen in de steden aan te pakken. Het rapport bevat acht case-studies over de volgende steden: Rotterdam-Hoogvliet, Strasbourg, Antwerpen, Malmö-Hyllie, Stockholm-Norrmalm, Helsinki, Utrecht, en Eindhoven. (B19758)

  • NEI; Min. BZK, Stad en omgeving : onlosmakelijk verbonden : eindrapportage
    Rotterdam : NEI, 2001.
    Onderzoek naar de relatie tussen stad en omgeving. In dit onderzoek worden de markten waarop grootstedelijke problemen zich manifesteren onder de loep genomen. Het betreft de volgende vijf markten: arbeidsmarkt; woningmarkt; markt voor bedrijfslocaties; scholingsmarkt; markt voor voorzieningen. Het thema mobiliteit (bereikbaarheid) zal in het kader van de arbeidsmarkt behandeld worden. Het onderzoek geeft antwoord op de volgende vragen: Wat zijn voor de G25 en de 5 partiële gemeenten relevante geografische marktgebieden?; Hoe was de ontwikkeling van stad en omgeving tussen 1990 en het heden?; Wat is de verwachte toekomstige ontwikkeling van steden en hun omgeving? Voor ieder van de vijf markten worden indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan de geografische schalen in kaart worden gebracht. tevens wordt een doorkijk gegeven naar de vervolgfasen van het onderzoek. Wat kan er gedaan worden met de analyse van relevante marktgebieden? En wat betekenen de regionale markten voor het verdere onderzoek in fase 2 en 3? (B19866)

  • Nyfer; Putman, L. S.; Tames, I. M.; Min. BZK, "En de stad zeilt verder" : investeren in de leefbaarheid van grote steden
    Breukelen : Nyfer, 2000.
    Leidraad in dit onderzoek is hoe er binnen het grotestedenbeleid kan worden omgegaan met de leefbaarheid van de stad. Het rapport gaat in op vragen als wat maakt de stad aantrekkelijk en leefbaar?, en bespreekt inzichten in de dynamiek van de stedelijke ontwikkelingen evaluatiestudies van projecten gericht op het verbeteren van de leefbaarheid van de stad. De projecten zijn onderverdeeld in vijf facetten, te weten: (culturele) voorzieningen (o.a. etnische ondernemerschap, sponsorprojecten, business improvement districts in Wiscon); veiligheid en criminaliteit; wonen en woonomgeving (o.a. verkoop van sociale woningen); onderwijs; en arbeidsmarkt (o.a. individuele budgetten). (B19101)

  • CPB; Blokdijk, J.; Bork, G. van; Eijgenraam, C. Hoek, T. van, Op weg naar een effectiever grotestedenbeleid
    Den Haag : CPB, 2000.
    Werkdocument, nr. 117
    Op verzoek van het Min. BZK heeft het CPB een evaluatie uitgevoerd van 25 stedelijke ontwikkelingsprogramma's die door steden zijn opgesteld in het kader van het Grotestedenbeleid (GSB). Doel van de evaluatie is om in te gaan op de effectiviteit van het in de meerjarenprogramma's voorgestelde beleid. Daarnaast verschaft de evaluatie een indruk van het beleid in de programma's. Met deze twee elementen draagt de evaluatie nuttige informatie aan over een aantal belangrijke economische, sociale en fysieke vraagstukken die bij het grotestedenbeleid aan de orde zijn Aan de orde komen o.a.: bereikbaarheid, verkeersveiligheid, kwetsbare groepen, arbeidsmarktbeleid, aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt, verbetering van de openbare ruimte, woningvoorraad, milieu-efficiëntie, het bevorderen van veiligheid, ontwikkelingskansen van de jeugd en het bestrijden van criminaliteit. (B18255)

  • Akkers, B.; SER, Het grote-stedenbeleid : situatie, theorie, beleid en oordeel
    Groningen : RU, 1996.
    Verslag van een onderzoek naar de hoofdpunten van het Grote-stedenbeleid (GSB). Gekeken wordt naar de verwachtingen van het GSB met betrekking tot het verlagen van de grootstedelijke werkloosheid. Daartoe wordt eerst een overzicht gegeven van de problematiek van de grote stad. Vervolgens wordt ingegaan op de theorie die (in)direct op de problematiek van de grote steden inspeelt, een beschijving van het huidige GSB, de ontwikkelingen rond de bestuurlijke vernieuwing en de financiële verhouding. Ten slotte wordt beoordeeld of het GSB de juiste maatregelen bevat om de grootstedelijke werkloosheid te verlagen.
    Afstudeerscriptie (B14497)