‘Bedrijfsarts komt te weinig op de werkvloer’
Het werk van Nederlandse bedrijfsartsen mag niet te veel kosten en is vooral gericht op een zo laag mogelijk ziekteverzuim. In het buitenland richten bedrijfsartsen zich veel meer op preventie en het opbouwen van een vertrouwensband met een werknemer. Wat kunnen ze van elkaar leren? De SER hield er een symposium over, met Nederlandse, Finse en Franse bedrijfsartsen.
Elke van Riel
Franse en Finse bedrijfsartsen gaan heel anders te werk dan hun collega’s in Nederland. Wat kunnen Nederlandse bedrijfsartsen van die buitenlandse benadering leren? Die vraag stond centraal tijdens een internationale expertmeeting over bedrijfsgezondheidszorg bij de SER.
Liefst 80 procent van de Nederlandse bedrijfsartsen zou graag meer doen aan de preventie van werkgerelateerde risico’s en 70 procent zou meer tijd willen besteden aan gezondheids- en vitaliteitsbevordering, zo blijkt uit een recent onderzoek van adviesbureau AStri. De werkelijkheid is nu anders. De afgelopen twintig jaar lag het accent in het werk van Nederlandse bedrijfsartsen sterk op het monitoren van arbeidsongeschiktheid en afwezigheid door ziekte. ‘De rol van de bedrijfsarts bij ziekteverzuim is in Nederland echt doorgeschoten’, vindt Steven Verbeek. Hij is sinds 1999 bedrijfsarts in Frankrijk, daarvoor was hij in Nederland bedrijfsarts, geneeskundig inspecteur en hoofdinspecteur bij de Arbeidsinspectie. ‘Een groot verschil met Frankrijk is dat Nederlandse bedrijfsartsen veel te weinig op de werkvloer komen. Ze zijn niet zichtbaar genoeg. Bovendien kan de Nederlandse bedrijfsarts eigenlijk niets doen aan preventie.’
In Frankrijk brengen bedrijfsartsen op de werkvloer onder meer chemische risico’s, geluidsproblemen en ergonomische knelpunten in kaart. Daardoor zijn ze beter in staat om beroepsziekten op te sporen en werkgevers te adviseren over verbeteringen van de arbeidsomstandigheden.
Preventie
In Frankrijk hebben bedrijfsartsen nauwelijks een taak in verzuimbegeleiding en –bestrijding. Dat gebeurt daar door huisartsen en verzekeringsartsen (de sécurité sociale). ‘Toen ik pas in Frankrijk was, wilde ik nog overal over verzuim praten, maar dat is daar gewoon geen thema’, zegt Frits Peters, sinds 2009 bedrijfsarts in Frankrijk en daarvoor in Nederland 25 jaar bedrijfsarts, directielid arbodienst en bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Arbeid- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB). In Nederland ervaren bedrijfsartsen volgens Peters meer stress en druk, vanwege de grotere financiële belangen.
Een belangrijk knelpunt in Nederland is de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts, zo blijkt ook uit het AStri-rapport. Die staat ter discussie doordat de bedrijfsarts een commercieel contract met de werkgever heeft. Ook de vertrouwelijkheid staat daardoor onder druk. Het medisch dossier van de werknemer is weliswaar geheim, maar soms vraagt de werkgever de bedrijfsarts toch om inzage.
Wat hierbij een grote rol speelt, is dat Nederlandse werkgevers tijdens verzuim het loon moeten doorbetalen. In Frankrijk wordt het arbeidscontract van de werknemer bij ziekte opgeschort en betaalt de sécurité sociale dit. Het inkomen zakt er na drie maanden ziekte wel, met 20 tot 50 procent.
Dit betekent volgens Verbeek en Peters dat Franse werknemers gemotiveerd zijn om binnen die tijd weer aan het werk gaan, ook als dat misschien medisch gezien nog niet verstandig is. De bedrijfsarts gaat dan na of aanpassingen op de werkplek noodzakelijk zijn. Peters: ‘Omdat de hoofdtaak van Nederlandse bedrijfsartsen is om het ziekteverzuim te legitimeren, zit de werknemer in een afhankelijke positie. Dat resulteert bij voorbaat in een bepaald wantrouwen en dat verzwakt hun positie. In Frankrijk staat de bedrijfsarts meer aan de kant van de werknemer.’ Nederlandse bedrijfsartsen zien mensen alleen als ze al ziek zijn. Franse bedrijfsartsen onderzoeken werknemers eens per jaar, of per twee jaar, en hebben daardoor al een band met de werknemers. Ze kunnen hierdoor werkgerelateerde gezondheidsproblemen eerder ontdekken. Wat daaraan ook bijdraagt, is dat iedere Franse werknemer een persoonlijk risicodossier heeft, dat meegaat bij verandering van werkgever.
De situatie in Finland lijkt meer op Nederland dan op Frankrijk, zegt Jos Verbeek, tot 2003 bedrijfsarts in Nederland en nu onderzoeker bij een Fins expertisecentrum voor gezondheidsonderzoek. Een groot verschil met Nederland is dat de Finse bedrijfsartsen ook huisartsen zijn, waardoor ze een band met hun patiënten kunnen opbouwen. In de Finse bedrijfsgezondheidszorg ligt het accent op het signaleren en rapporteren van risico’s en problemen. Finse bedrijfsartsen komen, net als hun Franse collega’s, ook op de werkvloer. ‘Een Nederlandse bedrijfsarts weet niet waar iemand werkt. Dat merkt een werknemer en dat praat veel lastiger’, zegt Jos Verbeek. ‘En natuurlijk is de kans dat een Finse bedrijfsarts een beroepsziekte mist daardoor kleiner.’ Een ander knelpunt in Nederland – en een verschil met zowel Frankrijk als Finland – is de gebrekkige toegankelijkheid tot arbeidsgeneeskundige zorg. Maar liefst 1,5 miljoen mensen – zzp’ers, WW’ers en werknemers in het mkb – zijn daarvan nu verstoken. De komende jaren dreigt hier – net als in Frankrijk – ook nog eens een tekort aan bedrijfsartsen. Er zouden jaarlijks 120 nieuwe bedrijfsartsen moeten worden opgeleid, maar het zijn er slechts vijf tot tien, zo blijkt tijdens het symposium. Het verbeteren van het beroepsimago zou kunnen helpen, want dat is nu niet ‘sexy’. Een mogelijke oplossing is ook het inzetten van meer bedrijfsverpleegkundigen.
Kosten
De kosten voor bedrijfsgezondheidszorg in Nederland zijn nu minder dan 80 euro per werknemer per jaar. In Finland is het zo’n 280 euro en in Frankrijk 150 tot 500 euro. ‘Het gaat in Nederland erg om geld: werkgevers willen vooral dat het verzuim laag is en dat werknemers zo snel mogelijk weer aan het werk gaan. Dat bleek ook duidelijk uit de discussies tijdens het symposium’, zegt Verbeek. Hij vindt dat Nederland voor een dubbeltje op de eerste rang wil zitten. ‘Investeren in goede bedrijfsgezondheidszorg wordt alleen maar belangrijker, nu de beroepsbevolking vergrijst en mensen tot op hogere leeftijd moeten doorwerken.’