Blootstelling op de werkplek aan inhaleerbare allergene stoffen kan leiden tot het ontstaan van werkgerelateerde luchtwegallergieën. Eerst vindt in het algemeen sensibilisatie plaats (het gevoelig worden voor de betreffende stof). Vroeg of laat ontwikkelt zich echter een allergie met gezondheidsklachten, zelfs bij geringe blootstelling.
Voor deze groep van stoffen kan veelal geen veilige grenswaarde worden vastgesteld.
Daarom zal een zelfde benadering als voor kankerverwekkende stoffen zonder veilige drempelwaarde worden gevolgd: vaststelling van een streefrisiconiveau, het uitvoeren van een haalbaarheidstoets en vervolgens voor zover noodzakelijk een vierjaarlijkse herhalingstoets.
Het streefrisiconiveau bepaalt tot hoever de blootstelling moet worden geminimaliseerd opdat de extra kans op een schadelijk effect enigermate te verwaarlozen is, respectievelijk zal wegvallen in een natuurlijk achtergrondrisico.
De haalbaarheidstoets moet niet alleen gericht zijn op de technische haalbaarheid, maar ook op de operationele en economische haalbaarheid.
Als streefrisiconiveau wordt gehanteerd 1 procent extra kans op sensibilisatie als gevolg van blootstelling aan een inhaleerbaar allergeen (boven op het natuurlijke voorkomen van sensibilisatie voor een stof).
De hoogte van het corresponderende blootstellingsniveau kan per inhaleerbaar allergeen verschillen.