Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Verantwoord vertrouwen

Verantwoord vertrouwen

Toespraak van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter SER, tijdens de Algemene ledenvergadering van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen, 11 mei 2009, Kurhaus, Scheveningen.

Alleen het gesproken woord geldt.



Geachte dames en heren,

Vertrouwen is een onderwerp dat de laatste tijd weer aan aandacht gewonnen heeft, zowel in brede maatschappelijke zin als met betrekking tot de gang van zaken in de economie.

De huidige crisis, die inmiddels de hele economie raakt, is begonnen in de financiële sector. Toen de markt voor bijzondere financiële producten wegviel, viel ook het vertrouwen tussen de banken onderling weg. Dat had weer gevolg voor de vertrouwensrelatie tussen banken en bedrijven en tussen banken en hun cliënten en tussen banken en spaarders. Het omvallen van banken, grootscheepse steun aan banken en aan verzekeraars doet geen goed aan het vertrouwen. De uitwerking die dit alles had op de financiële markten heeft ook veel pensioenfondsen hard getroffen. En de sombere situatie van die fondsen doet ook het vertrouwen in het pensioen in pensioenfondsen geen goed.

Ik wil in mijn bijdrage eerst een aantal zaken zeggen over het begrip vertrouwen. Vervolgens leg ik dan een aantal verbanden naar het pensioen. Ook daarbij komen weer verschillend aspecten van vertrouwen aan de orde.

Francis Fukuyama schreef inmiddels alweer bijna 15 jaar geleden het boek Trust, The social virtues and the creation of prosperity. In dat boek maakt hij onderscheid tussen high trust en low trust societies/landen. Het gaat daarbij om sociaal vertrouwen waarbij de rol van instituties en de rol van de familie een belangrijke plaats inneemt. Nederland is volgens Fukuyama een high trust society. Een land met veel vertrouwen in instituties.

Ook De Nederlandsche Bank heeft de nodige aandacht besteed aan vertrouwen. Waarbij DNB als toezichthouder natuurlijk een van de instituties is die vertrouwen moet bewerkstelligen. In 2005 liet DNB een studie het licht zien onder de titel: Vertrouwen, Cement van de Samenleving en Aanjager van de Economie. Daarbij worden twee soorten vertrouwen onderscheiden:  CONFIDENCE: vertrouwen in de toekomst, in de economie.
En
TRUST: vertrouwen op een persoon, bank, institutie of met andere woorden betrouwbaarheid.
Bezien werd hoe het met het vertrouwen in Nederland gesteld is en hoe dit zich ontwikkelde. Het bleek dat het intermenselijk vertrouwen alleen maar was toegenomen. Maar het vertrouwen in sommige instituties zoals parlement en sociale zekerheid is afgenomen (dus iets minder high trust). Dat laatste wordt terecht als zorgelijk genoemd.

De reden voor het afnemend vertrouwen is minder duidelijk. De vraag kan gesteld of het geringere vertrouwen een voedingsbodem is voor populisme, of is het zo dat het populisme juist het wantrouwen aanwakkert?

Een andere uitkomst van de studie, we spreken over 2005, is dat het vertrouwen in financiële instellingen hoog is. Ook het vertrouwen in de deskundigheid en integriteit van financiële bestuurders was toen heel hoog: meer dan 90 procent oordeelde positief.
Hier geldt het woord van Bredero ’t kan verkeren.

De SER was een jaar geleden medeorganisator van de eerste Verweij-Jonker/SER-lezing met als thema SOCIAAL VERTROUWEN.
De eerdere bevinding van DNB dat in Nederland (meer dan in andere landen) sprake is van een combinatie van persoonlijke tevredenheid en maatschappelijk pessimisme, ontevredenheid werd daar bevestigd. Ontevredenheid wordt dan gezien als een gebrek aan vertrouwen.

