Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Prosociaal gedrag en samenleving

Prosociaal gedrag en samenleving

Toespraak van dr. Alexander Rinnooy Kan, voorzitter SER, gehouden als slotpresentatie bij het Symposium “Prosociaal gedrag in buurten, op scholen en in bedrijven”, georganiseerd door KNAW en Van der Gaag Stichting, 30 september 2009, Het Trippenhuis, Amsterdam. De rede is namens de voorzitter uitgesproken door prof.dr. Peter Ester, kroonlid van de SER.

Alleen het gesproken woord geldt.


Het motto van dit kabinet is: “Samen werken, samen leven” en de eerste zin van het regeerakkoord is: “Wij willen werken aan een samenleving waarin mensen zich duurzaam met elkaar verbonden weten.”

Voor die keuze voor zo’n begin is alle reden. Nederlanders wekken in deze tijd nou niet bepaald de indruk dat ze zich “duurzaam met elkaar verbonden weten”.

Bevolkingsgroepen staan tegenover elkaar en we zien vaker de geheven middelvinger dan een aai over de bol of een hand op de schouder. De cultuur van tolerantie en vreedzaamheid waarom we ooit zo beroemd waren, lijkt veranderd in een cultuur van onzekerheid, ontevredenheid en onverdraagzaamheid. De rest van de wereld ziet die veranderingen bij ons met verbazing aan.

Alle reden dus voor een moreel appel vanuit de politiek. Een oproep tot meer verdraagzaamheid, tot gezamenlijke inzet, tot iets voor elkaar overhebben – met andere woorden: tot prosociaal gedrag.

De vraag is wel, of de politiek daar veel invloed op heeft – en zo ja: op welke manier?

Daarom is het goed dat u op deze dag wetenschappelijke inzichten vanuit verschillende disciplines naar voren heeft gebracht. Inzicht in de achtergronden van prosociaal gedrag is van belang voor elke beleidsmaker, bestuurder of politicus. De vraag of mensen iets voor elkaar overhebben, is mede bepalend voor de kwaliteit van de samenleving, voor de vraag of de burgers zich “duurzaam met elkaar verbonden weten”.

De vraag of – en hoe – beleidsmakers daar invloed op kunnen uitoefenen is dus cruciaal. Wat bepaalt eigenlijk of iemand iets voor een ander overheeft?

Met die vraag voor ogen heb ik de studies bekeken die hier vandaag zijn gepresenteerd.

De bevindingen van Mark Meerum Terwogt geven meteen al een interessant inzicht in de tegenstrijdigheden die zich rond dit thema voordoen. Hij schetst de tegenstelling tussen het beeld dat mensen van zichzelf hebben en wat anderen van hen denken.

Het beeld van de moderne mens is dat hij vooral waarde hecht aan bezit. Toch antwoorden de meeste mensen “gelukkig zijn” als hun voornaamste doel in het leven. En ondanks het eerder genoemde beeld van de Nederlander als ontevreden en onverdraagzaam, zien de meeste mensen zichzelf juist als behulpzaam en sociaal. De opgave is, om die tegenstrijdige beelden positief met elkaar te verbinden. Zodat mensen niet alleen vinden dat ze zo sociaal zijn, maar dat dat ook ergens uit blijkt.

De beste prikkel daarvoor is volgens de onderzoeker het positieve gevoel dat prosociaal gedrag bij jezelf oproept. “Kijk, ik heb iets goeds gedaan voor een ander. Goed hè?” Het is interessant om te bekijken of de overheid met deze bevinding haar voordeel kan doen.

Ook het onderzoek van Beate Völker gaat over de vraag: hoe sociaal zijn Nederlanders nu werkelijk? Hoe staat het nu werkelijk met de sociale cohesie in Nederland? Staat het daarmee echt zo slecht als bijvoorbeeld Robert Putnam gelooft? Are we bowling alone?

Ik geloof dat niet zo en ik was blij te lezen dat ook Beate Völker niet zo somber is.

Het is zeker waar dat mensen zich vaker in huis opsluiten, achter tv of computer. Zoals Putnam zegt: “Most people watch Friends instead of having friends”.

Maar Nederlanders hebben ook een andere kant.

Meer mensen dan vroeger zetten zich in als vrijwilliger; van de volwassen Nederlanders doet 42 procent aan vrijwilligerswerk; dat zijn 5,3 miljoen mensen.

Relaties tussen buren, zo blijkt uit het onderzoek van Völker, zijn in werkelijkheid beter dan ze op het eerste gezicht lijken. “De trend naar minder gemeenschap en teloorgang van netwerken kunnen we in Nederland niet vinden”, zo is haar conclusie.

Die conclusie is hoopgevend. Een conclusie die ook blijkt uit het interessante tv-programma Achter de voordeur, dat in de praktijk laat zien hoe meer kennis vaak leidt tot meer begrip. Zo konden we pas geleden zien hoe een PVV-stemmer en zijn Turkse buurman het eigenlijk best met elkaar konden vinden.

