Werken ondanks ziekte: van groot maatschappelijk belang .
23 januari 2007
Alleen het gesproken woord geldt
Dames en heren
Voorrecht om u hier te mogen ontvangen in het SER-gebouw en om tijdens deze bijeenkomst enkele woorden tot u te spreken.
Verrassend dat zoveel nominaties uit uw kring naar voren zijn gekomen. Bij mijn weten is het aantal van 110 niet eerder bereikt.
Uit gegevens van TNO is af te leiden dat een op de vijf Nederlanders reumatische klachten heeft. Het zou dan gaan om circa 2 miljoen mensen van 20 jaar of ouder. Daarbij geldt reuma als een verzamelnaam voor meer dan honderd aandoeningen van het bewegingsapparaat.
De mate waarin mensen hinder ondervinden van hun klachten is sterk verschillend. Dat heeft alles te maken met de ernst van de aandoening. Die kan sterk verschillen maar ook gedurende het werkzame leven telkens veranderen. .
Als ik uit mag gaan van het getal van 2 miljoen is aannemelijk dat verreweg de meeste van hen een plaats hebben in het arbeidsproces en hun werkzaamheden zonder al te grote problemen kunnen verrichten.
Dat geldt niet voor de 110 reumapatiënten die een nominatie voor de Support Award hebben ingediend.
Uit hun brieven blijkt hoe veel moeite zij vaak moeten doen om hun werk goed te doen en hoe zeer zij zich afhankelijk voelen van hun omgeving, hun collega’s en hun werkgever om hun plaats in het arbeidsproces te behouden.
Ik kan mij goed voorstellen dat het voor iemand moeilijk is om te erkennen dat je afhankelijk bent van collega’s of van je werkgever.
Om te erkennen dat het niet lukt om zonder hulp van anderen aan het werk te blijven.
Ik heb dan ook groot respect voor degenen die een nominatie hebben voorgelegd, ook voor degenen die niet behoren tot de vijf genomineerden die voor deze bijeenkomst zijn uitgenodigd.
Dames en heren,
In deze vergaderzaal spreken doorgaans vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers en kroonleden met elkaar over allerhande vraagstukken die zich in onze samenleving voordoen.
In de adviezen van de SER aan regering en parlement trachten wij verbindingen aan te brengen tussen sociaal-politieke vraagstukken op nationaal niveau en vraagstukken waarmee individuele bedrijven en individuele burgers of werknemers van dag tot dag worden geconfronteerd.
U zult met mij benieuwd zijn naar de uitkomst van de discussies die op dit moment op steeds weer verrassende locaties in het land gaande zijn in het kader van de kabinetsformatie.
Mijn voorganger de heer Wijffels is gevraagd om daar zijn bemiddelende rol in te spelen.
De SER heeft in de maand oktober van het vorige jaar een belangrijk advies uitgebracht dat richtinggevend kan zijn voor het toekomstige kabinetsbeleid op sociaal-economisch terrein.
De kern van dit advies luidt: investeer in mensen om de economie van Nederland toekomstbestendig te maken.
Een goed draaiende economie bevordert de sociale samenhang of sociale cohesie in de samenleving. Een goed draaiende economie biedt mensen ook ruimte om zich te ontplooien naar hun mogelijkheden.
In het advies trekken we de conclusie dat er in het komende decennium voor 400.000 personen extra arbeidsplaatsen moeten komen om de toenemende lasten van de vergrijzing op te vangen.
Dat is een ambitieuze beleidsdoelstelling die inzet van alle betrokkenen vraagt.
De centrale opdracht voor overheid en sociale partners is dan ook te komen tot een samenhangend pakket van maatregelen op het gebied van onderwijs, scholing, kinderopvang, belastingen, arbeidsparticipatie, preventie en reïntegratie.
In het advies wordt dat de participatiepijler genoemd.
Dat is een verzamelnaam voor al die maatregelen en voorzieningen van overheid en sociale partners die de arbeidsparticipatie vergroten en de kwaliteit en de productiviteit van arbeid verbeteren.
Voor een groot deel kan hierbij worden voortgebouwd op bestaand beleid maar daarnaast zullen stroomlijning, herschikking en intensivering nodig zijn.
Soms zullen ook nieuwe wegen moeten worden ingeslagen bijvoorbeeld op het terrein van onderwijs.
Mede vanuit deze beleidsambitie kijk ik naar het thema Werken ondanks ziekte is van groot maatschappelijk belang dat het Reumafonds voor mijn referaat heeft voorzien. .
