Nee, dat hoeft niet. Vroeger was het kabinet wél verplicht om de SER over alle belangrijke voornemens op sociaal-economisch gebied advies te vragen. Deze verplichting is in 1995 geschrapt uit de wet, zonder dat dit tot minder adviesaanvragen heeft geleid.
En als de raad niet om advies wordt gevraagd over een onderwerp dat hij wél belangrijk vindt? Dan kan de SER besluiten ongevraagd advies uit te brengen. Dit heet dan een advies eigener beweging. Dat heeft vooral zin als vooraf duidelijk is dat er een unaniem advies tot stand kan komen. Het gaat in de praktijk om een relatief klein aantal adviezen, die meestal gaan over internationaal beleid.
Ja, dat kan. Sinds 1 januari 1997 mogen ook de Eerste en de Tweede Kamer de SER om advies vragen. Het duurde tot december 1999 voordat de SER de eerste adviesaanvraag in deze categorie ontving. De Tweede Kamer vroeg toen advies over onvolledige AOW-opbouw en ontving dat in mei 2000. Het eerste adviestraject op verzoek van de Eerste Kamer liep van juni tot oktober 2002. Het ging over het initiatiefwetsvoorstel Bussemaker-Van Dijke over arbeidstijden.
Het meest recente advies dat door het parlement was gevraagd, is een advies uit 2010 over marktordening (Overheid én Markt: het resultaat telt! Voorbereiding bepalend voor succes).
De SER doet gemiddeld 6,5 maand over een advies. Veel korter is vaak niet goed mogelijk. Een belangrijke toegevoegde waarde van de SER-adviezen is immers hun brede draagvlak. Daarom is het raadplegen van de achterbannen van de ondernemers- en werknemersorganisaties een essentieel onderdeel van de voorbereiding. Dat is tijdrovend. Over zeer actuele kwesties kan de SER ook binnen drie maanden adviseren. Dat gebeurt dan via een briefadvies.
Dat is moeilijk in cijfers aan te geven, want hoe meet je de effectiviteit van adviezen? Wie alleen naar de doorwerking ervan in regel- en wetgeving kijkt, krijgt geen goed beeld omdat niet alle adviezen gericht zijn op het tot stand komen van een wetsvoorstel. Vaak gaat het alleen om de reactie of visie van de SER op bijvoorbeeld een beleidsnota. Daarbij kunnen delen van het advies later toch weer opduiken bij het omzetten van zo’n nota in wet- of regelgeving.
Bovendien ligt de effectiviteit van SER-adviezen niet alleen in de concrete acties die het kabinet naar aanleiding daarvan neemt. Belangrijk is ook het aanzwengelen van de discussie tussen ondernemers, werknemers en kroonleden en bij hun achterbannen.
De toegevoegde waarde van de SER ligt ook in het creëren van draagvlak voor beleidsveranderingen. Hoe meer unanimiteit over een advies, hoe groter de bijdrage aan dit draagvlak.
Ruim 80 procent van de SER-adviezen is unaniem. Bijna de helft van de verdeelde adviezen is wel eenstemmig op hoofdlijnen. Ongeveer 10 procent van de adviezen is ook op hoofdlijnen verdeeld.
Nee, het kabinet heeft een eigen verantwoordelijkheid: de politiek heeft het laatste woord. Als ondernemers, werknemers en kroonleden eensgezind zijn, is dat wel een krachtig signaal voor het kabinet.
In de Kaderwet adviescolleges van 1997 staat dat het kabinet binnen drie maanden na het uitbrengen van een advies erop reageert. Afspraak is dat het kabinet met argumenten komt als het afwijkt van een SER-advies.
Voor de beantwoording van deze vraag maken we onderscheid tussen enerzijds kroonleden en anderzijds werknemers- en ondernemersleden.
Kroonleden worden – op voordracht van het kabinet – door de koningin (bij Koninklijk Besluit) benoemd. Voor meer informatie zie: Wat is de rol van de kroonleden?
De benoeming van werknemersleden en ondernemersleden is een zaak van de vakcentrales en centrale ondernemersorganisaties zelf. Zij bepalen wie er namens hun organisaties zitting neemt in de SER. Welke organisaties bevoegd zijn tot het benoemen van leden en hoeveel leden zij mogen benoemen wordt bij Koninklijk Besluit bepaald.
Voordat de Kroon de organisaties aanwijst die leden in de SER mogen benoemen, wordt de SER om advies gevraagd.