Een van de zaken die Pauline Meurs tijdens haar lezing aankaartte, is de relatie tussen vertrouwen en onzekerheid of, anders gezegd, tussen vertrouwen en voorspelbaarheid. Vertrouwen wordt daarbij gezien als de als de uitkomst van een optel- en aftreksom. Als de uitkomst zeer waarschijnlijk goed zal zijn, is het verwachte risico laag en dus kan het vertrouwen hoog zijn. Volgens deze benadering leidt voorspelbaarheid dus tot groot vertrouwen.
Pauline Meurs stelde: Vertrouwen op mensen en instituties die maximaal voorspelbaar zijn: daar is geen kunst aan. Gebrek aan vertrouwen proberen op te lossen door onzekerheden uit te bannen en voorspelbaarheid te vergroten, brengt ons van de regen in de drup.
Zij doelt dan op zaken als prestatie-indicatoren, protocollen, steeds vollediger contracten, maar ook steeds strengere toelatingseisen voor migranten.
Die benadering vindt zij om twee redenen gevaarlijk.
Ten eerste omdat de schijn gewekt wordt dat risico’s volledig in kaart te brengen zijn. Ten tweede omdat voorspelbaarheid de inperking van vrijheid van anderen vraagt. Een grote voorspelbaarheid vraagt dan een grote vrijheidsbeperking.

Sociaal vertrouwen, zo luidt haar conclusie, is een kwestie van durven: ergens aan beginnen zonder dat je van tevoren alle risico’s hebt uitgesloten.

De huidige crisis onderstreept nog eens dat voorspelbaarheid niet onbeperkt opgevoerd kan worden en dat alle risico’s niet afgedekt kunnen worden. Risico is een realiteit.

Na deze inleidende woorden over vertrouwen, maatschappelijk vertrouwen wil ik het vertrouwen nu toespitsen op pensioen en dan kom ik ook te spreken over het thema van deze VB-bijeenkomst ‘verantwoord vertrouwen’. Wat ik dan lees als een verantwoord vertrouwen op pensioen, en een verantwoord vertrouwen in pensioenfondsen, verzekeraars en pensioenuitvoerders.

Om beeld te krijgen van dat vertrouwen heb ik Google geraadpleegd. Daarbij heb ik niet naar teksten gezocht, maar naar afbeeldingen. De zoekopdracht met ‘vertrouwen’ en ‘pensioen’ levert dan verschillende beelden op waarvan ik u twee kenmerkende zal laten zien.

[ afbeelding: mensen op de golfbaan ]

Deze eerste is zeer wel bekend en verbeeldt – zonder reclame te willen maken voor verzekeraars in dit gezelschap, maar zo heet het nu een keer – het Zwitserlevengevoel, het idee dat er een mooie, royale en onbezorgde pensioentoekomst wacht.

De tweede geeft het volgende beeld:

[ afbeelding: struisvogel met kop in het zand ]

en benadrukt eigenlijk dat we niet veel van pensioen weten en ook niet willen weten.

Beide beelden komen overeen met de bevindingen van het debat dat de SER (eind 2007) heeft georganiseerd over pensioenbewustzijn.

Daaruit kwam naar voren dat ‘men’ ervan uitging, erop vertrouwde, dat er later een goed pensioen zou zijn. 70% eindloon is een gedachte die nog steeds bij veel mensen leeft.
Maar tegelijkertijd werd ook duidelijk dat de gemiddelde Nederlander niet veel van zijn pensioen weet en er eigenlijk ook niet veel belangstelling voor heeft. En dat heeft er weer mee te maken dat de gemiddelde mens financieel analfabeet is en slecht om kan gaan met financiële informatie en beslissingen.
Een kleine aanvulling: de website van de Stichting Pensioenkijker wordt de laatste tijd wel meer bezocht.

Vertrouwen lijkt hier vooral BLIND VERTROUWEN. En dat is een vorm van vertrouwen die mij niet erg verstandig lijkt en die zeker niet past bij zoiets belangrijks als pensioen. Het gaat per slot van rekening om een belangrijk deel van het inkomen. Voor pensionering in de vorm van premie, na pensionering om inkomsten.

De vraag is: wat moet daarvoor in de plaats komen?
Een grotere voorspelbaarheid is, zoals ik eerder heb aangegeven, niet de oplossing.
Wel: goed geïnformeerd zijn over risico’s die horen bij het pensioen en die horen bij het doen en laten van pensioenfondsen.

