Literatuurlijst Energiebeleid

SER-publicaties - Boeken - Tijdschriftartikelen - Standaardwerken

 

  • Planbureau voor de Leefomgeving; Verdonk, M.; Boot, P. A. Ros, J. P. M., Beleid voor klimaat en hernieuwbare energie: op weg naar 2050
    Den Haag : PBL, 2011. 17 p.
    PBL-notitie
    De huidige klimaat- en energiedoelen voor 2020 bieden onvoldoende stimulans om in 2050, 80-95 procent minder broeikasgassen uit te stoten. Daarvoor is een (Europees) klimaatdoel voor 2030 én meer bevordering van innovatie nodig. (B30489)
     
  • TU Delft, Energie-universiteit van de toekomst
    Delft : TU Delft, 2011. 46 p.
    In het boek zijn de ambassadeursgesprekken van voormalig ambassadeur van het Delft Energy Initiative, Ivo Opstellen, gebundeld. Deze ambassadeursgesprekken zijn zeer waardevol gebleken bij het voeren van de discussie over de rol van de TU Delft bij de energietransitie. Bevat interviews met: Alexander Rinnooy Kan; Jan van de Eijk; Ton Hoff; Renk Roborgh; Hans van der Noordaa; Bernard Wientjes; Jan Terlouw; Feike Sijbesma; Joost van Dijk; Pieter Verberne; Herman Wijffels; Emmo Meijer; Johan van de Gronden. (B30346)
     
  • ING; Hieminga, G.; Woelderen, S. van, Hernieuwbare energie in Nederland tot 2020 : investeringskansen voor de energietransitie naar een koolstofarme economie
    [Amsterdam] : ING, 2011. 65 p.
    De overheid kan haar doelstelling voor de verduurzaming van Nederland alleen halen als er op korte termijn een omvangrijk Groen Deltaplan komt. Alleen zo kan de overheidsdoelstelling worden gehaald om in 2020 14% van de Nederlandse energievoorziening uit duurzame energiebronnen te halen en op termijn door te groeien naar een volledige koolstofarme economie. (B30203)
     
  • CPB; Mulder, P.; Groot, H. L. F. de, Dutch sectoral energy intensity developments in international perspective, 1987–2005
    Den Haag : CPB, 2011. 60 p.
    CPB discussion paper, nr. 190
    Deze studie maakt gebruik van een nieuwe dataset voor het analyseren van de ontwikkeling van energie-intensiteit in Nederland, gedurende de periode 1987−2005 en in vergelijking met 18 andere OESO-landen. Een belangrijk kenmerk van de analyse is de combinatie van meerdere landen en een gedetailleerd sectorniveau. Bijzonder vernieuwend is een evaluatie van de ontwikkeling van de energie-intensiteit in een reeks van dienstensectoren. Uit de analyse blijkt dat tussen 1987 en 2005 de energie-intensiteit in Nederland is afgenomen met 0,9% procent-punt voor de economie als geheel en met 0,2% procent-punt in de industrie, terwijl de energie-intensiteit met 0,4% procent-punt is gestegen in de dienstensector. Deze prestatie is aanzienlijk lager dan het OESO-gemiddelde en was vooral laag in de periode tussen 1987 en 1995. Het niveau van energie-intensiteit in Nederland komt ongeveer overeen met het OESO-gemiddelde voor de economie als geheel en voor de industrie. In de dienstensector was het niveau van energie-intensiteit ongeveer 50% lager dan het OESO-gemiddelde in 1987, maar deze voorsprong is bijna verdwenen in 2005. Ten slotte, onze analyse laat zien dat in de industrie, tussen 1987 en 2005, ongeveer de helft van de energie-efficiënte verbeteringen zijn tenietgedaan door een verschuiving naar een meer energieintensieve sectorstructuur, vooral door de groei van de chemische industrie. In de Dienstensector, daarentegen, heeft de verschuiving in de onderliggende sectorstructuur tussen 1987 en 2005 bijgedragen aan een vertraging van de toename van de energie-intensiteit met ongeveer een derde. (B30187)
     
  • Min. EL&I; Min. IenM, Tweede nationale energie efficiëntie actie plan voor Nederland
    Den Haag : Min. EL&I, 2011. 98 p.
    Dit tweede Nationale Energie Efficiëntie Actie Plan voor Nederland is opgesteld in het kader van de rapportageverplichting aan de Europese Commissie conform de Richtlijn energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten (2006/32/EG) verder de ESD en de herziene richtlijn Energieprestatie van gebouwen (2010/31/EU), verder de EPBD. Dit Actieplan bevat een beschrijving van maatregelen ter bevordering van energiebesparing in Nederland, een berekening van de in de periode 2007-2010 behaalde en verwachte besparingen en overige rapportageverplichtingen voortvloeiend uit de richtlijnen ESD en EPBD. (B29985)
     
  • Platform Communication on Climate Change; Dorland, R. van [et al.], De staat van het klimaat 2010 : actueel onderzoek en beleid nader verklaard
    Amsterdam : PCCC, 2011. 71 p.
    Bevat de volgende hoofdstukken:
    Inzichten klimaatsysteem; Het klimaatdebat; Broeikasgasemissies, scenario's en haalbaarheid tweegradendoelstelling; Energie- en mitigatiebeleid; Water, natuur en stad onder klimaatverandering; Het intergovernmental panel om climate change (IPCC). (B29738)
     
  • SEO; Kerste, M.; Weda, J., Financing the transition to sustainable energy
    Amsterdam : SEO, 2010.
    SEO-report, nr. 2010-68
    Aandacht voor de voornaamste literatuur en empirisch onderzoek mbt 'de financiering van de overgang naar duurzame energie.' Vanwege de overvloedige hoeveelheid literatuur over dit onderwerp is het rapport niet allesomvattend. Maar het geeft de lezer een goede basis van waaruit verder onderzoek gedaan kan worden. Met conclusies. (B29621)

