Home | Publicaties | SERmagazine | 2012 | april 2012 | Aftredend SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan

Aftredend SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan:

‘Er is geen alternatief voor het compromis’

Hij gelooft stellig in de kracht van de Nederlandse economie. Ondanks de onrust in politiek en vakbeweging. Alexander Rinnooy Kan legt na zes jaar het voorzitterschap van de SER neer, en keert terug naar zijn eerste liefde: de wetenschap. Hij blijft een optimist. ‘Als alle stof is neergedwarreld, wordt dezelfde bereidheid zichtbaar tot het zoeken naar het gemeenschappelijke.’

Michèle de Waard

Alexander Rinnooy Kan kijkt indringend. ‘Er is wel iets aan de hand in Nederland.’ Hij doelt op het populisme, de onrust in de samenleving, de sociale onveiligheid. Dat heeft ook repercussies voor de vakbeweging. ‘Toch ben ik overtuigd van de kracht van de Nederlandse overlegeconomie. Uiteindelijk zullen de betrokken organisaties weer met elkaar om de tafel zitten. Waarom? Uit weloverwogen eigenbelang.’ De voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER) is een analyticus, een beschouwer, een woordkunstenaar in diplomatieke taal. Maar zodra het bestaansrecht van de SER in het geding is, komt hij onverbloemd op voor het overlegmodel. Zoeken naar overeenstemming is typisch Nederlands, stelt hij. In de politiek is het noodzakelijk omdat partijen te klein zijn. In sociaal-economisch Nederland is het niet anders. Een vechtmodel tussen arbeid en kapitaal past niet in de Nederlandse cultuur. Die bereidheid om creatief naar consensus te zoeken is een kostbaar goed. ‘Er is geen alternatief voor het compromis.’

Hij weet het als geen ander. Bitter ervoer de voorzitter van ‘het overleg’ hoe werkgevers en vakbeweging drie jaar geleden bij de pensioenkwestie als kemphanen tegenover elkaar stonden. Het lukte de SER niet om het kabinet een unaniem advies te geven over verhoging van de AOW-leeftijd. Toch vonden de boegbeelden van werkgevers en vakbeweging, Bernard Wientjes en Agnes Jongerius, elkaar een halfjaar later alsnog en rolde er toch een akkoord uit de bus.
Zes jaar heeft Rinnooy Kan in Den Haag gejongleerd om de belangen van het georganiseerde bedrijfsleven op de nationale agenda te plaatsen.
In september keert de gepromoveerde wiskundige terug naar de wereld van de wetenschap, in Amsterdam. Maar de onderhandelingssamenleving laat hij ook in zijn nieuwe functie niet los.

Is er nog sprake van het ‘georganiseerde bedrijfsleven’ nu de FNV probeert zich opnieuw uit te vinden?
‘De huidige politieke ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving slaan ook neer bij de vakbeweging, die zich bezint op haar eigen rol en haar organisatie. Dat proces is in volle gang. Het is goed mogelijk dat dit alles een verandering inluidt in de hele overlegeconomie. Toch ben ik er zeker van dat, als alle stof is neergedwarreld, dezelfde bereidheid zichtbaar wordt tot het zoeken naar het gemeenschappelijke. Bij de kwartiermakers van de nieuwe vakbeweging belanden tal van adviezen die duidelijk maken dat er sámen naar een nieuwe organisatie wordt gezocht.’

De FNV is anders flink verdeeld. Bondgenoten en Abvakabo eisen een eigen plek op in het sociale overleg.
‘Het is goed mogelijk dat het vernieuwingsproces een andere vormgeving oplevert. Ik ben optimistisch. Het is in het belang van alle partijen om aan het sociaal overleg deel te nemen en de kans te benutten, die hun voortdurend wordt geboden om behoorlijke invloed uit te oefenen op de vaststelling van nationaal beleid, ook Europees beleid. Organisaties hebben een substantiële kans de politiek te beïnvloeden. Deze analyse zal door alle betrokkenen gemaakt worden, welke nieuwe vorm de nieuwe vakbeweging ook krijgt. En er is een bereidheid bij de politiek om te luisteren.’

Al is dit kabinet volgens u ‘niet gul’ met adviesopdrachten, wordt er wel naar de SER geluisterd?
‘Als het kabinet iets aan de SER vroeg, heeft het er ook naar geluisterd. Zoals eigenlijk alle kabinetten. Maar ik vind het heel jammer dat het kabinet bij de voorbereiding van de Wet werken naar vermogen niet om een SER-advies heeft gevraagd. Dat is typisch een onderwerp in het hart van ons werkterrein, de arbeidsmarkt.’

Wat had de SER aan het wetsvoorstel verbeterd?
‘De uitwerking van de plannen is ingewikkeld en brengt veel bureaucratie voor het bedrijfsleven en sociale diensten met zich mee. We hadden vast nuttig werk kunnen verrichten om een en ander te vereenvoudigen.’

Welk advies was de afgelopen jaren baanbrekend?
‘De grote variatie aan adviezen vind ik juist opmerkelijk. Aan de ene kant  een advies over hervorming van de AWBZ, aan de andere kant ontwikkelingssamenwerking. Aan de ene kant het nieuwe werken, aan de andere kant een advies over krimp van de bevolking. Ook het advies over zzp’ers sluit aan bij de nieuwe tijd. Het advies over internationaal duurzaam ondernemen door het bedrijfsleven springt er toch uit. Daarbij committeren Nederlandse ondernemers zich aan verduurzaming van de hele toeleveranciersketen. Daarmee is Nederland internationaal toonaangevend. De adviezen zijn zonder uitzondering in vruchtbare bodem gevallen.’