Informatie en advies en het vergroten van de financiële geletterdheid zijn daarbij belangrijke zaken.

Maar ik wil ervoor waarschuwen daar alle heil van te verwachten.
Dat doe ik met twee voorbeelden.
Eén zeer recent en op basis van hoogstaand wetenschappelijk onderzoek.
Het tweede voorbeeld is van lang geleden, niet wetenschappelijk maar wel zeer illustratief.

Het eerste voorbeeld heeft betrekking op de rol van advies bij een vraagstuk met financiële consequenties (1).
Aan proefpersonen wordt de keuze gegeven tussen een vast bedrag en de kans op een prijs (loterij), een prijs die in hoogte kan variëren.
Het is vervolgens aan de proefpersonen om een keuze te maken.
In het onderzoek zijn twee situaties gecreëerd.
In de ene worden de twee mogelijkheden (vast bedrag, kans op prijs) aangegeven en moet de proefpersoon de keuze geheel zelf maken.
In het andere geval krijgt hij advies van een expert. Weer worden de twee mogelijkheden getoond. Maar nu wordt aangegeven welke mogelijkheid de proefpersoon volgens het advies van de expert zou moeten kiezen.

Op dit plaatje ziet u de activiteiten in de hersenen van de proefpersonen. Een plaatje gemaakt met fMRI (functional magnetic resonance imaging).

In ORANJE zijn de gebieden aangegeven die actief zijn in het geval de proefpersoon een advies krijgt. In BLAUW de gebieden die actief zijn als de proefpersoon de keuze zelf moet maken.

Wat is de betekenis hiervan? De BLAUWE gebieden zijn de gebieden die van doen hebben met kansberekening, met het calculeren van risico’s en met beloning. Dit zijn duidelijk niet de gebieden die actief zijn als de proefpersoon een advies heeft gekregen (die zijn ORANJE).

De conclusie van dit onderzoek – waar ik met deze korte samenvatting geen recht aan doe – is dat een effect van deskundig advies is dat het brein beslissingsactiviteiten (kansberekening, beloning) wegschuift en men geneigd is het advies van de deskundige te volgen.

Voor eerlijke mensen betekent dit dat aan het geven van advies een zware verantwoordelijkheid verbonden is. Wat het voor minder eerlijke mensen betekent, mag u zelf invullen.

Het tweede voorbeeld heeft betrekking op kennis van zaken en het nemen van verstandige financiële besluiten.
Hiervoor duik ik de geschiedenis in en ga terug tot 1688.

De hoofdpersoon is Coenraad van Beuningen (2). Geboren in 1622 en overleden in 1693.
Coenraad van Beuningen was van gegoede komaf en was een belangrijk man in zijn tijd. Hij speelde zowel ten tijde van Johan de Witt als Willem III een belangrijke rol in de diplomatie van de Republiek. Hij onderhandelde met Frankrijk (Lodewijk XIV), Engeland (Karel II) en Zweden, maar speelde ook een belangrijke rol in de binnenlandse politiek en was onder andere pensionaris en burgemeester van Amsterdam.

Deze Van Beuningen belegde een groot deel van zijn vermogen in aandelen VOC en hij deed uitbundig mee met de speculatie in aandelen VOC.
Tot het in 1688 fout ging en luchtbel van de speculatie barste.
Van Beuningen verloor zijn vermogen. Deze beurscrash koste hem meer dan 500.000 gulden. Behalve zijn vermogen verloor hij ook zijn verstand en werd hij door het stadsbestuur onder curatele gesteld. In 1693 overleed hij, straatarm en vergeten.

Het curieuze aan dit verhaal is dat diezelfde Van Beuningen op verzoek van de VOC de bedrijfsvoering van de VOC had doorgelicht. En zijn bevindingen waren zorgelijk. Er waren te veel ‘pennisten’ (bureaucraten), meer dan duizend van hen kon hij nergens thuisbrengen, een groot deel van de omzet bleef buiten beeld en volgens hem was er sprake van grootscheepse fraude en corruptie. En ondanks die kennis ging Van Beuningen toch mee in de speculatie in aandelen VOC.