  • RMNO, 'De volle zaaiershanden...' : energietransitie, op naar een volgende fase, een handreiking voor een effectief energiebeleid : eindrapportage RMNO-project energie & duurzaamheid
    Z.P. : RMNO, 2010. 47 p.
    Eindrapport van het project Energie en Duurzaamheid van de Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO). Eind 2009 is op initiatief van de Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO) het project energie & duurzaamheid gestart, waarin onderzoek is gedaan naar de aardgastransitie in de jaren 60, CCS, windenergie off shore en warmte. De aardgastransitie is in het onderzoek meegenomen om inzicht te krijgen in met name de institutionele context van het proces van energietransitie; zij wordt immers beschouwd als voorbeeld van niet alleen een geslaagde energietransitie, maar ook als 'schoolvoorbeeld‘ van systeeminnovatie en besluitvorming. (B29196)

 

  • CBS, Hernieuwbare energie in Nederland 2009
    Den Haag : CBS, 2010. 69 p.
    Het rapport Hernieuwbare energie in Nederland 2009 beschrijft de bijdrage van hernieuwbare energiebronnen aan de Nederlandse energievoorziening in de periode 1990-2009. Het jaarrapport beschrijft verschillende bronnen van hernieuwbare energie, zoals windenergie, zonne-energie, het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales en het gebruik van biobrandstoffen door het wegverkeer. Daarnaast is er aandacht voor de relatie van de statistiek hernieuwbare energie met de Nederlandse energiebalans van het CBS, het systeem van certificaten voor Garanties van Oorspong voor groene stroom van CertiQ, de energiebalansen van het Internationaal Energieagentschap (IEA) en Eurostat en nationale en internationale beleidsdoelstellingen.
    Voor 2010: Duurzame energie in Nederland (B29089)

 

  • Min. EZ, Jaarverslag 2009
    Den Haag : Min. EZ, 2010.
    In het jaarverslag 2009 van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) wordt aandacht besteed aan de volgende onderwerpen:
    De economie in 2009: einde recessie, broos herstel; Meer ruimte om te ondernemen en te innoveren; Sterke consumenten die hun recht laten gelden; Schone en zekere energie en veilige en betrouwbare elektronische communicatie. (B28825)

  • SCP; Dekker, P.; Goede, I. van; Pligt, J. van der, De publieke opinie over kernenergie
    Den Haag : SCP, 2010.
    SCP-special, nr. 51
    In de Nederlandse politiek en publieke discussie is kernenergie terug van weggeweest. In 1984 bleek er - na de 'Brede maatschappelijke discussie' - onder de bevolking geen draagvlak te zijn en na de ramp in Tsjernobyl in 1986 gaf ook de politiek het op. Hoe staat het nu met de publieke opinie? hoe denken Nederlanders over kernenergie in vergelijking met vroeger en met het buitenland, en hoe verschillen ze onderling van mening? Welke risico's ziet men en wie gelooft men hierover? In deze verkenning worden deze vragen beantwoord door literatuurstudie en analyse van actuele enquêtes. Ze is geschreven als bijdrage aan de voorbereiding van de besluitvorming over kernenergie binnen het - in 2010 te vormen - kabinet. (B28767)

  • Planbureau voor de Leefomgeving, Quickscan energie en ruimte : raakvlakken tussen energiebeleid en ruimtelijke ordening
    Den Haag : PBL, 2010.
    Schets van de ruimtelijke knelpunten voor het halen van de energiedoelen in 2020, zoals beschreven in het beleidsprogramma 'Schoon en zuinig'. Daarnaast wordt ingegaan op de kansen die de ruimtelijke ordening biedt om deze doelstelling te halen. Het is belangrijk dat nationale, regionale en stedelijke ruimtelijke visies aansluiten op klimaat- en energiedoelen. (B28653)

  • CPB; Boeters, S.; Koornneef, J., Supply of renewable energy sources and the cost of EU climate policy
    Den Haag : CPB, 2010.
    CPB Discussion Paper, nr. 142
    Wat zijn de additionele kosten van een aparte 20% doelstelling voor hernieuwbare energie als deel van het Europese klimaatbeleid voor 2020? In dit paper gebruiken de auteurs het algemeen evenwichtsmodel WorldScan om deze vraag te beantwoorden. WorldScan is daarvoor met een bottomup module voor de elektriciteitssector uitgebreid. Dit maakt het mogelijk om schattingen van de kosten en van het potentieel voor hernieuwbare energie uit bottom-up studies te gebruiken om het model te kalibreren. In de centrale modelvariant zijn de kosten van EU-klimaatbeleid met als doelstelling verhoging van het aandeel hernieuwbare energie 6% hoger dan die van een beleid zonder deze doelstelling. Vanwege de grote onzekerheid over het aanbod van hernieuwbare energie wordt een uitvoerige gevoeligheidsanalyse gedaan ten opzichte van het niveau en de stijging van de aanbodcurves van windenergie en biomassa. In deze gevoeligheidsanalyse variëren de additionele kosten van nul (wanneer het doel niet bindend is) tot 23% (wanneer we het initiële kostennadeel en de stijging van de kosten voor hernieuwbare energie verdubbelen ten opzichte van de centrale modelvariant). (B28497)

  • Soest, J. P. van ; Wiltink, H. ; Energie dialoog Nederland, Groene energie voor de basislast? Hoofdrapport EDN-Dialoog vergroening grootverbruik
    Rotterdam : EDN, 2009.
    De snel groeiende (over)capaciteit aan fossiel gestookt productievermogen voor elektriciteit zal het steeds moeilijker maken duurzame energie in ons land te realiseren. Het investeringsklimaat voor met fossiele brandstoffen gestookte centrales is in ons land duidelijk beter dan voor duurzame energiebronnen. Willen doelstellingen voor duurzame energie realiseerbaar blijven, dan zal op korte termijn een krachtig pakket aan maatregelen nodig zijn om investeringen in grootschalige basislastproductie te ontmoedigen en in hernieuwbare opwekking te bevorderen. (B28224)

  • Energieraad, De ruggengraat van de energievoorziening : advies over de energie-infrastructuur
    Den Haag : Energieraad, 2009.
    De Energieraad heeft een aantal mogelijke ontwikkelingen in de energievoorziening geanalyseerd en de gevolgen hiervan voor de infrastructuur in kaart gebracht. Er is niet alleen gekeken naar ontwikkelingen die samenhangen met de transitie naar een duurzame energievoorziening, maar ook naar andere ontwikkelingen. (B28106)

