Verslag bijeenkomst 6 oktober 2010
Het is mooi dat we steeds ouder worden, mede dankzij steeds betere zorg. Maar met de stijgende levensverwachting neemt ook het beroep op langdurige zorg toe. Dat gaat gepaard met steeds hoger oplopende kosten (volgens het CVZ in 2009 ruim 23 miljard euro) en steeds grotere personeelstekorten. De centrale vragen op het symposium langdurige zorg van de SER waren dan ook: Hoe kunnen we de langdurige zorg in Nederland betaalbaar houden en waar vinden we voldoende mensen om ook in de toekomst zorg te leveren?
De serie jubileumcongressen ter gelegenheid van de 60e verjaardag van de SER verbinden een actueel maatschappelijk probleem in Nederland met een internationale invalshoek. In dit vierde jubileumsymposium ging het om de vraag wat we kunnen leren van de ervaringen in Duitsland om de langdurige zorg toekomstbestendiger te maken.
Dagvoorzitter Astrid Feiter opende het symposium met een persoonlijke vraag aan de zaal: Is het verstandig om een fonds op te richten voor haar verstandelijk gehandicapte zoon van 11 jaar, zodat hij altijd de zorg zal krijgen die hij nodig heeft. Met deze vraag werd direct het dilemma tussen solidariteit en eigen verantwoordelijkheid geagendeerd.
Alexander Rinnooy Kan plaatste het dilemma in een historisch kader. In 1965 adviseerde de SER positief over een collectieve verzekering voor het risico van langdurige zorg. In 2008 bevestigde de SER de noodzaak van een dergelijke verzekering, maar constateerde tegelijkertijd dat de AWBZ wel toe is aan een grondige renovatie. Rinnooy Kan wees er op dat veel landen in wezen dezelfde problemen hebben als het gaat om het betaalbaar houden van langdurige zorg. Met name de situatie in Duitsland is interessant, omdat het Duitse systeem enkele overeenkomsten vertoont met de plannen van het nieuwe kabinet. Het kopiëren van het Duitse stelsel naar de Nederlandse situatie is volgens Rinnooy Kan niet aan de orde, maar ‘afkijken’ van wat werkt (of juist niet) kan heel verstandig zijn.
Professor dr. Heinz Rothgang zette vervolgens de belangrijkste ervaringen van de eerste 15 jaar Pflegeversicherung in Duitsland op een rijtje. Belangrijke verschillen met Nederland zijn de strengere toegangscriteria tot langdurige zorg, de hogere eigen bijdragen, maar ook de fors lagere collectieve kosten. Volgens Rothgang kunnen Duitsland en Nederland nog veel van elkaar leren. Een interessant aspect van het Duitse systeem is bijvoorbeeld de focus op het zo lang mogelijk thuis laten wonen van patiënten.
Ook in Duitsland vormt de betaalbaarheid van langdurige zorg een grote uitdaging. Vanaf 2002 zijn daarom premieverhogingen en hervormingen doorgevoerd. Kansrijke hervormingen zijn volgens Rothgang de publicatie van kwaliteitsrapporten (om concurrentie op kwaliteit op gang te brengen) en het stimuleren van revalidatie en zelfredzaamheid.
Paul Besseling van het CPB nam de vertaling naar de Nederlandse situatie voor zijn rekening. Sinds 2000 stijgen de kosten van langdurige zorg in Nederland met 4% (geschoond voor inflatie), vooral als gevolg van vergrijzing en technologische ontwikkelingen. Hoewel er goede argumenten zijn voor een rol van de overheid zijn er ook grenzen aan het draagvlak voor de solidariteit. Zo heeft het CPB becijferd dat een groei van de zorguitgaven met 4% in plaats van de eerder berekende 3% gepaard gaat met circa 2% verlies aan nationaal inkomen en (extra) werkgelegenheidsverlies.
Het denken over langdurige zorg heeft volgens Besseling na het SER-advies van 2008 lange tijd stilgestaan. De grote aandacht voor dit onderwerp in de verkiezingsprogramma’s en het concept regeerakkoord doet echter vermoeden dat de discussie weer wordt opgepakt. Deze discussie zal volgens Besseling niet alleen over de inrichting van het stelsel (de ‘hoe’-vraag) gaan, maar onvermijdelijk ook over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en burger (de ‘wat’-vraag).
Henk van der Velden (FNV) en Ton Schoenmaeckers (MKB Nederland) trapten namens de sociale partners deze discussie af. In een levendig debat, waaraan ook vertegenwoordigers van patiëntenverenigingen, ouderenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, jong management en het ministerie van VWS een bijdrage leverden, kwamen vanuit verschillende invalshoeken thema’s als solidariteit, eigen regie, eigen betalingen, scheiden wonen-zorg, preventie, de rol van verzekeraars en zorginhoudelijke vernieuwing aan de orde.
De dagvoorzitter sloot de discussie af met de voorlopige conclusie dat het toekomstbestendig maken van de langdurige zorg de komende jaren een majeure opgave zal zijn.