Deze voorbeelden bevestigen de inzichten dat mensen risico’s verdringen, dat ze moeite hebben met het nemen van financiële beslissingen. En dat kennis en verstand van zaken niet automatisch tot een goede beslissing leidt.

Maar de conclusie mag niet zijn dat informatie, advies en kennis niet nodig zijn.
Wel dat we deelnemers, cliënten moeten leren dat er altijd risico’s zijn en ze moeten leren om die risico’s te accepteren. Zonder natuurlijk in blind vertrouwen te vervallen.

Vertrouwen en pensioen zijn ook institutioneel verankerd.
De Pensioenwet, voorheen de PSW, is bedoeld om het pensioengeld zeker te stellen. Om het vertrouwen in pensioen een wettelijke basis te geven door eisen te stellen aan het omgaan met pensioengeld.

De Pensioen- en Spaarfondsenwet is destijds (1952) opgezet om “zoveel mogelijk te waarborgen, dat de bij de arbeiders in dienst van particuliere ondernemingen gewekte pensioenverwachtingen ook verwezenlijkt worden”.

Daarvoor bevatte de wet twee belangrijke elementen:
het pensioengeld mag niet in het eigen bedrijf belegd worden (die handelswijze was een van de aanleidingen voor de wet, en meer recent weten we bijvoorbeeld aan de hand van ENRON wat de gevolgen kunnen zijn als het pensioengeld wel in het eigen bedrijf wordt gelegd ) en twee: het geld moet prudent belegd worden.

In de beginjaren was het niet moeilijk om dat vertrouwen gestand te doen. Simpel gezegd: er waren veel jongeren en weinig ouderen en dus was het pensioen, met de terugvaloptie van omslag, zeker.

Met de jaren en de voortschrijdende invloed van de vergrijzing kwam daar verandering in. Het aandeel van de ouderen en gepensioneerden liep op. Het aandeel van de jongeren liep terug. Bovendien werden er steeds meer eisen aan de premie gesteld, zodat ‘omslag’ niet meer als basis voor zekerheid kon gelden. Die zekerheid moest steeds meer komen van de premie en van het prudent omgaan met pensioengeld.

Tegelijkertijd deed zich een tweede ontwikkeling voor. Voor de pensioenfondsen werd het rendement op het vermogen steeds belangrijker. Er was een tijd dat meer rendement minder premie betekende. Indexering werd afhankelijk van de financiële positie van de fondsen. De premie (in de huidige situatie) heeft vooral betrekking op het nominale pensioen. Het rendement zorgt voor de slagroom op de taart, de aanpassing aan de gestegen prijzen.

Daarmee veranderde de prudentie van de fondsen.
Het staatje laat deze veranderingen zien (3).

Beleggingsmix pensioenfondsen (%)
1986 1996 2006 2007
Onroerende zaken 9 8 3 2
Aandelen + deelnemingen 9 31 54 51
Andere effecten 17 30 34 35
Financiële derivaten - - 1 2
Leningen 65 30 5 4
Liquiditeiten en deposito’s 1 2 3 4
Herverzekerde voorzieningen - - 1 1
100 100 100 100
Belegd vermogen (miljard euro) 140 274 696 764

Bron: C.A. de Kam (DNB, CBS)

De beleggingsmix veranderde. Van vooral vastrentend verschoof de mix in de richting van beleggingen met meer rendement. Beleggingen ook met meer risico. Het vermogensbeheer verschoof van saai naar spannend.

Toch wil ik niet zeggen dat de prudentie uit het oog werd verloren.
In de onderliggende modellen was het risico opgenomen en de uitkomst was dat het verantwoord was.
Dit ondanks de zware klappen op de beurzen in 1987 en 2001/2002. Waarbij zij aangetekend dat de koersen zich toen snel herstelden.
De crisis van 2008 heeft dit plaatje fors verstoord. En er klinken her en der twijfels over de onderliggende modellen en over de vraag of we het risico wel goed benaderd hebben, wel goed begrepen hebben.

