De Wet op de bedrijfsorganisatie legt op het vlak van toezicht en bestuur enkele taken in handen van de SER. De taken op het gebied van bestuur en beleidsmatige aspecten van het SER-toezicht behoren tot de verantwoordelijkheid van de Bestuurskamer. De dagelijkse uitvoering van het SER-toezicht op de product- en bedrijfschappen is in handen van de Toezichtkamer. Het toezicht door de SER is te karakteriseren als randvoorwaardelijk en valt uiteen in een aantal onderdelen:

De (institutionele) bestuurstaken van de SER hebben betrekking op: 

De SER heeft een eigen visie over de wijze waarop hij toezicht dient te houden. In het verlengde hiervan vormt de SER toezichtbeleid en verstrekt hij informatie over het gevoerde beleid (verantwoording). Uiteraard is er voor de onderwerpen toezicht en bestuur ook een wettelijk kader en wordt er gewerkt op basis van een werkprogramma (en Toezichtplan voor de Toezichtkamer).


Goedkeuring besluiten en financiën

Het bestuur van een schap kan zelfstandig besluiten nemen, veelal in de vorm van verordeningen, die de hele branche raken. Op welk terrein het bestuur zulke besluiten mag nemen, is bij de oprichting van het schap vastgelegd.

De SER controleert die besluiten op twee belangrijke punten: een besluit mag niet in strijd zijn met de wet en mag de belangen van het bedrijfsleven in het algemeen niet schaden. Zo mag een schap niets regelen over prijzen of vestigingsplaatsen. Wat een schap regelt mag ook een gezonde mededinging in de branche niet belemmeren. Bovendien is belangrijk dat aan Europese regels wordt voldaan.

Het toezicht van de SER richt zich op de randvoorwaarden van genomen besluiten. De SER gaat hierbij niet op de stoel van het schapsbestuur zitten.

Bij de schappen gaat jaarlijks totaal zo’n 270 miljoen euro om. Dat geld is nodig voor de vele activiteiten van de diverse schappen. Om te waarborgen dat deze middelen inderdaad op de bedoelde plek terecht komen, controleert de SER elk jaar de financiën van de schappen.

Die controle gaat niet alleen over de jaarrekeningen van de schappen, maar ook over de besluiten die daaraan ten grondslag liggen, zoals begrotingsverordeningen en heffingsverordeningen. De SER moet hieraan zijn goedkeuring geven. Het gaat in totaal om zo’n 300 besluiten van schappen per jaar.


Vierjaarlijks draagvlakonderzoek

De SER is verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van het vierjaarlijks draagvlakonderzoek van de schappen. Elk product- en bedrijfschap moet iedere vier jaar een representatief draagvlakonderzoek uit te voeren onder alle, onder de werkingssfeer van het schap vallende, ondernemingen.
Doel van het onderzoek is het draagvlak voor het schap onder zowel de georganiseerde als de niet-georganiseerde ondernemers te kunnen beoordelen. Het schap vraagt ondernemers (steekproefsgewijs) hun mening te geven over: de activiteiten van het schap, de toekomst van het schap, over de wijze waarop het schap hen informeert en hoe zij worden betrokken bij besluitvorming.
Als uit het onderzoek onvoldoende draagvlak blijkt voor de activiteiten en het voortbestaan van het schap, dan moet binnen twee jaar een nieuw onderzoek plaatsvinden. Op grond van de uitkomsten van het (uiteindelijke) draagvlakonderzoek kan door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na advies van de SER, worden besloten over het voortbestaan van het schap.


Principes van goed schapbestuur

De Toezichtkamer van de SER ziet toe op de uitvoering van de principes van goed schapbestuur door de product- en bedrijfschappen. Deze in 2009 in de Wet op de bedrijfsorganisatie verankerde principes zijn gebaseerd op de in 2007 door de schappen opgestelde Code Goed Bestuur product- en bedrijfschappen. De schappen hebben deze code opgesteld, omdat zij zich duidelijker voor hun handelen en voor de kwaliteit van hun dienstverlening willen verantwoorden.
De principes van goed schapbestuur beogen bestuurders van schappen te stimuleren zich op een maatschappelijk geaccepteerde en verantwoorde wijze te gedragen en daar publiekelijk verantwoording over af te leggen. Daarbij wordt uitgegaan van de intrinsieke motivatie tot naleving. De principes bevatten onder meer uitgangspunten op het vlak van integriteit, verantwoording en toezicht en openheid. Ook hebben onderwerpen als publiek of privaat (welke zaken regel je publiek en welke privaat), de werkingssfeer van een schap en het heffingenbeleid (wanneer algemene en wanneer specifieke heffingen) in de principes een plaats gevonden. Meer informatie over de code is opgenomen in de rechter kantlijn onder 'Code Goed bestuur product- en bedrijfschappen'.


Instelling en opheffing product- of bedrijfschappen

Als werkgevers en werknemers in een branche een schap willen oprichten, zullen ze daartoe een verzoek moeten indienen bij de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze kan dan met een algemene maatregel van bestuur het schap officieel in het leven roepen.

Maar voordat hij daartoe overgaat, moet de SER hem daarover adviseren. In zijn advies stelt de SER onder meer vast of de ondernemers- en werknemersorganisaties die het schap willen oprichten, de hele sector in voldoende mate vertegenwoordigen.

Is een schap eenmaal ingesteld, dan kijkt de SER elke vier jaar of er nog genoeg steun voor het schap is in de betrokken branche of sector van het bedrijfsleven. Ook bij opheffing of samenvoeging van schappen zal de minister pas tot handelen overgaan na advies van de SER.


Samenstelling schapbesturen

Aan het hoofd van elk schap staat een bestuur. De leden van dit bestuur worden niet door de branchegenoten gekozen, maar ze worden voorgedragen door ondernemers- en werknemersorganisaties uit de branche.

Doorgaans telt het bestuur evenveel vertegenwoordigers van ondernemers als van werknemers. Wélke organisaties bestuursleden mogen voordragen en hoeveel zetels ze in dat bestuur mogen innemen, bepaalt de SER volgens zijn richtlijnen voor de representativiteit van organisaties en de toewijzing van bestuurszetels. De voorzitter van een schap wordt door de Kroon benoemd.