  • Algemene Energieraad, Briefadvies kredietcrisis
    Den Haag : AER, 2009.
    De Energieraad adviseert het kabinet op koers te blijven met het energie- en klimaatbeleid tijdens de kredietcrisis en de recessie. De Raad doet enkele concrete suggesties voor extra maatregelen die de economie op korte termijn kunnen stimuleren en op langere termijn bijdragen aan het energie- en klimaatbeleid. Om deze maatregelen te financieren bepleit de Raad het instellen van een energie- en klimaatfonds. (B27628)

  • CPB; Planbureau voor de Leefomgeving, Effecten van de kredietcrisis op klimaat- en energiebeleid
    Den Haag : CPB, 2009.
    CPB/PBL-notitie, PBL-publicatienummer 500115008
    Nieuw stimuleringsbeleid voor investeringen in energie en klimaat is weinig effectief om de huidige recessie als gevolg van de kredietcrisis het hoofd te bieden. De meeste maatregelen zullen namelijk pas over enkele jaren effect hebben. Als het kabinet stimuleringsmaatregelen zou willen treffen, zou het naar voren halen van investeringen in energiebesparing in woningen en kantoren wel soelaas kunnen bieden. Dit leidt tot een investeringsimpuls, waarmee bovendien de kabinetsdoelen op het gebied van energiebesparing en klimaat dichter bij komen. Dat blijkt uit een analyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB). In deze analyse verkennen de planbureaus de effecten van de kredietcrisis op het klimaat- en energiebeleid. Zij hebben deze analyse uitgevoerd op verzoek van de minister van VROM, naar aanleiding van haar toezegging tijdens het kameroverleg over het beleidsprogramma 'Schoon en Zuinig' van begin november 2008. (B27543)

  • CPB; Koutstaal, P.; Veenendaal, P., Economische gevolgen van Schoon en Zuinig in 2020 : een economische analyse
    Den Haag : CPB, 2008.
    De beleidsdoelen van het Nederlandse klimaat- en energiebeleid Schoon en Zuinig (S&Z) sluiten goed aan bij de beleidsvoorstellen '20-20 in 2020' van de Europese Commissie, maar zijn ambitieuzer. Omvang en kosten van de extra inspanningen hangen mede af van omvang en inspanning van de wereldwijde klimaatcoalitie. In dit rapport worden hiervan twee uitersten in beeld gebracht: Grote Coalitie en Impasse. De kosten van '20-20 in 2020' blijken in beide scenario's vrijwel hetzelfde en bedragen 0,6 tot 0,7% van het nationale inkomen in 2020. In Grote Coalitie is het klimaatbeleid wel veel effectiever. Met het grotere aandeel van hernieuwbare energie van S&Z zijn extra kosten gemoeid ongeveer 0,2% van het nationale inkomen. De meerkosten van extra emissiereductie volgens S&Z in Impasse kunnen beperkt blijven als hiervoor een extra beroep wordt gedaan op het Clean Development Mechanism; de beleidsvoorstellen van de Europese Commissie laten hier ruimte toe. Naarmate Nederland de beoogde extra emissiereductie meer in eigen land probeert te realiseren, nemen de meerkosten snel toe. Zij kunnen in 2020 oplopen tot een kwart procent van het nationale inkomen. (B27339)

  • Friedman, Th. L., De toekomst is groen ; warm, plat en vol
    Amsterdam : Nieuw Amsterdam, 2008.
    Friedman biedt in dit boek een frisse en prikkelende kijk op de klimaatverandering en de toenemende concurrentie om energie. Beide kunnen onze wereld vergiftigen, als we niet snel en collectief ingrijpen. ‘De toekomst is groen,' verkondigt Friedman en hij stelt een ambitieuze aanpak voor: ‘de geogroene strategie'. Zo'n strategie hebben we niet alleen nodig om te voorkomen dat de planeet oververhit raakt, maar ook om het Westen in het komende tijdperk - de energie- en klimaateeuw - gezonder, rijker, innovatiever, productiever en veiliger te maken. Friedman betoogt dat er diverse doorbraken in de sfeer van de schone technologie nodig zijn, en hoe deze doorbraken tot de energietechnologierevolutie zouden kunnen leiden. Hij laat zien waarom het noodzakelijk is dat Amerika in deze revolutie het voortouw neemt. (B27276)

  • EnergieNed; Netbeheer, Energie in Nederland 2008
    Arnhem : EnergieNed, 2008.
    Jaarpublicatie van EnergieNed en Netbeheer met de meest relevante energiecijfers over energieproductie, transport en verbruik. Verder een overzicht van de spelers op de markt, de werking van de infrastructuur en inzicht in het energieverbruik van huishoudens. (B27181)

  • CPB, Liberalisation of European energy markets : challenges and policy options
    Den Haag : CPB, 2006.
    CPB documenten, nr. 138
    Het liberaliseringsprogramma in de Europese elektriciteits- en gasmarkten is begonnen in de jaren negentig. Overzicht van de literatuur over de effecten van liberalisering op de efficiëntie, leveringszekerheid en duurzaamheid van de energiesector. (B27132)

  • Maatman, D.; Hiteq, Een beroep op energie
    Hilversum : Hiteq, 2008.
    Uit welke opties bestaat onze energievoorziening over ca. 25 jaar? Wordt het zon en wind of speelt ook kernenergie een rol? En wat doen we met CO2, stoppen we dat in de grond of niet? Welke impact hebben de verschillende opties op de Nederlandse samenleving? Hiteq heeft in drie verkenningen onderzocht wat de kansen, bedreigingen en risico’s van kernenergie, duurzame brandstoffen en schoon fossiel zijn voor Nederland. Op basis van deze verkenningen en aanvullend materiaal zijn samen met experts vier scenario’s ontwikkeld die ingaan op de toekomstige energiemix, hoe die eruit ziet en wat de sociaal-economische gevolgen zijn (met name voor de technische beroepsbevolking). (B27097)

