Toespraak Alexander Rinnooy Kan, voorzitter SER, t.b.v. het TNO-congres ‘Innovatie die werkt’, Antropia Cultuur- en Congrescentrum, Driebergen-Rijsenburg, dinsdag 2 november 2010.
Alleen het gesproken woord telt.
Dames en heren,
Met enige regelmaat heb ik de afgelopen jaren een inleiding mogen houden over sociale innovatie. Ik doe dat vandaag weer met veel plezier op dit TNO-congres. Ik moet u wel bekennen dat ik dat met gepaste bescheidenheid doe. Want er is op dit vlak de afgelopen jaren enorm veel werk verzet. Door medewerkers van TNO, maar ook door vele anderen. Ik ga er zonder meer van uit dat velen van u hier in de zaal tot die harde, groeiende kern van professionals behoort die dag in dag uit met de implementatie van innovatie in brede zin bezig is.
Het praktijkvoorbeeldenboek dat door Fietje Vaas en Peter van Oeij is samengesteld, illustreert de veelzijdigheid van die dagelijkse praktijk. Veelzijdig door de vele toepassingsmogelijkheden: in productiebedrijven maar ook in de kantooromgeving, in grote bedrijven maar ook in het mkb, in de commerciële sector maar ook in het publieke domein.
Graag feliciteer ik TNO van harte met de bereikte resultaten. Die felicitaties gaan in het bijzonder uit naar alle medewerkers van het programma 'Innovatie die werkt'. De weerslag van vier jaar hard werken zijn zowel terug te vinden in het boek als in de programmering van dit congres. Maar ik hoop natuurlijk vooral dat de resultaten mensen inspireert. En dan met name die mensen inspireert die binnen een arbeidsorganisatie een vernieuwingsslag moeten maken. Inspiratie, kennis van goede voorbeelden, maar ook kennis van valkuilen zijn hard nodig. Want zo stellen de samenstellers ergens ‘bij wijze van spreken’ terecht dat innoveren binnen een bedrijf of instelling negen van de tien keer misgaat. Door van de ervaringen van anderen te leren valt dus nog veel winst te behalen!
Toen ik vier jaar geleden als SER-voorzitter aantrad, was het voor velen die op een wat grotere afstand van de innovatiepraktijk staan nog de vraag: zou sociale innovatie wel een blijvertje zijn? Was hier sprake van een nieuwe hype? Voor TNO was het antwoord echter allang bekend. TNO was immers al decennia bezig met projecten waarin de combinatie van nieuwe technieken, organisatievormen en de kwaliteit van de arbeid centraal staan!
Het is wel aardig om hier te vertellen dat TNO al in het midden van de jaren zeventig op verzoek van de SER – jawel, de SER – onderzoek deed naar de “sociale konsekwenties van technologische ontwikkelingen”. Ik moet eerlijk bekennen dat ik dat niet wist, maar het staat vermeld in het voorwoord van het zojuist genoemde boek. Dat onderzoek gebeurde destijds in opdracht van de SER-Commissie Opvoering Produktiviteit, later omgedoopt in de Commissie Ontwikkeling Bedrijfsleven. In het midden van de jaren negentig is deze commissie opgeheven.
Het eerste advies dat onder mijn SER-voorzitterschap in het najaar van 2006 tot stand kwam, besteedde prominent aandacht aan sociale innovatie. In dit advies deden we ons voordeel met de TNO-inbreng. Zo maakten we dankbaar gebruik van het concept 'slimmer werken' en van het TOP-model; zoals u weet staat TOP hier voor de driehoek Technolologie-Organisatie-Personeel.
Het is verheugend om te zien dat een van de aanbevelingen uit dit advies – zij het niet zonder horten en stoten – in de vorm van het NCSI is opgevolgd. TNO behoort tot de founding fathers en is nog steeds een van de steunpilaren. De rest is geschiedenis. En ik ben er van overtuigd dat velen van u onderdeel van die geschiedenis uitmaken.