De SER een verordening opgesteld met regels voor de representativiteit van organisaties. Dit zijn kwalitatieve en kwantitatieve regels waaraan organisaties moeten voldoen om voor een benoemingsrecht in aanmerking te komen. Ook zijn in de verordening regels opgenomen over hoe de beschikbare zetels moeten worden verdeeld over deze organisaties.
In hoofdlijnen komt het erop neer dat onder meer wordt gekeken naar de rechtsvorm en doelstelling van organisaties. De vakcentrales moeten bovendien voldoende leden hebben en hun ledenbestand moet een voldoende spreiding hebben over het hele land en de bedrijfstakken. Bij de ondernemersorganisaties wordt daarnaast gekeken naar het aantal ondernemers dat lid is van de organisatie en het gezamenlijke sociaal-economische gewicht van die leden.
De benoemingen in de SER zijn telkens voor twee jaar, van 1 april tot en met 31 maart twee jaar later. Elke twee jaar, voorafgaand aan de nieuwe zittingsperiode, vraagt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de SER of er aanleiding bestaat het Koninklijk Besluit, waarin de benoemingsgerechtigde organisaties van ondernemers en werknemers worden aangewezen, te wijzigen. De SER doet dan een oproep in de Staatscourant aan organisaties om een verzoek in te dienen als ze voor het lidmaatschap van de SER in aanmerking willen komen. Daarnaast krijgen de al in de SER vertegenwoordigde organisaties de vraag voorgelegd hoe zij aankijken tegen de samenstelling en of zij de huidige zetelverdeling willen handhaven.
Uiteindelijk stelt de minister van SZW, rekening houdend met het advies van de SER, formeel de zetelverdeling vast.
Kroonleden zijn onafhankelijke deskundigen. Ze worden – op voordracht van het kabinet – benoemd door de koningin (de kroon), maar ze vertegenwoordigen niet de overheid. Ze zitten in de SER zonder last of ruggespraak. Hun taak is het dienen van het algemeen belang. Daarbij treden ze ook op als bruggenbouwer wanneer werknemers en ondernemers het niet met elkaar eens zijn. De bruggen zijn compromissen die de kroonleden dan formuleren.
Bij het samenstellen van de kroonledengroepering is het belangrijk dat zowel de belangrijkste politieke stromingen als relevante wetenschappelijke disciplines zijn vertegenwoordigd.
Raad
De voltallige raad vergadert in beginsel eenmaal per maand, op de derde vrijdag van de maand. Dat gebeurt in de raadzaal van het SER-gebouw. Het belangrijkste onderdeel van de raadsvergadering vormt de behandeling en vaststelling van adviezen. Deze worden voorbereid door een commissie of werkgroep. Als de partijen het op bepaalde punten niet eens zijn, komen de verschillende standpunten in het advies te staan. De vergaderingen van de raad zijn in de regel openbaar. Belangstellenden hoeven zich niet van tevoren aan te melden als zij een vergadering willen bijwonen. Agenda’s en verslagen van de raadsvergaderingen staan op deze website.
Commissies
De raad laat zich in zijn werk bijstaan door een groot aantal commissies en werkgroepen. Evenals de raad zijn ze uit drie partijen samengesteld. Ze bestaan uit ondernemers, werknemers en onafhankelijke deskundigen. Ook niet-raadsleden kunnen lid zijn van een commissie. De meeste commissies bereiden adviezen voor die vervolgens door de raad worden besproken en vastgesteld. Sommige commissies kunnen ook rechtstreeks advies uitbrengen. Het voorzitterschap van een commissie wordt in beginsel door een kroonlid vervuld.
Een bijzondere commissie is de Bestuurskamer. Dit is een commissie van uitsluitend raadsleden die zich speciaal met de bestuurlijke taken van de SER bezighoudt.
Ministerieel vertegenwoordigers
Bij de openbare vergaderingen van de raad en de besloten commissie- en werkgroepvergaderingen zijn altijd ministeriële vertegenwoordigers als waarnemers aanwezig. Dit zijn ambtenaren die gespecialiseerd zijn in bepaalde beleidsterreinen. Hierdoor is een goede uitwisseling van informatie tussen de raad en zijn commissies met de verschillende departementen mogelijk.