  • Europese Cie, The economic aspects of the energy sector in CIS countries
    Brussel : EG, 2008.
    European economy, economic papers, nr. 327
    Het rapport analyseert de macro-economische aspecten van de ontwikkelingen in de energiesector in het Gemenebest van onafhankelijke staten. Ook wordt gekeken naar een aantal aspecten van de relatie tussen de Europese Unie en de Gemenebest op het gebied van energie. Met name naar de mogelijkheden van de Gemenebest regio als bron van energievoorziening voor de EU en naar de opties voor energiebeleid in het Gemenebest. (B27081)

  • Min. EZ, Energierapport 2008
    Den Haag : Min. EZ, 2008.
    Het Energierapport 2008 is de integrale energievisie van het kabinet. Er wordt een lange termijn perspectief geschetst en er wordt aangegeven wat dit kabinet de komende jaren doet of gaat doen, om te zorgen voor een betaalbare betrouwbare en schone energievoorziening. Het rapport is tevens de kabinetsreactie op het AER-advies over de brandstofmix en het SER-advies over kernenergie. Voor wat betreft de beleidsdoelstelling ´schoon´ wordt nauw aangesloten op het werkprogramma ´Schoon & Zuinig´. (B27063)

  • Min. EZ; [et al.], Energiebeleid 2020
    Den Haag : Min. EZ, 2007.
    Reflecties op energie, nr. 10
    Drie publieke waarden staan al decennia centraal in het energiebeleid: betrouwbaarheid, betaalbaarheid en maatschappelijke acceptatie van de energie-industrie. Onder de laatste noemer vallen ondermeer het milieu en duurzaamheid maar ook de acceptatie van kernenergie. Het beleid heeft zich eigenlijk altijd gericht op het bereiken van die drie doelen, maar het accent is meerdere malen sterk verschoven. In kort bestek zal dit essay een poging wagen de samenhang tussen deze vraagstukken te schetsen en de belangrijkste keuzes te analyseren. (B27064)

  • Raad voor het Landelijk Gebied, Energie van eigen bodem : advies over regionale kansen voor biomassa
    Amersfoort : RLG, 2008.
    Publicatie RLG, nr. 08/07
    Biomassa staat de laatste tijd veel in de belangstelling. Vooral de discussie rondom biobrandstoffen en dilemma’s zoals ‘voedsel versus energie’ trekt veel aandacht. De Raad voor het Landelijk Gebied pleit voor nuancering in het debat door niet alles op één hoop te gooien. De raad heeft gekeken naar de mogelijkheden voor energie uit biomassa van het landelijk gebied in Nederland en ziet daarbij goede kansen, waarbij duurzaamheid een cruciale factor is. In zijn advies ‘Energie van eigen bodem’ roept de raad de overheid (rijk en provincies) dan ook op om deze kansen ruimte te geven die bijdragen aan een meer duurzame energievoorziening. (B27055)

  • Europese Cie; Santi, G. de; Edwards, R.; Szekeres, S.; Neuwahl, F.; Mahieu, V.; Joint Research Centre, Biofuels in the European context: facts, uncertainties and recommendations
    Luxemburg : EG, 2008. 33 p.
    Het rapport presenteert feiten, bevindingen en modellen met betrekking tot biobrandstoffen in een brede context. Achtereenvolgens komen aan de orde wat biobrandstoffen zijn, de belangrijkste doelen van de biobrandstoffenrichtlijn; de kosten van broeikasgassen; het effect van biobrandstoffen op de prijzen van landbouwproducten, en een kosten/baten analyse van biobrandstoffen. (B26978)
     
     
  • Min. EZ; KEMA Consulting; Scott, J.; Vaessen, P.; Verheij, F.; Nabuurs, P., Smart grids for the future
    Den Haag : Min. EZ, 2008.
    Reflections, nr. 11
    Meer duurzame energie betekent ook het op grote schaal gebruiken van decentrale energieopwekking. Dit vraagt om een nieuw ontwerp van elektriciteitsinfrastructuur. Smart Grids combineert centrale geïntegreerde opwekking met nieuwe gedistribueerde en hernieuwbare opwekking, die ook consumenten de mogelijkheid geeft als producent op te treden. Voor de succesvolle introductie van Smart Grids is aandacht nodig voor technologische, commerciële en juridische aspecten. Een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid om obstakels weg te nemen en een omgeving te creëren waarin prikkels voor de noodzakelijke innovatierisico’s ligt bij de overheid, de toezichthouder en de netwerkbedrijven. (B27021)

  • Europese Cie, EU energy and transport in figures
    Luxemburg : EU, 2008.
    Statistical pocketbook 2007/2008
    Energie en transport zijn twee cruciale sectoren van de economie. Overzicht van de meest recente jaarlijkse statistieken op dit gebied in Europa. Cijfers over de Europese Unie en de 27 lidstaten en voor zover mogelijk kandidaat-lidstaten en de EFTA-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. (B26836)

  • Centre for European Reform; Barysch, K.; [et al.], The Lisbon scorecard VIII : is Europe ready for an economic storm?
    Londen ; CER, 2008.
    Na meer dan een half decennium van economische somberheid, hebben de jaren 2006 en 2007 weer enig optimisme naar Europa gebracht. Een snellere groei van het BBP en een dalende werkloosheid waren minstens gedeeltelijk toe te schrijven aan de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen. Maar overheden kunnen niet zelfgenoegzaam achterover leunen. Vooral niet in een tijd waar de recessie Europa's economische veerkracht test. De achtste Lissabon Scorekaart toont hoeveel lidstaten van de EU nog moeten doen om innovatie bevorderen, mensen te laten toetreden tot het arbeidsproces, uitstoot van broeikasgassen verminderen en te voldoen aan hun vele andere Lissabon-doelstellingen. (B26753)

  • Inter Academy Council, Lighting the way : toward a sustainable energy future
    Amsterdam : IAC, 2007.
    Er wordt aandacht gevraagd voor drie belangrijke berichten: wetenschap en industrie moeten kritische principes opstellen om een duurzame energie-toekomst te bewerkstelligen, twee: om een en ander te bereiken moet er intensief geprobeerd worden capaciteit op te bouwen en drie: het bouwen van een goede toekomst vraagt lange-termijnbenaderingen. (B26618)