Zo’n tv-programma kan een positieve bijdrage leveren aan de sociale cohesie in buurten.

De vraag is of hetzelfde geldt voor sociaal-economisch beleid. Kan dat ook bijdragen aan sociale cohesie, aan prosociaal gedrag? Leiden bijvoorbeeld evenwichtige inkomensverhoudingen die mensen als “eerlijk” ervaren tot meer sociaal gedrag? En wat is dan de invloed van een economische crisis?

Het onderzoek van Aukje Nauta over prosociaal gedrag in arbeidsorganisaties is daarom heel interessant. Juist in een periode van economische crisis, waarin de onzekerheid van werknemers toeneemt, is het van belang de werkverhoudingen binnen arbeidsorganisaties goed te houden. Nauta constateert dat een “creatieve dialoog” tussen managers en medewerkers een belangrijke voorwaarde is voor zulke goede arbeidsrelaties. Steile hiërarchie, inhoudsloze functioneringsgesprekken en smal en strak omschreven functies doden die creativiteit. Nauta pleit voor “rijke uitwisselingsrelaties” waarin de ideale afspraken, de i-deals, tot stand kunnen komen.

Ik ben dat met haar eens. Participatiemanagement, zorgen dat werknemers heel actief betrokken zijn bij de organisatie, is voor mij de sleutel tot moderne arbeidsverhoudingen. Het is de kern van het middellangetermijnadvies van de SER en de kern van de visie van dit kabinet.

Ook als lid van het Innovatieplatform weet ik, dat sociale innovatie in bedrijven minstens zo belangrijk is als technologische. In de werkgroep Slimmer Werken, onderdeel van het Innovatieplatform, hebben we geconcludeerd dat er onder werknemers erg veel talent is dat nu niet of onvoldoende benut wordt. Werkgevers kunnen er veel bij winnen als ze op dat talent een beroep doen. Sterker nog: werkgevers die dat niet doen, bewijzen zichzelf een slechte dienst. Een modern bedrijf wordt geleid als een democratische meritocratie, een organisatievorm waarbinnen de professional veel te zeggen heeft.

De bevindingen van Aukje Nauta maken mij nieuwsgierig naar haar vervolgonderzoek. Dat zal gaan over de verhoudingen tussen managers en professionals binnen universitaire medische centra. Voor mij is dat om verschillende redenen interessant. In de eerste plaats omdat ik weet hoezeer die verhoudingen binnen ziekenhuizen bepalend zijn voor de kwaliteit van de organisatie - en hoeveel er op het gebied van werkrelaties binnen ziekenhuizen nog te verbeteren valt.

De tweede reden is dat ik voorzitter ben van de Raad van Toezicht van het UMC van Amsterdam. Ik heb dus, zou je kunnen zeggen, persoonlijk belang bij de uitkomsten van dat onderzoek.

Ten slotte heb ik met plezier kennis genomen van de studie van de gedragsbiologen Sterck en Kempes. De resultaten van hun onderzoek naar de functie van agressief gedrag bij groepen apen en kleine kinderen waren verrassend.

Sterck en Kempes constateren dat agressief gedrag – zeg maar: een stevige ruzie – zeker geen negatieve kracht hoeft te zijn in relaties. Waar mensen of apen met elkaar samenleven, kunnen conflicten soms heilzaam zijn.

Uiteraard kwam ik als SER-voorzitter sterk in de verleiding om wat te mijmeren over de overeenkomsten tussen apen en kleine kinderen aan de ene kant en werkgevers- en werknemersdelegaties aan de andere. Ik zal het niet doen. Maar ik herken de observaties van de gedragsbiologen heel goed. Hun conclusie is dat de vraag of de groep goed functioneert, niet wordt bepaald door de vraag of er conflicten zijn. Ze wordt bepaald door de manier waarop een conflict wordt opgelost, een ruzie wordt afgezoend.

Apen doen dat laatste trouwens ook echt, sociale partners wat minder.

Ik kan mij in die conclusie volledig vinden.

Er bestaan veel misverstanden over het befaamde “poldermodel”, waarvan de SER in de ogen van velen de ultieme verbeelding is. Polderen is een negatieve term geworden. Het is saai, het duurt te lang en het schuift de tegenstellingen onder de mat, vinden de critici.

Ik vind dat heel onterecht. Het poldermodel zoals we dat zien binnen de SER, is juist niet een overlegmodel waarin conflicten worden toegedekt of vermeden. Binnen de SER zijn we ons er goed van bewust dat een levendige, scherpe overlegcultuur niet kan zonder periodes van fundamenteel conflict. Het model ontleent zijn kracht juist aan het samen zoeken naar oplossingen voor tegenstrijdige belangen.

You have to agree to disagree – en uiteindelijk komen we er samen uit.

En dat laatste moet ook wel.