U heeft ook Black Wednesday beleefd toen werkgevers u in de kou lieten staan.
‘Een enorme teleurstelling. Woensdag 30 september 2009 mislukte het AOWadvies. Het was een heel lastige klus. We hadden een beperkt mandaat – alternatieven zoeken voor verhoging van de AOW-leeftijd. En het kabinet had een harde deadline opgelegd. Er waren nauwelijks uitruilmogelijkheden. Tot op het laatste moment hebben we met kroonleden heel veel werk gestoken in een compromis om de AOW in de toekomst houdbaar te maken. Maar werkgevers lieten verstek gaan. Toch zijn later in het pensioenakkoord belangrijke elementen van ons advies overgenomen.’

Een deel van de bonden is er nog verontwaardigd over. De SER kan beter verdwijnen, zegt FNV-ideoloog Inja. ‘Stroperig, dekt alles toe’.
‘Er bestaan al lang zorgen dat een instituut als de SER, dat zo’n belang heeft bij unanimiteit, alleen tot consensus kan komen door heel veel tegenstellingen te verdoezelen. Tegenstellingen moet je niet ontkennen, maar de kunst is juist gemeenschappelijkheden te ontdekken waar de politiek iets mee kan. Ik vind het bijzonder dat veel SER-adviezen politiek vervolg hebben gekregen en buitengewoon inhoudsvol zijn. Daarom is dat verwijt, stroperig en alles toedekken, onterecht. Je kunt de SER niet beide tegelijk verwijten.’

Inja stelt ook voor sociale akkoorden af te schaffen omdat ze partijen te lang vastleggen. Is dat een kentering?
‘Dit is één opvatting. De vraag is of het een dominante lijn gaat worden. Ik hoop het niet, ik verwacht het ook niet. De vakbeweging heeft veel te winnen bij participatie aan het nationale debat. Juist omdat de politiek bereid is te luisteren.’

Voorziet u een radicalisering van de vakbeweging?
‘Ik vind het moeilijk dat objectief te constateren. In veel debatten klinkt altijd wel kritiek door. De SER biedt juist een forum voor een zinnig en constructief gesprek. Tegelijkertijd is er de laatste jaren in de politiek veel onrust geslopen, veel bezorgdheid over de toekomst. Die zorgen zijn ook aan de SER-tafel te beluisteren. Zo hoort het ook. Er is een herbezinning gaande op arrangementen en politieke aannames die lange tijd niet ter discussie stonden. Daar is niets mis mee. Je kunt je hooguit zorgen maken over de teruglopende bereidheid om naar gemeenschappelijke oplossingen te zoeken.’

De SER heeft thema’s als het ontslagrecht niet eens aangeroerd vanwege gevoeligheden bij sociale partners.
‘De SER wil geen verdeelde agenda bij de politiek afleveren. Een unaniem advies is interessant, dat heeft draagvlak. Anders is de meerwaarde van rapporten beperkt. In het ontslagrecht is enorm veel tijd gestoken, maar het blijft lastig voor sociale partners het eens te worden. Vroeger of later komt het onderwerp terug. Dat gebeurde ook bij de hervorming van de WAO. Het advies werd uiteindelijk na vele jaren breed gedragen en uitgevoerd.’

Dat leidt ook tot het verwijt dat de SER enkel de oudere werknemers zou vertegenwoordigen.
‘Dat valt reuze mee. Werkgevers en vakbonden hebben nadrukkelijk ook vertegenwoordigers van jongerenorganisaties opgenomen. Mij valt echter op dat er weinig hemelbestormers klaar staan die zeggen: ‘wij doen het wel’. De manier waarop jongeren zich organiseren is weliswaar anders dan vroeger, via vluchtiger coalities. Maar wie echt invloed wil uitoefenen, moet bereid zijn zich te laten horen en de politiek duidelijk maken dat hij breed gesteund wordt. In een democratie moet je uiteindelijk op zoek naar kwantitatieve steun voor verandering.’

Ziet u nieuwe vormen van organisatie ontstaan?
‘Nog niet. Maar dat kan komen. Hoe komen veranderingen tot stand in een onderhandelingssamenleving als de onze? Wat wordt de rol van social media? Worden flash crowds het organisatiemiddel van de toekomst? Dat fascineert me. In mijn nieuwe baan ga ik me onder andere hiermee bezighouden. Politieke beïnvloeding is meer dan het sturen van een sms’je. Dat heb ik op deze plek wel ervaren.’

Wie is Alexander Rinnooy Kan?
Alexander Rinnooy Kan (1949, Den Haag), studeerde wiskunde en econometrie. Hij werkte enkele jaren aan de universiteit Delft en ging in 1977 naar de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 1986 volgde zijn benoeming als rector magnificus. Tussendoor bekleedde hij gasthoogleraarschappen in onder andere Californië (Berkeley) en Boston (MIT). Daarna was hij vijf jaar voorzitter van VNO-NCW. In 1996 werd hij lid van de raad van bestuur van bank/verzekeraar ING. In april 2006 volgde hij Herman Wijffels op als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad.
SERmagazine april 2012

SERmagazine in PDF

Inhoudsopgave