Home | Actueel | Persberichten | 2010-2013 | 2011 | SER: versterk private sector in ontwikkelingslanden als motor voor duurzame groei en werkgelegenheid

SER: versterk private sector in ontwikkelingslanden als motor voor duurzame groei en werkgelegenheid

9 september 2011

Een goed ontwikkelde private sector is cruciaal voor duurzame groei en daarmee werkgelegenheid in ontwikkelingslanden. Effectieve economische samenwerking met ontwikkelingslanden moet zich daarom richten op het bevorderen van lokale bedrijvigheid en de daarvoor benodigde randvoorwaarden. Waar sprake is van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen kan het Nederlandse bedrijfsleven een belangrijke bijdrage aan deze duurzame groei leveren, samen met sociale partners en maatschappelijke organisaties. Het overheidsbeleid voor ontwikkelingssamenwerking dient met gerichte instrumenten de impact van deze bijdrage verder te versterken. Dit zijn enkele conclusies uit het SER-advies Ontwikkeling door duurzaam ondernemen.

Stimuleer de private sector in ontwikkelingslanden
De raad beveelt aan initiatieven van de lokale overheden te ondersteunen die gericht zijn op versterking van de lokale private sector als motor van duurzame groei, en hier aanvullende middelen voor te reserveren. De randvoorwaarden voor duurzaam ondernemen in ontwikkelingslanden dienen met name te worden verbeterd. Gedacht kan worden aan goed bestuur en macro-economische stabiliteit; goede fysieke en technologische infrastructuur; rechtszekerheid en een effectief belastingstelsel; arbeidswetgeving en handhaving; de aanwezigheid van gekwalificeerd personeel; toegang tot sociale zekerheid; onafhankelijke vakbonden en werkgeversorganisaties; en een sterk maatschappelijk middenveld.

Private sector als motor voor duurzame groei en werkgelegenheid
De afgelopen jaren is het besef gegroeid dat ontwikkelingssamenwerking niet doorslaggevend is in de strijd tegen armoede in de wereld. Handelsrelaties tussen landen en daaruit voortkomende investeringen zijn aanzienlijk belangrijker voor economische ontwikkeling. Gemiddeld zijn negen van de tien mensen in ontwikkelingslanden voor hun inkomen afhankelijk van de private sector.

Bijdrage Nederlandse private sector
De verantwoordelijkheid voor versterking van de private sector ligt volgens de SER allereerst bij lokale overheden, ondernemers en maatschappelijke actoren, zoals sociale partners. Nederlandse partijen kunnen hieraan wel bijdragen. Waar sprake is van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen dragen Nederlandse bedrijven bij aan volwaardige werkgelegenheid, belastingopbrengsten, betere goederen en diensten en overdracht van innovatie en technologie. Bedrijven kunnen kun ontwikkelingsimpact vergroten door partnerschappen aan te gaan met sociale partners en maatschappelijke organisaties.

Vergroot de ontwikkelingsimpact van het Nederlandse bedrijfsleven
Het bedrijfsleven, sociale partners en maatschappelijke organisaties dienen volgens de raad actiever betrokken te worden bij de aanwending van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking. Dat kan door Nederlandse expertise beter te benutten en hier meer middelen voor vrij te maken. Vraagsturing vanuit ontwikkelingslanden blijft hierbij centraal staan. De samenwerking met Nederlandse private partijen moet zichtbaar bijdragen aan private sectorontwikkeling en volwaardige werkgelegenheid in de ontwikkelingslanden zelf.

De raad beveelt aan om Nederlandse expertise beter te benutten door aanpassingen binnen bestaande programma’s (zoals het ORIO programma op het terrein van infrastructuur) en door het aangaan van langdurige bilaterale samenwerkingsverbanden met ontwikkelingslanden op terreinen als water en landbouw. Ook moeten Nederlandse ambassades in ontwikkelingslanden beter worden toegerust om de ontwikkeling van de private sector en duurzaam ondernemen te bevorderen.

Voorwaarden voor ondersteuning overheid
De raad adviseert bovendien om het bedrijfslevenprogramma niet te beperken tot landenlijsten. Internationale handels- en productieketens beperken zich immers ook niet tot die lijsten. Aanvragers van ondersteuning dienen zelf aan te geven hoe hun voorstellen bijdragen aan duurzame groei in het desbetreffende ontwikkelingsland. Het relevante criterium is in welke mate de initiatieven duurzame ontwikkeling stimuleren.

Voor de toekenning van subsidie uit ontwikkelingsgelden dient volgens de raad de naleving van de hernieuwde richtlijnen voor internationaal ondernemen van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) als strikte voorwaarde gehanteerd te worden. Dit impliceert een stroomlijning van de huidige subsidievoorwaarden (beperking administratieve lasten) maar ook meer toezicht op naleving door de Nederlandse overheid. De SER constateert met genoegen dat de herziene OESO-richtlijnen, met de uitbreidingen ten aanzien van internationaal ketenbeheer, risicoanalyse en mensenrechten, de belangrijkste elementen van het SER/IMVO-kader omvatten. De raad adviseert om ook bij nieuwe donoren zoals China en India vergelijkbare normen te bevorderen.

Versterk positie sociale partners en bevorder sociale dialoog
Sterke sociale partners en een goede sociale dialoog dragen bij aan goed bestuur, afstemming tussen sociale en economische doelen en volwaardige werkgelegenheid in ontwikkelingslanden.
De SER vindt dat de positie van sociale partners in ontwikkelingslanden verder versterkt moet worden en beveelt aan om programma’s ter versterking van werkgevers- en werknemersorganisaties te ondersteunen. Ook dienen fundamentele arbeidsnormen van vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen onafhankelijke en professionele sociale partners meer centraal te staan in de bilaterale contacten.

Vaststelling in raadsvergadering 16 september
Een voorbereidingscommissie onder voorzitterschap van Alexander Rinnooy Kan heeft het ontwerpadvies opgesteld. De commissie liet zich inspireren met visies van derden door een hoorzitting en een open internetconsultatie. Vaststelling door de raad is voorzien in de openbare raadsvergadering van 16 september 2011.



Meer informatie:
SER: Jolanda Maas, 070-3499578; 06 53410976; j.maas@ser.nl