23 oktober 2002
In de SER wordt verschillend gedacht over het initiatiefwetsvoorstel Bussemaker / Van Dijke tot verruiming van de zeggenschap van werknemers over arbeidstijden. Dat blijkt uit een advies dat een commissie onder leiding van prof. mr. P.F. van der Heijden heeft opgesteld. Het is vastgesteld in de raadsvergadering van 18 oktober. Het is een antwoord op een adviesaanvraag van de Eerste Kamer die het initiatiefwetsvoorstel in behandeling heeft.
De kern van het wetsvoorstel wordt gevormd door twee thema’s: (1) de positie van de werkgever en van de individuele werknemer bij noodzakelijk geachte arbeid op zondag wegens bedrijfsomstandigheden, en (2) de vraag in hoeverre de werkgever bij de vaststelling van het arbeidspatroon van de individuele werknemer (meer dan thans) rekening moet houden met diens ‘persoonlijke omstandigheden’.
Een deel van de raad (de werknemersleden en de kroonleden Asscher-Vonk en Cramer) is met de indieners van het initiatiefwetsvoorstel van oordeel dat de werkgever ook op individueel niveau rekening moet houden met de (gewijzigde) persoonlijke omstandigheden van een werknemer. Een verzoek tot aanpassing van de arbeidstijden mag een werkgever volgens dit deel slechts afwijzen als aanvaarding ervan in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd.
Dit deel is verder van mening dat de werknemer in het arbeidsrecht steun moet vinden voor het beleven van de zondag als een dag van rust of bezinning of voor met anderen gedeelde ontspanning. De werknemer behoeft naar het oordeel van dit deel alleen op zondag te werken als hij daarmee instemt. Dat de werkgever dan bij incidentele bedrijfsomstandigheden is aangewezen op de vrijwillige medewerking van de werknemers of op uitzend- en detacheringbedrijven, plaatst de werkgever naar het oordeel van dit deel van de raad niet in een onmogelijke positie. Meestal dienen zich voldoende werknemers aan voor het werken op zondag.
Volgens een ander deel van de raad (bestaande uit de ondernemersleden) verstoort het wetsvoorstel de bestaande balans tussen de belangen van de werkgever en de werknemers. Bij de evaluatie van de Arbeidstijdenwet is naar voren gekomen dat de ondervraagde werkgevers, ondernemingsraden en werknemers van oordeel zijn dat er bij de vaststelling van de arbeidstijden over het algemeen rekening wordt gehouden met de belangen en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Het vergroten van de individuele zeggenschap van werknemers over arbeidstijden brengt de kwaliteit van de organisatie van de arbeid in gevaar en kan leiden tot een ongelijke verdeling van lusten en lasten omdat inwilliging van de wensen van de ene werknemer immers vaak negatieve gevolgen heeft voor andere werknemers.
Weer een ander deel van de raad (de kroonleden Van Duyne, Goudswaard, Kolnaar, Van der Nat, Wijffels en Wilke) komt tot het oordeel dat –vooralsnog – niet is gebleken dat de maatschappelijke problematiek die ten grondslag ligt aan het initiatiefwetsvoorstel noopt tot nadere voorzieningen in de wetgeving. Hoewel dit deel sympathie kan opbrengen voor de overwegingen bij het wetsvoorstel, meent het dat de geschetste problemen binnen de bestaande sociale verhoudingen en met inachtneming van de thans geldende wetgeving kunnen worden opgelost. In het overleg tussen werkgever en werknemer kunnen zowel op collectief als op individueel niveau oplossingen voor eventuele problemen in verband met persoonlijke omstandigheden of zondagarbeid worden gevonden.