  • Algemene Energieraad, Brandstofmix in beweging : op zoek naar een goede balans
    Den Haag : AER, 2008.
    Volgens de Energieraad scoort de Nederlandse stroomvoorziening, in vergelijking met andere EU-landen, mager op de doelstellingen betrouwbaar, betaalbaar en schoon. De Raad heeft bekeken wat de mogelijkheden zijn om hierin op weg naar 2020 verbetering te brengen binnen het kader van een Europese geliberaliseerde markt. In het advies trekt de Raad een aantal conclusies. Zo leidt de vrije markt, naar de mening van de Raad, niet automatisch tot een optimale brandstofmix, met name op het aspect van langetermijnvoorzieningszekerheid. Verder blijken de mogelijkheden voor de overheid om de mix voor 2020 nog te beïnvloeden uiterst beperkt. Een doelstelling van 20% duurzame elektriciteitsproductie acht de Raad denkbaar, maar al zeer ambitieus. De twee belangrijkste duurzame opties tot 2020, te weten windenergie en biomassa hebben beide hun beperkingen. Een hoog aandeel windenergie zal met name in de nachtelijke uren tot betrouwbaarheidsproblemen kunnen gaan leiden, zolang nog geen grootschalige opslag beschikbaar is. Voor duurzaam geproduceerde biomassa voorspelt de Raad een wereldwijd tekort hetgeen de volumes die voor Nederland beschikbaar zijn zal beperken. Verder is de raad van mening dat in een toekomstige brandstofmix een verhoogd aandeel kernenergie serieus in ogenschouw moet worden genomen, zowel uit oogpunt van betaalbaarheid als dat van betrouwbaarheid (afhankelijkheid) als ook vanwege de verwaarloosbare CO2-uitstoot en de beheersbare veiligheidsaspecten. (B26474)

  • ECN; Uyterlinde, M. A.; Ybema, J. R.; Brink, R. W. van der, A sustainable energy system in 2050 : promise or possibility? : a vision by ECN and NRG
    Petten : ECN, 2007.
    ECN-E-07-082
    Het document schetst een visie van een duurzamer energiesysteem voor het jaar 2050. Het beeld is dat in 2050 hernieuwbare energiebronnen goed zullen zijn voor 35% van de totale energievoorziening, met biomassa, windenergie en zonne-energie in de hoofdrol. Veel aandacht zal worden besteed aan energiebesparing. Kernenergie zal een beperkte rol spelen, omdat slechts de helft van de EU-lidstaten het gebruik van kernenergie zal steunen. Steenkool met CO2 opname zal op grote schaal worden toegepast voor de productie van zowel elektriciteit als waterstof. De waterstof zal in de transportsector worden gebruikt. De biomassa zal hoofdzakelijk gebruikt worden als brandstof voor vrachtvervoer, en als grondstof in de industrie, aangezien er weinig andere substituten voor olieproducten in deze sectoren zijn. De energievraag voor woningen en gebouwen zal drastisch verminderd zijn en zal hoofdzakelijk worden voldaan met zonne-energie en elektriciteit. (B26296)

  • SEO; Baarsma, B.; Bremer, S.; Nooij, M. de; Poort, J., Toetredingsdrempels kleinverbruikersmarkt energie
    Amsterdam : SEO, 2007.
    SEO-rapport, nr. 2007-49
    Onderzoek naar het belang van toetredingsdrempels en nadere toezichtactiviteiten. Er zijn meer dan 20 gesprekken met marktpartijen en stakeholders gehouden. Daar kwam een divers beeld uit naar voren. Er zijn veel toetredingsbarrières. Die hebben te maken met omvang en aard van het bedrijf en verschillen in marktbenadering en managementvaardigheden. (B26383)

  • Kon. Ver. voor de Staathuishoudkunde; [et al.], Jaarboek 2006/2007
    Den Haag : SDU, 2007.
    In het jaarboek komen de volgende thema's aan bod: 1. vergrijzing, 2. privatisering Schiphol, 3. Europa, 4. milieu en klimaat en 5. energiebedrijven. Thema 1: Vergrijzing, bevat de volgende bijdragen: Vergrijzing vraagt om aanvullend beleid; Heeft Nederland een serieus vergrijzingsprobleem?; Vele hervormingen nodig om vergrijzing op te vangen; Vergrijzing is een verborgen zege. Thema 2: Privatisering Schiphol, bevat de volgende bijdragen: Privatisering Schiphol is nog niet af; Privatisering loont voor luchthavens; Schiphol komt van de regen in de drup; Open brief aan de leden van de Eerste Kamer der Staten Generaal; Houd strategische ontwikkeling Schiphol bij de overheid. Thema 3: Europa, bevat de volgende bijdragen: Naar een open economie; Kies voor meer in plaats voor minder Europa; Naar een eerlijker consumentenprijs voor landbouwproducten; Naar een Europees semester. Thema 4: Milieu en klimaat, bevat de volgende bijdragen: De economische impact van klimaatverandering; Drie verdedigingslinies in Nederlandse broeikas; Naar een effectieve klimaatstrategie; Keuzes voor energie en milieu: een analyse van verkiezingsprogramma's; Toewijzing emissierechten moet anders. Thema 5: Splitsing Energiebedrijven, bevat de volgende bijdragen: Conclusie uit: Kwantitatieve verkenning welvaartseffecten splitsing energiebedrijven; Samenvatting uit: "Rapport Bevindingen van de Commissie Validatie Splitsing energiebedrijven"; Splitsing energiebedrijven vermindert welvaart; Loop met energiesplitsing niet voor de muziek uit; Electriciteitswet leidt tot kortsluiting. (B26166)

  • Hiteq, centrum van innovatie; Veltman, M., Kernenergie : technologische ontwikkelingen en de rol van Nederland
    Hilversum : Hiteq, 2007.
    Centraal staat de vraag welke technologische rol Nederland kan spelen op de internationale markt van kernenergie. In de publicatie zijn de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van kernenergie (kernsplijting én kernfusie) samengevat. (B26098)