Secretariaat
Het secretariaat ondersteunt de raad en zijn commissies bij de voorbereiding en uitvoering van de verschillende werkzaamheden. Daaronder is begrepen de uitvoering van enkele wetten en de toezichthoudende taak. Het secretariaat telt ongeveer 150 medewerkers. Aan het hoofd staat de algemeen secretaris. (Organisatieschema)
Totstandkoming advies
Een advies doorloopt het volgende traject voor het wordt uitgebracht aan kabinet of parlement:
- Een minister of staatssecretaris of het parlement stelt een adviesaanvraag op en stuurt die naar de SER;
- Het dagelijks bestuur van de SER beslist welke commissie of werkgroep het advies gaat voorbereiden;
- Deze commissie of werkgroep stelt in enkele vergaderingen een concept-tekst op. Deze tekst is in de regel openbaar;
- De organisaties van sociale partners bespreken het concept in eigen kring en komen met een reactie (‘achterbanberaad’);
- De reacties worden besproken in de commissie of werkgroep en verwerkt in de tekst;
- Het ontwerpadvies wordt naar de raad gestuurd;
- De raad bespreekt het ontwerpadvies in zijn openbare vergadering en stelt het advies vast.
- Het advies wordt naar de adviesvrager gestuurd.
De SER heeft zich al vanaf het begin uitgesproken over onderwerpen die op het eerste gezicht niet behoren tot het klassieke sociaaleconomische domein, zoals arbeidsmarkt, arbeidsrecht, sociale zekerheid en internationale sociaaleconomische vraagstukken. Zo verschenen al in de jaren vijftig adviezen over het landbouwbeleid en het vervoersbeleid. In de loop der jaren is het aandeel van deze adviezen toegenomen. Daarbij ging het dan met name om ruimtelijke inrichting en mobiliteit, milieu en energie, gezondheidszorg en onderwijs.
De reden hiervoor dat het beleid op de genoemde terreinen van grote invloed is op het algemeen sociaaleconomisch beleid. Vaak heeft het vergaande sociaaleconomische gevolgen. Dit vraagt om een integrale analyse en beoordeling van ontwikkelingen en voornemens. Ook het kabinet benadert problemen steeds vaker op een integrale manier en minder vanuit een enkel departement.. Daarom dienen bewindslieden regelmatig gezamenlijk een adviesaanvraag bij de SER in.
Deze ontwikkeling past in het ‘brede welvaartsbegrip’ dat de SER begin jaren negentig introduceerde. Welvaart is meer dan alleen materiële vooruitgang (welstand en productiegroei). Ze omvat ook aspecten van sociale vooruitgang (welzijn en sociale cohesie) en een goede kwaliteit van de leefomgeving (ruimtelijke en milieukwaliteit).
De sociaaleconomische relevantie bepaalt uiteraard uiteindelijk of een onderwerp geschikt is voor de SER. De SER is immers géén milieuraad, onderwijsraad, gezondheidsraad of raad voor de ruimtelijke inrichting. Hij richt zich op de sociaaleconomische aspecten van vraagstukken rond milieu, onderwijs, gezondheid en ruimtelijke inrichting.
Juist als het gaat om onderwerpen die buiten het klassieke sociaaleconomische terrein liggen, kan de inbreng van andere groeperingen van belang zijn. Zo kan een advies winnen aan kwaliteit én draagvlak. Organisaties die op het desbetreffende terrein een specifieke invalshoek hebben of een specifiek belang behartigen, kunnen worden betrokken bij de voorbereiding van een advies in een commissie. Ze worden echter geen lid van de raad en hebben daardoor ook geen inbreng en betrokkenheid bij de formele vaststelling van het advies.
Deze groeperingen kunnen op verschillende manieren betrokken worden:
- De commissie kan organisaties ‘horen’ via een hoorzitting, panelgesprek of werkbezoek. Dit komt regelmatig voor.
- Organisaties kunnen op ad hoc-basis (voor een bepaald adviesproject) deelnemen aan een commissie. Voorbeeld: twee organisaties van aandeelhouders (VEB en Eumedion) waren lid van de commissie die het advies over evenwichtig ondernemingsbestuur voorbereidde.
- Organisaties kunnen op structurele basis lid worden van een commissie, waarmee ze in principe betrokken worden bij alle adviesprojecten op het betreffende beleidsterrein. Zo is de Consumentenbond lid van de Commissie voor Consumentenaangelegenheden en zijn natuur- en milieuorganisaties lid van de commissies Duurzame Ontwikkeling, en Ruimtelijke Inrichting en Bereikbaarheid.
