Over medezeggenschap
Over heffing scholing en vorming OR-leden
Over Medezeggenschap
Wanneer is een OR verplicht?
De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, is verplicht een ondernemingsraad in te stellen. In de regel 50 personen betekent dat over het gehele jaar genomen in de meeste perioden 50 of meer personen werkzaam zijn in de onderneming. Een ondernemer kan ook verplicht zijn een OR in te stellen op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst of een door een publiekrechtelijk orgaan vastgestelde regeling van arbeidsvoorwaarden (zie artikelen 2 en 5a WOR).
Wie tellen er mee voor het criterium ‘in de onderneming werkzame personen’?
Met “in de onderneming werkzame personen” worden, kort samengevat, bedoeld (zie artikelen 1 en 6 WOR):
- de werknemers dan wel ambtenaren die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst respectievelijk publiekrechtelijke aanstelling. Hierbij maakt het niet uit of de arbeidsovereenkomst/aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd is en ook niet of het dienstverband parttime of fulltime is;
- de uitzendkrachten die ten minste 24 maanden werkzaam zijn bij de inlener. Deze uitzendkrachten tellen bij de inlener mee als “in de onderneming werkzame personen”;
- de uitzendkrachten, werknemers dan wel ambtenaren die elders dan in de eigen onderneming zijn tewerkgesteld. Deze uitzendkrachten en gedetacheerden tellen bij de uitlener mee als “in de onderneming werkzame personen”;
- de groep “in de onderneming werkzame personen” kan nog verder worden uitgebreid op door middel van een afspraak tussen ondernemer en ondernemingsraad (groepsgewijze uitbreiding).
Wat is een ‘onderneming’ in de zin van de WOR?
Het begrip “onderneming” in de WOR is niet gelijkluidend aan het begrip onderneming in andere wetten en het dagelijks spraakgebruik. Artikel 1 WOR definieert het begrip onderneming als: “elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht.” Kortom, iedere arbeidsorganisatorische eenheid die zich in het maatschappelijk verkeer als zelfstandige eenheid presenteert, is een onderneming in de zin van de WOR. Voorbeelden zijn een fabriek, een winkel, een kantoor, een filiaal.
Kan voor afzonderlijke ondernemingen tezamen één OR worden ingesteld en zo ja, aan welke voorwaarden moet dan zijn voldaan?
Voor twee of meer ondernemingen die door één ondernemer in stand worden gehouden en waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, kan een gemeenschappelijke ondernemingsraad ingesteld worden indien dat bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de betrokken ondernemingen.
Ook voor twee of meer ondernemingen waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn en die in stand worden gehouden door in een groep verbonden ondernemers, kan een gemeenschappelijke ondernemingsraad ingesteld worden (zie artikel 3 WOR).
Op welke wijze moet een bemiddelingsverzoek worden ingediend bij een bedrijfscommissie en hoeveel tijd neemt de behandeling gemiddeld in beslag?
Een verzoek om bemiddeling en advies behoort schriftelijk te worden ingediend en dient te bevatten:
- een (nadere) omschrijving van de partijen;
- een beschrijving van het tussen partijen bestaande geschil;
- hetgeen de verzoekende partij beoogt te bereiken; en
- het (de) wetsartikel(en) waarop de verzoekende partij zich meent te kunnen beroepen.
De wet geeft de bedrijfscommissies een termijn van twee maanden voor de behandeling van een bemiddelingsverzoek. Met instemming van beide bij een geschil betrokken partijen kan de bedrijfscommissie die termijn met twee maanden verlengen.
Wat is een bedrijfscommissie?
Bedrijfscommissies bemiddelen bij geschillen tussen de ondernemingsraad en de ondernemer. Daarnaast geven zij voorlichting en functioneren ze als vraagbaak
Welke bedrijfscommissie is in ons geval bevoegd?
De bevoegdheden van de bedrijfscommissies strekken zich uit tot bepaalde sectoren van het bedrijfsleven. In de regel kan aan de hand van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming en de instellingsbesluiten van de bedrijfcommissies vastgesteld worden welke bedrijfscommissie bevoegd is. Daarnaast behoort de naam van de bevoegde bedrijfscommissie in het reglement van de ondernemingsraad opgenomen te zijn bij de begripsbepalingen.
Biedt dit geen uitkomst, dan kan bij het secretariaat van beide bedrijfscommissies navraag worden gedaan.
Over heffing scholing en vorming OR-leden
Wij hebben (nog) geen OR ingesteld, moet dan toch heffing betaald worden?
Ja, wanneer de ondernemer verplicht is een OR in te stellen is hij ook verplicht de heffing te betalen. De bijdrageplicht in de WOR is namelijk gekoppeld aan de verplichting om een OR in te stellen. Overigens moet de ondernemer die overeenkomstig het bepaalde in artikel 5a, lid 2, WOR vrijwillig een OR instelt, ook heffing betalen (zie artikel 46a WOR).
Wat gebeurt er met de opbrengst van de heffing
De heffingsopbrengst wordt gebruikt ter bevordering van de scholing en vorming van OR-leden. In de praktijk gebeurt dit door middel van de subsidiering van de activiteiten van de Stichting GBIO (zie artikelen 46a en 46b WOR).
Wij zijn het niet eens met de aanslag, hoe kunnen wij bezwaar maken?
De Belastingdienst legt de heffing door middel van een aanslag op. Daarbij past hij de regels die gelden voor de heffing en invordering van de inkomstenbelasting overeenkomstig toe. Deze regels omvatten de Invorderingswet 1990 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waaronder begrepen de fiscale rechtsgang.
De ondernemer die het niet eens is met de aanslag omdat er bezwaar bestaat tegen de bijdrageplicht of tegen de berekeningsgrondslag kan een bezwaarschrift indienen bij de Sociaal-Economische Raad, Bureau Heffingen Ondernemingsraden, Postbus 90405, 2509 LK Den Haag. Indien het bezwaar betrekking heeft op de berekeningsgrondslag, dan wordt het in overleg met de Belastingdienst afgehandeld.
Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag worden ingediend.
Hoe wordt het loonbedrag bepaald waarover de heffing wordt berekend?
De Belastingdienst haalt het loonbedrag uit de loonbelastingadministratie. Het loonbedrag moet overeenstemmen met het fiscale loon (loon voor de loonheffingen/volksverzekeringen) van het voorgaande jaar.
Is de heffing ook verschuldigd als in de loop van het kalenderjaar onze onderneming niet meer verplicht is een OR in te stellen?
Ja. Wijzigingen in de loop van het jaar, waardoor er geen ondernemingsraadverplichting meer is, hebben pas in het volgende kalenderjaar tot gevolg dat de bijdrageplicht wordt beëindigd.
Het loonbedrag in het heffingsjaar zal aanzienlijk lager uitpakken, wordt de aanslag aangepast?
Nee, de basis voor de heffing is het loon van het voorgaande jaar. Wijzigingen in het lopend jaar zullen dus pas in de aanslag voor het volgende jaar tot uitdrukking komen.
Wat wordt onder loon begrepen?
In artikel 46a van de WOR wordt bij beschrijving van de berekeningsgrondslag gesproken over “het bij de betrokken ondernemer in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon”. Het gaat dus om loon dat door een ondernemer uitbetaald is aan degenen die werkzaam zijn in de onderneming. Uitkeringen die gemeenten doen aan cliënten in het kader van WIA, WWB e.d. worden niet gerekend tot het genoten loon.