Elk advies is een gewenst advies
De afschaffing van de adviesplicht was aanvankelijk een hele schok. 45 jaar lang was de regering verplicht de SER advies te vragen over het sociaal-economisch beleid. Daar kwam in 1995 een einde aan. De politiek eiste het primaat op. Maar het gezag van de SER lijdt er niet onder. Integendeel. Elk advies is een gewenst advies.
Elke van Riel
Met een krappe Kamermeerderheid wordt in het voorjaar 1995 de adviesplicht van de SER geschrapt. Ingrijpend, maar niet geheel onverwacht. Want al jarenlang hangt de kritiek op het functioneren van de SER in de lucht.
Die kritiek begint op te komen tijdens het kabinet-Den Uyl (1973-1977). In een tijd van politieke polarisatie ‘parkeerden’ politici gevoelige dossiers graag bij de SER . De raad nam immers vaak ruim de tijd voor het opstellen van zijn adviezen en had daardoor min of meer ook de rol van ‘ijskast’. Volgens critici waren de SER -adviezen vaak slappe compromissen, die te klakkeloos werden overgenomen door de politiek. Vooral het CDA en de PvdA leunden er zwaar op.
Begin jaren negentig zwelt de kritiek op de SER aan, vooral in liberale kringen (VV D en D66). Voornaamste kritiekpunt is de vertraging van de besluitvorming, veroorzaakt door de langdurige adviesprocessen. Werkgevers spreken over de raad als een ‘onderaardse rustkamer’. VV D-leider Frits Bolkestein noemt de SER om die reden regelmatig de Sociaal-Economische Rem. Hij dient in november 1992 een wetsvoorstel in om de adviesplicht uit de Wet op de bedrijfsorganisatie te schrappen. Zijn voornaamste argument is dat de adviesplicht de slagkracht van de overheid niet ten goede komt. Het voorstel wordt onder andere gesteund door het latere SER -kroonlid Robin Linschoten, maar krijgt geen meerderheid.
Schuilkelder
De SER is overigens niet het enige adviesorgaan dat begin jaren negentig onder vuur ligt. De commissie-(Gerrit) De Jong publiceert in 1992-1993 het rapport Raad op Maat met als aanbeveling de meeste adviesorganen op te heffen of om te vormen tot deskundigencolleges per beleidsterrein. De SER , de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de Raad van State zouden echter als adviesorgaan gehandhaafd moeten blijven. Het eerste Paarse kabinet (Kok I) besluit begin 1995 dit advies op te volgen. De SER wordt dus niet opgeheven, maar er komt wel een voorstel tot afschaffing van de adviesplicht over het sociaaleconomisch beleid. Een initiatief van VV D-kamerlid Bibi de Vries. De PvdA, CDA, SGP en SP stemmen tegen. In haar toelichting stelt De Vries dat afschaffing van de adviesplicht ‘het primaat van de politiek bevestigt, de slagvaardigheid van de overheid vergroot en misbruik van de SER als schuilkelder van de politiek voorkomt’.
Verdrietig
De sociale partners zijn niet blij. Het CNV noemt het besluit van de Kamer ‘ronduit arrogant.’ De FNV vindt het ‘onverwacht en ondoordacht’ en zegt het te betreuren dat er onvoldoende waardering is voor de SER -advisering. ‘De politiek moet zich goed realiseren dat zonder SER -advies een maatschappelijk draagvlak kan ontbreken voor belangrijke besluiten’, zo citeert de Volkskrant (25 maart 1995) een FNV -woordvoerder. Ook werkgeversorganisatie VNO -NCW is ontstemd: ‘Wij vinden het verdrietig dat de Kamer kennelijk niet is overtuigd van de betekenis van de SER , maar rekenen erop dat het kabinet bij belangrijke besluiten toch waarde hecht aan een SER -advies.’ De SER zelf is uiteraard ook zeer teleurgesteld. Voorzitter Theo Quené voert aan dat het besluit het kabinet in staat stelt de raad selectief te raadplegen, ‘ad hoc en als het de regering convenieert’. Hij vreest dat de omgang met de SER daardoor onderwerp wordt van politieke discussie en gelobby.
Compacte raad
Tegelijk met het afschaffen van de adviesverplichting is afgesproken dat de adviesaanvrager voortaan aangeeft binnen welke termijn hij het SER -advies wil krijgen. Op 19 januari 1996 adviseert de SER zelf unaniem om het aantal raadsleden terug te brengen van 45 naar 33. De verwachting is dat een compactere raad sneller zal kunnen werken. Vertegenwoordigers van centrale organisaties van ondernemers en werknemers en kroonleden hebben sindsdien ieder elf zetels. Aan de bevoegdheid van de SER om ongevraagd advies te geven, verandert met de afschaffing van de adviesplicht niets. De raad komt in de praktijk zelden op eigen initiatief met een advies; als het gebeurt, dan meestal over internationaal beleid. Een zogeheten ‘advies eigener beweging’ is immers alleen zinvol als vooraf duidelijk is dat er een unaniem advies tot stand kan komen.
Bliksemafleider
Tegen de vrees en de verwachting in verliest de SER bepaald niet aan invloed met het afschaffen van de adviesplicht. De belangrijkste reden is dat sinds 1 januari 1997 niet alleen de regering, maar ook de Eerste en de Tweede Kamer de SER om advies kunnen vragen. Dat is sindsdien enkele malen gebeurd. In december 1999 vraagt de Tweede Kamer een advies van de SER over onvolledige AO W-opbouw. De meest recente adviesaanvraag van de Tweede Kamer is een advies over marktwerking. Het verschijnt op 19 maart van dit jaar. Ook neemt het aantal beleidsadviezen na 1995 niet af. De SER brengt zelfs vaker unanieme en daardoor gezaghebbender adviezen uit, aldus een evaluatie door de raad zelf in 2001. In samenwerking met bureau Berenschot verschijnt dan Werken aan Draagvlak. Evaluatie van de Adviestaak van de Sociaal-Economische Raad. ‘Al met al lijken de positieve kanten van de afschaffing van de adviesplicht de boventoon te voeren’, luidt de conclusie. ‘Advisering is geen verplicht nummer meer. De SER werkt sindsdien aan gewenste adviezen en loopt minder het risico als ijskast of bliksemafleider te worden gebruikt.’