De moeder aller adviezen
De ‘moeder aller adviezen’ wordt het genoemd: het advies Convergentie en Overlegeconomie dat de SER in 1992 presenteert. Het gaat over het Nederlandse sociaal-economisch beleid in relatie tot Europa en over de toekomst van de overlegeconomie. De agenda van het advies is nog steeds actueel: meer oog voor duurzaamheid, grotere arbeidsparticipatie en een redelijke inkomensverdeling.
Elke van Riel
De eervolle betiteling van het advies Convergentie en Overlegeconomie is afkomstig van Alexander Rinnooy Kan, destijds voorzitter van ondernemingsorganisatie VNO . Bij zijn aantreden als SER -voorzitter, in 2006, grijpt hij er opnieuw op terug: hij noemt het unanieme SER-advies Convergentie en Overlegeconomie van 1992 ‘een van de hoogtepunten in het bestaan van de SER en van onverminderd actuele betekenis’. ‘Het is een advies waarop we nog altijd voortbouwen’, zegt ook Marko Bos, nu directeur Economische Zaken bij de SER en indertijd als secretaris betrokken bij de adviesvoorbereiding. Volgens hem heeft het advies een nieuwe, solide en vruchtbare basis gelegd voor de advisering door de SER en de Stichting van de Arbeid.
EMU-voorbereiding
In de zomer van 1992 vragen de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Economische Zaken en Financiën de SER advies uit te brengen over het sociaal-economisch beleid in het licht van de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Op 20 november 1992 ziet dat advies het licht, met unanieme steun van alle SER -leden. Het advies Convergentie en Overlegeconomie – doorgaans COV genoemd – bestaat uit twee delen. Het eerste deel behandelt de voorbereiding van Nederland op de EMU en de daarvoor vereiste convergentie van beleid. Nederland moet primair voldoen aan de formele convergentiecriteria van de EMU, maar moet er daarbij ook voor zorgen dat de Nederlandse economie optimaal kan concurreren in een steeds meer globaliserende markt. Het tweede deel van de adviesaanvraag gaat vooral over de mogelijkheden en de grenzen van de Nederlandse overlegeconomie. Tot 1992 hanteerde de SER vijf klassieke doelstellingen: volledige werkgelegenheid, een stabiel prijsniveau, evenwicht op de betalingsbalans, optimale economische groei en rechtvaardige inkomensverdeling. In 1989 kwam daar met het SER-advies Emancipatie als Sociaal-Economische Doelstelling nog een doelstelling bij: er moest voortaan ook rekening worden gehouden met het emancipatieaspect, zijnde een doelstelling van ‘hogere orde’. In het COV-advies worden de SER -doelstellingen opnieuw geformuleerd: bevordering van een evenwichtige economische groei binnen het streven naar een duurzame ontwikkeling, een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie en een redelijke inkomensverdeling.
Zwakke punten
Volgens aantredend SER -voorzitter Rinnooy Kan introduceert het COV-advies ‘een breed welvaartsbegrip met economische, sociale én ecologische doelstellingen’. Theo Quené, SER -voorzitter van 1985 tot 1996, vindt het COV-advies vooral van grote betekenis omdat het de zwakke punten van Nederland in onderlinge samenhang en in Europees verband onder ogen ziet. In de jaren negentig gaat Nederland gebukt onder een lage participatiegraad in arbeidsjaren en een hoge collectieve lastendruk. Dit leidde er in 1990 al toe dat toenmalig premier Ruud Lubbers met zijn constatering ‘Nederland is ziek’ de zaak op scherp zette. Op dat moment hadden ongeveer 900.000 Nederlanders een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Lubbers verklaarde dat hij zou opstappen als dit aantal het miljoen zou bereiken.
‘Nieuw in het COV-advies is dat de arbeidsparticipatie sterk naar voren wordt geschoven. In de periode daarvoor stond de vermindering van de werkloosheid centraal’, zegt Marko Bos. ‘Het COV-advies kijkt echter ook naar inactieve groepen, zoals arbeidsgehandicapten. In die tijd begint de opvatting over arbeidsongeschiktheid te veranderen. Niet wat iemand níét kan, maar wat iemand nog wél kan, komt centraal te staan.’ Het advies gaat verder in het spoor van het in 1990 verschenen WRR -advies Een Werkend Perspectief: arbeidsparticipatie in de jaren ’90.
Trage besluitvorming
Het eerste deel van het COV-advies wordt in Den Haag met instemming begroet. Het ingezette sociaal-economisch beleid werpt al snel vruchten af. Tijdens de paarse kabinetten (1994 - 2002) daalt de werkloosheid, stijgt de economische groei en worden de staatsfinanciën gezond gemaakt. Het tweede deel van het COV-advies, over de mogelijkheden en grenzen van de overlegeconomie, ligt moeilijker. Volgens het SER -advies draagt de overlegeconomie bij aan de concurrentiepositie van Nederland en levert zij zelfs een voorsprong op. ‘Wel moet de overlegeconomie openstaan voor actuele maatschappelijke veranderingen, zoals een sterkere marktwerking, internationalisatie van de economie en beleid, individualisering en emancipatie van burgers en decentralisatie van openbaar bestuur en van sociaal-economische verhoudingen.’ In die tijd klinkt er echter steeds luidere kritiek op het functioneren van de SER . Het sociaal-economisch overleg zou de besluitvorming vertragen. Er gaan aan het Binnenhof stemmen op om de adviesplicht van de raad af te schaffen. Het COV-advies spreekt zich hiertegen uit. De SER is van mening dat de wettelijke adviesplicht ‘een expliciete erkenning vormt voor het niet-vrijblijvende karakter’ van de overlegeconomie. De voordelen ervan zijn volgens de raad groot: ‘Handhaving van de adviesplicht ‘dwingt’ sociale partners tot consistentie in standpunten; brengt de overheid niet in de verleiding om adviezen die haar wellicht niet goed uitkomen maar niet te vragen; vormt de erkenning van de bijdrage die advisering in beginsel levert aan de kwaliteit en de openheid van de beleidsvorming en voorkomt dat het wel of niet advies vragen – in plaats van de inhoudelijke vragen – in het middelpunt van de discussie komt te staan.’
De SER wil zich er wel op vastleggen om voortaan ‘binnen redelijke termijnen’ met adviezen te komen. Deze toezegging kan echter niet voorkomen dat de adviesplicht drie jaar later, opnieuw een historisch moment, toch wordt afgeschaft. Het COV-advies mag dan de moeder aller adviezen heten, het is niet het laatste moederlijke advies dat (deels) in de wind wordt geslagen.