Dit congres en het boek illustreren dat de take off-fase van sociale innovatie nu definitief achter ons ligt. De vraag of sociale innovatie een hype is, kan na al die overtuigende praktijkvoorbeelden maar op een manier worden beantwoord: nee, sociale innovatie is geen hype. Integendeel, het is een pure noodzaak om onze toekomstige welvaart te kunnen handhaven. Ondernemingen moeten hun innovatiekracht verhogen om niet kopje onder te gaan. Dat geldt in toenemende mate ook voor instellingen in het publieke domein. Het innovatief vermogen is daarbij bepalend. Het gaat om het vermogen om de benodigde kennis te identificeren en te vergaren, om vervolgens zodanig toe te passen dat het productieprocessen verbetert, tot betere producten leidt en zicht geeft op toekomstige toegevoegde waarde.
U weet het: de groei van potentiële beroepsbevolking (20-64 jarigen) slaat om in een lichte krimp. Onze toekomstige welvaart moet door een hogere arbeidsdeelname van ondervertegenwoordigde groepen – waaronder 55-plussers – én een hogere arbeidsproductiviteit worden zekergesteld. Maar het belangrijk is een groter innovatievermogen van ondernemingen en instellingen. Want, zo toont onderzoek aan, niet langer is de groei van de arbeidsparticipatie de belangrijkste factor van economische groei, maar voortaan zijn dat innovatie en kennis. Door nieuwe of verbeterde producten en processen of innovatieve machines kunnen bedrijven een hogere productiviteit en lagere productiekosten bereiken. En innovatie kan ertoe leiden dat bedrijven minder werknemers nodig hebben. Met het oog op de toekomst is dat laatste is vooral belangrijk voor bepaalde sectoren. Ik denk bijvoorbeeld aan de dreigende arbeidstekorten in de zorg. Het zou mooi zijn als de arbeidsproductiviteit in de zorg omhoog kan gaan door nieuwe werkvormen te ontwikkelen waarin de technologische mogelijkheden (denk aan ICT-toepassingen) en de behoefte aan de menselijke maat aan elkaar worden gekoppeld. Dit soort vormen van maatschappelijke innovatie zou de kwaliteit van de samenleving zeer ten goede komen. Ik weet dat in deze sfeer diverse ontwikkelingen gaande zijn.
De komende jaren zullen dus moeten worden benut om nog veel meer arbeidsorganisaties te overtuigen van de noodzaak een groter innovatievermogen te ontwikkelen. Innovatie is de enige manier om het Nederlandse bedrijfsleven in een globaliserende wereld concurrerend te houden. Sociale innovatie is misschien zelfs belangrijker dan technische innovatie. Goed opgeleid personeel dat zich aanpast aan de veranderende omgeving, lokt technische innovatie uit en maakt deze ook mogelijk en succesvol. Uit onderzoek blijkt dat bedrijven die sociaal innoveren een 15 procent hogere omzetgroei halen, 37 procent meer innovatie en een 22 procent hogere productiviteit.
Als land slagen we er maar niet in om de R&D-uitgaven op een hoger peil te brengen dan de 1,7 of 1,8 procent van het bbp. Dat neemt niet weg dat ook bij deze lage R&D-investeringen er nog volop kansen liggen om succesvol te innoveren. Het is dan vooral zaak de beschikbare kennis veel beter te integreren in de bedrijfsmodellen en die kennis ook veel beter te vermarkten. We weten inmiddels allemaal dat innovatie vooral een kwestie van slim combineren is. Technologische kennis leidt tot weinig als dat niet gepaard gaat met een slimme inbedding in de organistatie en haar omgeving. ‘Harde’ en ‘zachte’ innovatie moeten hand in hand gaan om tot goede resultaten te leiden.
Die noodzaak om de innovatiekracht en sociale innovatie in Nederland een extra impuls te geven, leefde ook in het Innovatieplatform. Ik had het genoegen om deel uit te maken van de stuurgroep die voor het IP vorig jaar het advies opstelde met als titel Slimmer werken werkt. Die titel zal u niet verrassen. In de stuurgroep zaten ook Anja Jongbloed, Loek Hermans en Melek Ursta. We adviseerden vooral op het mkb in te zetten, omdat in dit type bedrijven nog veel productiviteitswinst te halen valt.