Naar mijn mening doet Nederland enerzijds zichzelf tekort als er onvoldoende ruimte is voor mensen om ondanks hun ziekte of handicap aan het werk te blijven.
Anderzijds biedt de ambitieuze participatiedoelstelling juist ook de ruimte voor mensen om ondanks hun ziekte of handicap actief te blijven meedoen in het arbeidsproces.
Dat is het macro-economische verhaal.
Een wezenlijk onderdeel van dit verhaal is dat er ruimte moet zijn voor sociale innovatie.
Dat laat zich niet door regelgeving vanuit Den Haag invullen.
Daar zijn creativiteit en ondernemerschap voor nodig op alle niveaus binnen de arbeidsorganisaties zowel bij het bedrijfsleven als bij de overheid.
In eigentijdse arbeidsorganisaties weten leidinggevenden dat de toekomst van hun bedrijf afhankelijk is van de talenten van de mensen die op alle niveaus werkzaam zijn. Sociale talenten en kennis zijn in onze samenleving – zo u wilt kenniseconomie - steeds belangrijker ten opzichte van fysieke vaardigheden.
Technische innovaties hebben ons minder afhankelijk gemaakt van fysieke arbeidskracht en maken ons meer en meer afhankelijk van persoonlijke creativiteit, van communicatie en van sociale talenten.
Dat houdt ook in dat fysieke beperkingen en klachten voor velen minder belemmerend zouden kunnen zijn om aan het arbeidsproces deel te nemen.
Daarmee wordt de aanwezigheid van klachten en gezondheidsproblemen niet ontkend. Maar minder dan voorheen moet als consequentie daarvan worden gezien dat mensen met gezondheidsproblemen thuis moeten zitten en buiten het arbeidsproces zullen staan.
In de afgelopen jaren heeft de SER geadviseerd over de herziening van het stelsel van arbeidsongeschiktheidsregelingen in ons land.
De WAO is vervangen door de WIA.
In lijn met het SER-advies is de WIA zo ingericht dat voor degenen die zodanige gezondheidsproblemen kennen dat zij duurzaam niet aan het arbeidsproces kunnen deelnemen, van overheidswege een wettelijke inkomensbescherming wordt geboden van 75% van het vroegere inkomen.
Voor degenen die gelet op hun gezondheidsproblemen nog wel mogelijkheden hebben om aan het arbeidsproces deel te nemen, is het stelsel zo ingericht dat de band tussen werkgever en werknemer zo lang mogelijk behouden blijft.
Daaraan draagt bij dat de werkgever gehouden is om het loon tijdens ziekte gedurende twee jaar door te betalen. Ook bevat de Wet Verbetering Poortwachtersfunctie een veelheid van instrumenten die erop zijn gericht dat de mogelijkheden om aan het arbeidsproces deel te nemen daadwerkelijk worden benut.
In dit kader is van belang is dat werknemers zelf kunnen aangeven welke mogelijkheden zij zien.
“Niet bij de pakken neerzitten en duidelijk maken wat je nog wel kan” staat in een brief ter toelichting op een nominatie voor de prijs die vandaag wordt uitgereikt.
En in andere brieven staat:
“Geloof in je zelf en draag dat uit” en als tip voor anderen: “Geef zelf goed aan wat er aan de hand is en welke beperkingen je hebt. Eigenwaarde is van groot belang en plezier houden in je werk, ondanks pijn”.
De overgang van het oude stelsel naar het nieuwe heeft veel repercussies, vooral door de vaak confronterende ervaringen bij de herkeuringen.
Het laat zich nu nog niet vaststellen in welke mate het nieuwe stelsel heeft gebracht wat werd beoogd, namelijk dat meer mensen met gedeeltelijke arbeidsbeperkingen kunnen deelnemen aan het arbeidsproces dan voorheen het geval was.
Er zijn signalen dat binnen het nieuwe stelsel inderdaad meer mensen hun baan of een andere baan bij hun werkgever kunnen behouden en dat daarmee de uitval uit het arbeidsproces is afgenomen.
Maar er zijn ook signalen dat het voor werknemers met gezondheidsproblemen die buiten het arbeidsproces staan moeilijk blijft om het arbeidsproces binnen te komen.
Hier ligt dus nog een duidelijke beleidopgave voor de toekomst zowel voor het toekomstige kabinet als voor sociale partners bij hun overleg hier in dit huis.
Afgelopen vrijdag heeft de Stichting van de Arbeid in dit gebouw een aantal conclusies getrokken over degenen die in het nieuwe stelsel na twee jaar ziekte minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard.