Deze veranderingen door de vergrijzing, het belang van rendement en de verschuiving in het beleggingspakket van de pensioenfondsen maken eens temeer duidelijk hoe belangrijk het is de deelnemers en gepensioneerden goed duidelijk te maken wat dit betekent, wat de risico’s zijn en waarom deze risico’s genomen worden.

Terug naar het verantwoord vertrouwen, het thema van deze bijeenkomst. En naar een afronding van mijn betoog.

Naar de feiten kijkend zien we dat veel fondsen het vertrouwen van hun deelnemers hebben geschaad. Uiteindelijk bleek de zekerheid toch minder dan altijd was beweerd en ziet het ernaar uit dat het mooie pensioen waar iedereen op vertrouwt, toch wat minder mooi wordt dan verwacht.

Of dat tot minder vertrouwen in het pensioen, in pensioenuitvoerders leidt, weet ik niet. Er is geen boze opzet in het spel, en dan - zo blijkt uit psychologisch onderzoek - wordt het schaden van vertrouwen minder zwaar aangerekend dan als er wel sprake is van opzet, van beduvelen.
Vertrouwen - ik heb het eerder gezegd, bij het aanhalen van Pauline Meurs - houdt ook in dat een zeker risico wordt aanvaard. Als alles duidelijk is en voorspelbaar is, is vertrouwen niet nodig.
Maar de vraag blijft natuurlijk wel hoeveel risico overeenkomt met verantwoord vertrouwen. En kan de deelnemer dat risico inschatten?

Ik denk dat het vraagstuk dan toch weer op uw bordje ligt. Dat u ervoor moet zorgen dat het vertrouwen van de deelnemer verantwoord is. Daar komt nog bij dat die deelnemer aan u vast zit. Hij kan niet, zoals bij een bank of verzekeraar, overstappen.
Het is dus van het grootste belang dat u betrouwbaar blijft.

En misschien moet u daarbij uw gedachten eens laten gaan wat Paul Krugman zei over “making banking boring” (4). Hij geeft aan dat bankieren vroeger saai en degelijk was (en dat gold ook voor de bankiers). In de jaren na 1980 werd bankieren steeds uitdagender, sexyer en risicovoller (en ook dat straalde af op de bankiers) met als resultaat de kredietcrisis. Krugman vindt dat bankieren weer saai moet worden.

Misschien moeten pensioenfondsen ook wel weer wat saaier worden. Maar saaier betekent nog steeds niet zonder risico. Want zelfs saai beleggen is niet zonder risico.
Dus misschien moet u ook nog eens naar de risicoverdeling kijken. Welk risico dragen de verschillende groepen binnen het fonds, welke risico dragen de verschillende groepen deelnemers? En is het mogelijk risiconiveaus te laten variëren met de leeftijd?

Ik denk dat het nu het goede moment is om het risicobewustzijn te vergroten en te bezien hoe we in de toekomst moeten omgaan met risico’s (risk awareness & management). Niet alleen voor de fondsen en fondsbestuurders, maar ook voor de deelnemers. Door ze te laten weten dat pensioen niet zonder risico is, waarom dat risico nodig is en hoe u omgaat met dat risico.



  1. Engelmann c.s. (2009) Expert Financial Advice Neurobiologically “Offloads” Financial Decision-Making under Risk, PLoS ONE 4(3):e4957.doi:10.1371/journal.phone.0004957
  2. Zie bijv.: Luc Panhuysen (2009) Ineens spatte de zeepbel van vertrouwen uit elkaar (diplomaat en belegger Coenraad van Beuningen) in Historisch Nieuwsblad, april 2009, pp. 26-34.
  3. C.A. de Kam (2009) Pensioenarmada maakt water: pompen of verzuipen, TPV, februari 2009, p. 2-5
  4. Paul Krugman (2009) Making banking boring, New York Times, 10 april 2009 (zie ook website Paul Krugman).

 

dr. A.H.G. (Alexander) Rinnooy Kan / © Christiaan Krouwels