Nee, de SER is een zogenaamd openbaar lichaam dat op basis van artikel 134 van de Grondwet ingesteld kan worden. In het geval van de SER is dat gebeurd door middel van de Wet op de bedrijfsorganisatie. De SER wordt betaald uit een heffing die alle ondernemingen in Nederland jaarlijks betalen aan de SER via de kamers van koophandel. Dat komt voort uit de visie dat ondernemingen een samenwerkingsvorm zijn van werkgevers en werknemers.
De hoogte van de heffing is afhankelijk van de ondernemingsvorm en de grootte van de onderneming. Zie: Jaarverslag
De onafhankelijkheid van de SER is vastgelegd in de Wet op de bedrijfsorganisatie. Daarin staat onder meer dat de SER naast de werkzaamheid van het bedrijfsleven ook het algemeen belang moet bevorderen.
Ja, de SER verstrekt subsidies aan een aantal instellingen, deels op grond van zijn algemeen richtinggevende taak (artikel 2 van de Wet op de bedrijfsorganisatie) en deels op grond van gevorderde medewerking (artikel 36 van de Wet op de bedrijfsorganisatie). De instellingen die subsidie ontvangen op grond van artikel 2 Wet op de bedrijfsorganisatie zijn:
-
Stichting van de Arbeid
De SER subsidieert 75 procent van het exploitatietekort. De rest wordt rechtstreeks opgebracht door de centrale ondernemersorganisaties en de vakcentrales.
-
Provinciale advies- en overlegorganen
De provinciale overleg- en adviesorganen krijgen maximaal de helft van hun exploitatiekosten gesubsidieerd. Dit maximum wordt driejaarlijks geïndexeerd en bedraagt voor de periode 2009 - 2011 45.500 euro per orgaan. De overige financiers zijn de desbetreffende provincies en - op één provincie na - de kamers van koophandel.
-
Stichting voor de Jaarverslaggeving
De Stichting voor de Jaarverslaggeving krijgt tweederde deel van het exploitatietekort gesubsidieerd. Het Koninklijke NIVRA en de NOVAA financieren het overige deel.
Met deze drie subsidies is ruim 1,5 miljoen gemoeid. Op grond van gevorderde medewerking (artikel 36 van de Wet op de bedrijfsorganisatie) legt de SER op grond van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden een heffing op bij ondernemers die verplicht zijn een ondernemingsraad in te stellen. De opbrengst is rond 25 miljoen euro. Uit de opbrengst subsidieert de SER ‘rechtspersonen die zich ten doel stellen de werkzaamheden van andere rechtspersonen op het gebied van scholing en vorming van ondernemingsraadleden te begeleiden en te ondersteunen’ (artkel 46b van de Wet op de ondernemingsraden). Er is één rechtspersoon opgericht met die doelstelling en die door de SER wordt gesubsidieerd:
Zie: Jaarverslag
Zie: Subsidiebesluit SER (PDF, 17 kB)
Zie: Subsidiekader SER (PDF, 137 kB)
De Sociaal-Economische Raad is een publiekrechtelijke instelling, ingesteld op grond van artikel 1 van de Wet op de bedrijfsorganisatie. De SER is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, onder nummer 27363950.
Vrijwel alle provincies kennen advies- en overlegorganen voor sociaal-economische aangelegenheden, waarin ondernemers en werknemers paritair zijn vertegenwoordigd.
De SER is, naast de provinciale overheid en in sommige gevallen de betrokken Kamers van Koophandel, medefinancier van deze organen. Om de twee jaar brengt de SER het functioneren van de provinciale advies- en overlegorganen in kaart.
Zie: Provinciale advies- en overlegorganen
Europa
In verscheidene Europese landen bestaan sociaal-economische raden en vergelijkbare instituten. Tussen de SER'en binnen de Europese Unie vindt regelmatig overleg plaats. Op EU-niveau functioneert bovendien het Europees Economisch en Sociaal Comité van de Unie (EESC).
Wereld
Ook buiten Europa zijn er sociaal-economische raden. Op 1 juli 1999 is – mede op inititatief van de Nederlandse SER – de Internationale Vereniging van Sociaal-Economische Raden en Vergelijkbare Instituten (AICESIS) opgericht. Doel van de vereniging is onderling ervaringen uit te wisselen en te bevorderen dat er ook in andere landen sociaal-economische raden of soortgelijke instanties komen. De vereniging heeft leden in Europa, Afrika, Azië en Latijns-Amerika.
Zie: Links SER'en