Van begin af aan lag het in de bedoeling deze mensen zoveel mogelijk te behouden voor het arbeidsproces bij de eigen werkgever. En indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, dan bij een andere werkgever.
De organisaties van werkgevers en werknemers spreken er gezamenlijk hun teleurstelling over uit dat ongeveer 43% van deze mensen geen dienstverband meer heeft.
Zij zullen zich dan ook blijven inzetten om de eerder gedane aanbevelingen gericht op
reïntegratie van mensen met arbeidsbeperkingen alsnog in de praktijk te brengen.
In dat verband wordt gewezen op goede en concrete cao-afspraken op dit punt.
Maar ook het creëren van regionale of sectorale samenwerkingsverbanden, zoals het Poortwachtercentrum dat door de West Friese Bedrijvengroep is opgericht. Via dit centrum zijn met succes concrete afspraken gemaakt over het zoeken naar de juiste oplossingen met en voor werknemers die hun baan als gevolg van gezondheidsproblemen dreigen te verliezen. Een voorbeeld dat naar mijn mening navolging verdient.
Eerder deze maand heeft de raad voor Chronisch zieken en Gehandicapten tijdens een symposium over Arbeidsparticipatie een actieplan gepresenteerd. Het plan omvat elf concrete actiepunten die gericht zijn op de positie van zowel de zieke en gehandicapte werknemers als op de werkgevers.
Veel van deze actiepunten zullen naar ik verwacht algemene instemming ontmoeten.
Ik noem het beschikbaar stellen van extra middelen voor scholing en omscholing en het bevorderen van zelfstandig ondernemerschap door het beschikbaar stellen van voorzieningen voor zelfstandigen met een handicap.
Ook het zoeken naar creatieve oplossingen om werk te vinden en het bevorderen van de toegankelijkheid van gebouwen voor gehandicapten lijken mij belangrijke aandachtspunten.
Verder worden actiepunten genoemd die gericht zijn op het faciliteren van werkgevers bij het aannemen en in dienst houden van mensen met gezondheidsbelemmeringen.
Ook deze lenen zich wat mij betreft voor nadere overweging en studie.
Het gaat hier bijvoorbeeld om de suggestie om de duur van de premiekorting en de no riskpolis te verlengen.
En om de suggestie om deze instrumenten ook van toepassing te laten zijn wanneer een werkgever iemand met een geringe arbeidsbeperking (minder dan 35%) in dienst houdt.
Tijdens het symposium van de raad voor chronische zieken en gehandicapten hebben de voorzitters van de grootste werkgevers- en werknemersorganisaties hun voorlopige reacties kenbaar gemaakt.
Daaruit blijkt dat beiden de doelstellingen van de CG-raad onderschrijven maar verschillend denken over twee actiepunten, namelijk het instellen van een verplicht percentage (quotum) van het personeelsbestand voor werknemers met beperkingen en verdere ontslagbescherming.
Over beide punten wordt al zeer geruime tijd gesproken.
Ik zal daarover niet ook nog eens mijn opvatting geven.
Ik ben namelijk bang dat de heftigheid waarmee de discussie over deze onderwerpen wordt gevoerd contraproductief is; contraproductief, bezien vanuit het gezamenlijke doel, te weten het versterken van de positie van werknemers met gezondheidsbelemmeringen.
Dat neemt volgens mij niet weg dat wie deze doelstelling onderschrijft (en wie doet dat niet?), ook bereid moet zijn om zichzelf een spiegel voor te houden en zich af te vragen of in de organisatie waarin hij of zij werkt wel voldoende wordt gedaan om het doel te verwezenlijken.
Maatwerk is hierbij geboden.
En dat vraagt ook weer om creativiteit én ondernemerschap.
Ondernemerschap komt niet naar voren in risicomijdend gedrag maar juist in het zoeken naar creatieve oplossingen bij het zoeken naar geschikte arbeidsplaatsen om de talenten van arbeidsgehandicapten te benutten.
Dames en heren,
Ik kom tot een afronding.
Er zijn veel adviezen en actiepunten aangereikt om de agenda voor het komende kabinet in te vullen.
Daartoe behoren ook initiatieven om te komen tot een vergroting van de arbeidsdeelname van mensen met gezondheidsbeperkingen.
Werken is een fundamenteel recht in onze samenleving.
Het is meer dan alleen de kost verdienen.
Het is een belangrijke mogelijkheid om je talenten te benutten en om je verdienstelijk te maken in de samenleving.
Graag wil ik ieder uitdagen om mee te werken aan het bevorderen van werken ondanks ziekte of gezondheidsbelemmeringen. Dat is wat mij betreft van groot maatschappelijk belang.