Want Nederland is toe aan een nieuw systeem van sociale zekerheid. De zoektocht naar het beste model beheerst in deze jaren de agenda van de SER.

De vraag aan de wetenschappers die we hier vandaag hebben gehoord is, hoe hun studies ons bij die zoektocht kunnen helpen; hoe de inzichten vanuit verschillende disciplines over prosociaal gedrag kunnen bijdragen aan de vormgeving van de verzorgingstaat van de toekomst.

We zoeken een nieuwe balans tussen overheid en eigen verantwoordelijkheid, tussen rechten en plichten.

We willen weten waar we kunnen uitgaan van “zelfregulering” en waar de overheid zal moeten reguleren.

Kunnen we met succes een moreel appel doen op gevoelens van solidariteit?

En wat is de rol van financiële prikkels?

De ingrijpende maatschappelijke veranderingsprocessen die ons te wachten staan, verlopen uiteraard soepeler, als de burgers zich inschikkelijk opstellen. Daarom moet de overheid manieren vinden om inschikkelijkheid te belonen en obstructie te ontmoedigen.

We moeten op zoek naar de beste instrumenten voor de overheid om prosociaal gedrag te bevorderen. Zeg maar: naar de lekkerste wortel en de hardste stok. En natuurlijk naar de vraag wanneer je die wortel gebruikt en wanneer de stok.

We moeten een beroep doen op het vermogen van Nederlanders om hun eigen koers uit te zetten, om individueel verantwoordelijkheid te nemen.

Maar we moeten ook een beroep doen op hun vermogen zich iets aan te trekken van hun omgeving, om prosociaal gedrag te vertonen.

Zo zorgen we voor een combinatie van dynamiek en stevigheid in de samenleving.

Ik heb er vertrouwen in dat we daarin zullen slagen.

Ik zei in het begin, dat de wereld verbaasd heeft toegekeken naar de woelige politieke en maatschappelijke veranderingen in ons ooit zo bedaarde land.

Ik ben ervan overtuigd dat Nederland minder veranderd is dan het lijkt.

Uit de editie 2009 van 21minuten.nl blijkt, dat Nederlanders nog steeds een beeld van de ideale samenleving hebben dat gebaseerd is op drie pijlers: bescheidenheid, solidariteit en gezagsgetrouwheid.

Bovendien blijkt, dat verreweg de meeste Nederlanders niet alleen persoonlijk nog steeds “gelukkig tot zeer gelukkig” zijn, maar dat ze zich ook minder zorgen maken om Nederland. De uitspraak “met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht” geldt minder dan enkele jaren geleden. Nederlanders zijn een gelukkig volk en maken zich niet erg veel zorgen – zelfs niet tijdens een economische recessie.

Daarbij komt, dat het vertrouwen in de politiek terugkeert. Volgens het Continu Onderzoek Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau is het vertrouwen in de politiek sinds vorig jaar plotseling sterk gestegen. Burgers zijn vooral minder negatief over de betrokkenheid van politici bij mensen die het minder hebben.

Tegelijk zijn Nederlanders opvallend weinig somber over de economie.

Kennelijk hebben we er wel vertrouwen in.

Kennelijk is Nederland nog steeds een high trust society.

Dat sociale kapitaal van Nederland is een groot goed dat we moeten koesteren.

Prosociaal gedrag, het thema van deze dag, hoort daarbij.

Het is één van de voorwaarden voor het in stand houden van een beschaafde samenleving.

De opdracht is nu om prosociaal gedrag een plaats te geven die past bij de nieuwe verhoudingen, bij een ontzuild en individualistisch land. Prosociaal gedrag was een stuk vanzelfsprekender toen Nederland nog overzichtelijk in zuilen was verdeeld. Voor mensen binnen je eigen zuil, je eigen sociale groep heb je makkelijker iets over. De ordenende werking van die zuilen zijn we kwijt. En dus is het minder vanzelfsprekend je welwillend op te stellen naar de mensen in je omgeving.

Maar de opgave is onverminderd relevant.

Daarom moeten we het belang ervan al vroeg duidelijk maken. Op school al moeten we onze kinderen met die opgave confronteren. We moeten hun leren dat prosociaal gedrag veel meer is dan een ethisch wenselijke houding; dat inschikkelijkheid noodzakelijk is, uit welbegrepen eigenbelang. Zodat ook zij straks kunnen leven in een solidaire, sociale maatschappij.

Dames en heren,

De uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek leiden vrijwel altijd tot nieuwe vragen en dat is ook hier het geval. Tijdens mijn bijdrage heb ik verschillende vragen gesteld die ik graag beantwoord zou willen zien. Aan de ene kant vraag ik me af hoe sociaal-economische politiek kan bijdragen aan prosociaal gedrag. Aan de andere kant ben ik benieuwd hoe we de resultaten van studies naar prosociaal gedrag kunnen gebruiken in onze sociaal-economische politiek.

Ik zie dus zeer uit naar de resultaten van uw vervolgonderzoeken.