  • Verkenningscie energieconversieonderzoek; KNAW, Duurzaamheid duurt het langst : onderzoeksuitdagingen voor een duurzame energievoorziening
    Amsterdam : KNAW, 2007.
    Verkenningen Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, deel 11
    In dit verkenningsadvies maakt de KNAW keuzes voor toekomstig natuurwetenschappelijk energieonderzoek. Nederland speelt internationaal weliswaar een vooraanstaande rol op het terrein van energieonderzoek, maar deze rol kan nog aanzienlijk versterkt worden door het doen van gerichte keuzes voor toekomstig onderzoek. Keuzes die gericht zijn op een duurzaam energiegebruik in de toekomst. In dit advies bespreekt de KNAW Verkenningscommissie energieconversieonderzoek van alle opties (van biomassa tot kernenergie) hoe goed gericht wetenschappelijk onderzoek een duurzame energietoekomst dichterbij kan brengen en maakt ze heldere keuzes voor Nederlands onderzoek in een internationale context. (B25960)

  • CE Delft; Rooijers, F. J.; Boon, B. H.; Faber, J.; Abvakabo; Greenpeace; FNV; Miliedefensie; St. Natuur en Milieu; Wereld Natuur Fonds, Green4sure : het groene energieplan : hoofdrapport
    Delft : CE, 2007.
    Met Green4sure heeft CE Delft de ambitie van zes maatschappelijke organisaties uitgewerkt om een halvering van de broeikasgasemissies in 2030 te bereiken zonder dat dit ten koste gaat van de energievoorzieningszekerheid. Alles zal uit de kast moeten worden gehaald om deze ambitie te realiseren: veel zuinige apparaten, gebouwen en voertuigen, veel hernieuwbare energie (wind op zee, biomassa), opslag van CO2 én minder groei van de vraag naar energie. Dit is alleen te bereiken als die zuinige en schone technieken allereerst op de markt komen en vervolgens massaal worden aangeschaft. Omdat hier een sociaal dilemma geldt, voordeel voor ons allen, kosten voor het individu, gebeurt dit niet vanzelf en moet de overheid hier een belangrijke rol in vervullen. De essentie van Green4sure is dat met zo min mogelijk, maar vooral effectieve overheidsinstrumenten een prijs wordt gegeven aan schaarste, namelijk de schaarste om CO2 te emitteren. Burgers en bedrijven zullen met deze overheidskaders hun gedrag gaan aanpassen op zodanige wijze dat Nederland, en Europa, binnen de ambitieuze emissiegrenzen blijft. (B25836)

  • Rooijers, F. J.; Boon, B. H.; Faber, J.; CE Delft, Green4sure : het groene energieplan
    Delft : CE Delft, 2007.
    Publicatienummer 07.3189.15a
    Het is noodzakelijk de uitstoot van CO² fors te verminderen. Onderzoek naar de mogelijkheid om in 2030 in Nederland nog maar de helft van de CO2-uitstoot van 1990 te hebben. Met verbetering van de zekerheid dat er voldoende energie is voor een groeiende welvaart. Dit vergt politieke daadkracht van de samenlevingen, maar bovenal een goed plan met een gedegen instrumentatie. (B25944)

  • Ver. VNO-NCW; MKB Nederland; LTO Nederland, Nederland gidsland? : als het maar slim gebeurt! : voorstel van het bedrijfsleven voor het realiseren van de energie- en klimaatdoelstellingen
    Den haag : Ver. VNO-NCW, 2007.
    Het Nederlandse bedrijfsleven wil het probleem van het steeds warmer wordende klimaat ambitieus aanpakken. De voorzitters van VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO Nederland hebben daartoe een voorstel voor een 'duurzaamheidsakkoord' aangeboden aan minister Jacqueline Cramer (VROM). Kern van zo'n akkoord is dat ondernemingen zich vastleggen op harde doelstellingen voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en dat het kabinet daarvoor de randvoorwaarden schept. (B25816)

  • Food and Agriculture Org.; United Nations, Sustainable bioenergy : a framework for decision makers
    [New York] : FAO, 2007.
    Rapport over de invloed van de opkomende bio-energie De snelgroeiende bio-energie industrie biedt veel kansen, maar impliceert ook een aantal compromissen en risico's. Het rapport wijst op de voordelen van bio-energie m.b.t. vermindering van armoede, toegang tot energiediensten, ontwikkeling van het platteland en de infrastructuur van het platteland. Het beschrijft het waarschijnlijke effect van bio-energie in termen van voedselveiligheid, klimaatverandering, biodiversiteit en natuurlijke bronnen, werkgelegenheid en handel. Het rapport wijst er op dat de nadelen van bio-energie de voordelen kunnen overheersen. Tegenover meer banen in de landbouw door de overgang op biobrandstoffen staan hogere voedselprijzen door de productie van biomassa en biobrandstof. De eenzijdige teelt van slechts een aantal gewassen kan het milieu schade toebrengen. (B25786)

  • Europese Cie, Renewable energy technologies : long term research in the 6th framework programme 2002-2006
    Luxemburg ; EC, 2007.
    project synopses
    Overzicht van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van energie. Beschrijving van de huidige stand van zaken en de resultaten die geboekt zijn bij onderzoeksprojecten, die gesubsidieerd zijn door de EG. (B25764)

  • Algemene Energieraad, Energietechnologie voor de toekomst : leren en stimuleren
    Den Haag : AER, 2007.
    Aanleiding voor het advies is de overtuiging dat vernieuwing in de energietechnologie te traag verloopt. In het advies stelt de AER dat het stimuleren door de overheid van een meer duurzame energiehuishouding veel effectiever kan. De overheid moet zich enerzijds richten op het terugdringen van de CO2-emissies, anderzijds op het ontwikkelen van technologieën die kansrijk zijn op de mondiale markt. De Nederlandse bijdrage aan de mondiale technologieontwikkeling zal zich met name moeten concentreren op technologieën waar Nederland een vooraanstaande positie kan innemen. (B25754)

  • Reijnders, L., Energie : van brandhout tot zonnecel
    Amsterdam : Van Gennep, 2006.
    Auteur beschrijft de historische ontwikkeling van energieverbruik en verkent de verschillende energiebronnen en hun toekomstmogelijkheden. Hij besteedt hierbij aandacht aan de energie-efficiency en energieopslag; zonne-energie, kernfusie en biomassa; fossiele brandstoffen; water, wind en aardwarmte; en kernenergie. Kernenergie staat weer in het middelpunt van de belangstelling. Toch is dat niet de energiebron van de toekomst, stelt Reijnders. Het radioactieve kernafval, de beperkte voorraad uranium op aarde én het gevaar van een ‘vuile bom’ vormen voor hem onoverkomelijke bezwaren. Reijnders is ook niet enthousiast over biomassa. Deze vorm van groene energie heeft het nadeel dat er veel landbouwgrond voor nodig is, wat de voedselvoorziening in gevaar brengt. Windenergie verdient volgens hem wél een belangrijke plaats in de energievoorziening. Maar vanwege de overstelpende hoeveelheid zonne-energie kiest Reijnders bovenal voor de zon als energiebron voor de toekomst. (B25413)