De conclusie van de stuurgroep was dat er weliswaar al veel gebeurt, maar dat er ook nog veel werk aan de winkel is. We kwamen tot vijf bevindingen die opgepakt moeten worden. Ik vat ze kort samen:
1. De samenhang tussen spelers en initiatieven is nog beperkt.
2. In het instrumentarium ontbreekt een thematische focus.
3. Nog steeds ondervinden ondernemers drempels om begeleiding bij sociale innovatie tot stand te brengen.
4. Een monitor van effecten en resultaten ontbreekt.
5. Een waarschuwing: gebruik bestaande kanalen en instrumenten bij verdere initiatieven op het terrein van slimmer werken en sociale innovatie.
Een voorbeeld van sociale innovatie is flexibel werken. Flexibel werken wordt steeds belangrijker. Voor veel jongeren die de arbeidsmarkt gaan betreden is een baan van 9.00 uur tot 17.00 uur niet meer vanzelfsprekend. Zij willen zeggenschap over en flexibilisering van hun arbeidstijden, vooral om werk en hun privéleven beter op elkaar af te stemmen. Dit blijkt uit het advies over de Toekomst van Jongeren dat de SER zeer waarschijnlijk eind 2010 naar buiten zal brengen. Vooral door de veranderde omgeving ‘wired world’ hebben de huidige jongeren andere wensen ten aanzien van hun werk. Naast een goed inkomen gaat het om mogelijkheden tot zelfontplooiing, autonomie en flexibele arbeidstijden om werk af te stemmen op het privéleven.
Werkgevers die met de nieuwe wensen van jongeren meegaan, dus sociaal innoveren, zullen straks minder problemen krijgen in het werven van jongeren, in een krappe arbeidsmarkt.
Ook het SER-advies over de tijden van de samenleving, dat naar verwachting eind 2010 verschijnt, toont het belang van sociale innovatie. De huidige tijden in de samenleving zijn onvoldoende toegesneden op de wensen van mannen en vrouwen die werk en privé willen combineren. Door de toegenomen arbeidsdeelname van vrouwen en het groeiend aantal alleenstaanden hebben mannen en vrouwen het drukker gekregen en wordt de vaste tijdsindeling, meestal van 9.00 uur tot 17.00 uur, meer en meer als knellend ervaren. Vooral mensen die arbeid en zorg willen en moeten combineren komen in de problemen. Een veel gebruikte oplossing is dat de vrouw in deeltijd gaat werken (anderhalfverdienersmodel), of zelfs met werken stopt. Dit is natuurlijk niet de bedoeling! Nu is bij 63 procent van de moeders die niet tot de beroepsbevolking behoren (circa 360 duizend vrouwen) de zorg voor het gezin dé reden waarom zij niet of minder dan 12 uur per week werken. Vereenvoudiging van de combinatie werk en privé kan de arbeidsdeelname stimuleren. Flexibilisering van de arbeidstijden, thuiswerk en zelfroosteren als sociale innovatie, zijn hiervoor goede instrumenten.
Dames en heren, ik kom tot een afronding.
Ik hoef u niet te overtuigen van de noodzaak om de Nederlandse innovatiekracht te versterken. Een groot innovatief vermogen werkt als een hefboom, het opent nieuwe wegen en werkt in die zin katalyserend voor nieuwe ontwikkelingen. Daarom is het belangrijk dat er programma’s als Innovatie die Werkt zijn. Het is ook belangrijk dat de vele activiteiten onder de noemer van sociale innovatie en slimmer werken met volle inzet verder gaan. Er liggen immers nog vele uitdagingen liggen voor.
Uiteindelijk gaat het bij succesvolle innovatie om een drieslag met een batig saldo voor de arbeidsorganisatie, het personeel en de Nederlandse samenleving:
1. voor de arbeidsorganisatie betere prestaties door een hogere productiviteit, een hogere omzet en meer winst;
2. voor het personeel beter, leuker en uitdagender werk;
3. voor de Nederlandse samenleving een vitale economie met een concurrerend bedrijfsleven, een kwalitatief goed voorzieningenniveau en een hoge arbeidssatisfactie.
Dames en heren,
Innoveren is fantaseren, inspireren en excelleren. Kortom, wie goed innoveert excelleert. Ik wens u daarom een excellente dag toe.