  • Algemene Energieraad, Een graadje slimmer : naar nieuwe instrumenten voor energiebesparingsbeleid
    Den Haag : AER, 2006.
    Huishoudens, MKB, overheid- en semi-overheidsinstellingen kunnen fors besparen op hun energieverbruik. Met rendabele besparingsmaatregelen kan door deze groep nog zo’n 10% van het totale energieverbruik in ons land worden bespaard. Dat levert verbruikers kostenvoordelen op en draagt tegelijkertijd effectief bij aan het energiebesparingsbeleid van de overheid. Hiermee wordt klimaatverandering tegengegaan en bijgedragen aan beperking van de afhankelijkheid van energie-importen van buiten de Europese Unie. Maar omdat de kleine en middelgrote verbruikers een grote groep vormen met onderling sterk uitlopende kenmerken, is maatwerk in de beleidsaanpak door de overheid essentieel voor het behalen van resultaten. Alleen een juiste mix van beleidsinstrumenten die langere tijd worden volgehouden kan effectief energie besparen. In het advies ‘Een graadje slimmer’ doet de Energieraad hiervoor aanbevelingen. De Raad vraagt onder andere om nieuw elan, een nieuwe beleidsvisie en -strategie voor energiebesparing. Hierin moet beter worden aangesloten op het dagelijkse gedrag van verbruikers. Ook wordt gewezen op het belang van een goede voorbeeldfunctie door de overheid, wat stimulerend kan werken voor zuiniger energieverbruik door huishoudens en bedrijven. Maar ook de energiebedrijven hebben volgens de Raad een belangrijke rol om energiebesparing bij hun klanten te stimuleren. (B25284)

  • CE; Rooijers, F. J.; [et al.], Energiebesparingsgedrag : verkenning t.b.v. Algemene Energie Raad : eindrapport
    Delft : CE, 2006.
    In dit onderzoek wordt ingegaan op de vraag welke rol zachte overheidsinstrumenten (voorlichting, informatie, terugkoppeling, etc.) kunnen spelen bij het realiseren van substantiële energiebesparing. Ondanks dat er een op papier groot potentieel is worden rendabele maatregelen niet getroffen. Getracht wordt inzicht te geven in de redenen hiervan. Aan de orde komt of en op welke wijze het gedrag van huishoudens, kleine bedrijven en automobilisten is te beïnvloeden. Gekeken wordt naar de ervaringen met zachte instrumenten zoals ze de afgelopen decennia door de overheid zijn toegepast en ook naar analoge overheidscampagnes en campagnes van het bedrijfsleven op andere terreinen. (B25285)

  • Milieu- en Natuur Planbureau; [et al.], Gerealiseerd energiebesparingstempo in Nederland 1995-2004 : berekend op basis van het Protocol Monitoring Energiebesparing
    Bilthoven : MNP, 2006.
    MNP Rapport nr. 500115002/2006
    In dit rapport worden de nationale besparingscijfers voor de periode 1995-2004 gepresenteerd. Dit is gedaan volgens het Protocol Monitoring Energiebesparing (PME). 'Energiebesparing' is gedefinieerd als: 'het uitvoeren van dezelfde activiteiten of vervulling van dezelfde functies, maar dan met minder energie'. Het energiebesparingstempo is na enkele jaren van lichte daling gestabiliseerd. De aanvankelijke daling was vooral het gevolg van een verslechtering van het rendement van de energieproductie, zowel bij de eindgebruikssectoren als in de elektriciteitssector. De laatste jaren zijn deze rendementen echter weer verbeterd, wat tot een stabilisatie van het besparingstempo heeft geleid. (B25171)

  • Task Force Energietransitie; Projectgroep "Duurzame productie van biomassa", Criteria voor duurzame biomassa productie : eindrapport van de projectgroep "Duurzame productie van biomassa"
    Z.P. : Task Force Energietransitie, 2006.
    Op initiatief van de Interdepartementale Programmadirectie Energietransitie (VROM, EZ, Buza, LNV, Financiën, V&W) is eind 2005 een projectgroep ingesteld onder voorzitterschap van professor Jacqueline Cramer om criteria te ontwikkelen voor de duurzame productie en bewerking van biomassa in energie, brandstoffen en chemie. Bedrijven, ngo’s, overheden en universiteiten hebben aan het project deelgenomen. De criteria en indicatoren zijn verdeeld in zes thema’s. Hierbij zijn de eerste drie thema’s specifieke, voor biomassa relevante thema’s. De laatste drie thema’s hebben betrekking op de triple P benadering (people, planet, profit) welke de uitgangspunten zijn voor maatschappelijk verantwoord ondernemen in het algemeen. Het betreft de volgende zes thema’s: Broeikasgasbalans; Concurrentie met voedsel, lokale energievoorziening, medicijnen en bouwmaterialen; Biodiversiteit; Welvaart; Welzijn; en Milieu. (B25096)

  • SEO; [et al.], De welvaartseffecten van het splitsingsvoorstel : een overkoepelend beeld : een maatschappelijke kosten-batenanalyse van de splitsing van de energiebedrijven
    Amsterdam : SEO, 2006.
    SEO-rapport, nr. 913
    In deze rapportage geeft SEO Economisch Onderzoek de resultaten van een maatschappelijke kosten-batenanalyse van het voorstel van de minister van Economische Zaken om de energiebedrijven op te splitsen in een commercieel bedrijf met productie en levering en een gereguleerd bedrijf met het beheer van het distributienet. De belangrijkste conclusie is dat splitsen waarschijnlijk niet bijdraagt aan de welvaart, en dat het plausibeler is dat het welvaart kost. De kosten van het huidige wetsvoorstel zijn naar verwachting dus groter dan de baten. (B24971)

  • Milieu- en Natuurplanbureau; Berk, M. M. [et al.], Sustainable energy : trade-offs and synergies between energy security, competitiveness, and environment
    Bilthoven : MNP, 2006. 10 p.
    MNP report, nr. 500116001/2006
    Voor vermindering van de luchtverontreiniging en de uitstoot van broeikasgassen in Europa is een duurzaam energiebeleid nodig. Het EU-beleid richt zich op verbetering van de energievoorzieningszekerheid en de concurrentiepositie van Europa door middel van innovatie en beheersing van de energiekosten (o.m. vastgelegd in de Lissabon Strategie). Een eerste, snelle verkenning door het MNP laat zien dat klimaatbeleid ook de luchtvervuiling kan tegengaan, de voorzieningszekerheid verbetert en kansen biedt voor innovatie. Daardoor kan de milieueffectiviteit van het Europese energiebeleid worden vergroot, zonder Europa's concurrentievermogen aan te tasten. (B24782)

  • Task Force Energietransitie, Meer met energie : kansen voor Nederland
    Z.P. : Task Force Energietransitie, 2006. 49 p.
    Actieplan voor transitie naar een duurzame energiehuishouding. In het actieplan wordt de route beschreven waarlangs Nederland in 50 jaar de CO2-uitstoot met 50% kan verminderen. Het plan is het resultaat van samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, wetenschap en maatschappelijke organisaties en benoemt concreet hoe Nederlandse bedrijven nationaal en internationaal het voortouw kunnen nemen bij de noodzakelijke energietransitie. De route naar een duurzame energiehuishouding bestaat uit 26 transitiepaden, die zijn geselecteerd uit een totaal van meer dan 80. Ieder pad bestaat uit concrete projecten en ondersteunende activiteiten op het gebied van energiebesparing, schone fossiele brandstoffen (waaronder biogas en waterstof) en duurzame energie (zoals biomassa, wind- en zonne-energie). In de afgelopen jaren zijn al diverse projecten gestart. Deze worden uitgevoerd in publiek-private samenwerkingsverbanden. De Task force Energietransitie, die in 2005 in het leven werd geroepen door de regering, doet een appel aan bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties om de kansen van duurzame energie te grijpen. (B24772)

  • Europese Cie, EU energy and transport in figures : statistical pocketbook 2005
    Luxemburg : EG, 2006.
    Statistische gegevens over energie, energievoorziening, energieheffing, elektriciteit, energieprijzen, en energiecijfers per EU-land. Verder zijn statistieken opgenomen over transport, goederenvervoer, personenvervoer, infrastructuur, vervoermiddelen en verkeersveiligheid. (B24698)

  • UNICE, Objectives and approaches for strengthening EU energy policy
    Brussel : UNICE, 2006.
    Notitie van de Europese werkgeverskoepel Unice over Europees energiebeleid. Unice juicht de initiatieven om te komen tot een gezamenlijk Europees energiebeleid van harte toe. In de notitie benoemt het Europese bedrijfsleven zes hoofdpunten, die tezamen de eenwording en de positie van de continentale energiemarkt zullen bevorderen. Naast 'spreken met één mond' gaat het daarbij om het stimuleren van de competitie op de elektriciteits- en gasmarkt, maar ook om het verbeteren van de concurrentiepositie van de Europese industrie ten opzichte van de rest van de wereld. Verder wil Unice de uitstoot van CO2 verder beperken. Ook wil UNICE het debat over kernenergie nieuw leven inblazen. Tenslotte moet de efficiëntie van het energiegebruik verder worden verbeterd. (B24645)

  • SMO; [et al.], De commercialisering van het waterstofideaal
    Den Haag : SMO, 2005.
    SMO, nr. 2005-4
    Publicatie over waterstof als brandstof. Het rapport geeft een drietal redenen om te zoeken naar andere energiebronnen. Vervolgens wordt ingegaan op waterstof als energiebron. En tot slot komen strategieën voor waterstof in Nederland aan de orde. De belangrijkste vraag is of Nederland deze ontwikkelding aan zich voorbij moet laten gaan. Dit boek laat zien dat hiervoor geen reden is. (B24646)

  • ECN; Milieu en Natuur Planbureau; [et al.], Optiedocument energie en emissies 2010/2020
    Petten : ECN, 2006.
    ECN-C-05-105; MNP nr. 773001038
    Het Optiedocument schetst de technische mogelijkheden voor vermindering van het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen tot 2020. Ook is een model ontwikkeld waarmee optiepakketten om emissiedoelen te bereiken integraal kunnen worden doorgerekend. Het optiedocument geeft achtergrondinformatie over de Potentieelverkenning klimaatdoelstellingen en energiebesparing tot 2020 die het ECN en het MNP hebben uitgebracht (B24629)

  • ECN; Milieu en Natuur Planbureau; [et al.], Potentieelverkenning klimaatdoelstellingen en energiebesparing tot 2020 : analyses met het Optiedocument energie en emissies 2010/2020
    Petten : ECN, 2006.
    ECN-C--05-106; MNP nr. 773001039
    In opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en het Ministerie van Economische Zaken (EZ) hebben ECN en MNP een analyse gedaan naar het potentieel en de kosten van het verlagen van de Nederlandse broeikasgasemissies in 2020, en naar het potentieel en de kosten van het opvoeren van het tempo van de energie efficiency verbetering tussen 2010 en 2020. Er zijn 150 maatregelen om emissies en energieconsumptie te beperken in kaart gebracht. In het rapport wordt geconcludeerd dat er voldoende technische mogelijkheden bestaan om de binnenlandse uitstoot van broeikasgassen in 2020 te verminderen tot 15% onder het niveau van 1990. Energiebesparing, kernenergie en CO2-opslag zijn de belangrijkste maatregelen en zijn relatief niet duur. Het beperken van de uitstoot met 15% en het halen van aangescherpte eisen van de NEC-stoffen kosten 1,4 miljard euro per jaar. Zonder kernenergie en CO2-opslag zijn de kosten € 2,9 miljard per jaar hoger. De grootste emissiereducties zijn mogelijk in de energiesector en de industrie. (B24628)