Home | Publicaties | SERmagazine | 2017 | Februari 2017 | Steeds meer adviesaanvragen voor sociale partners in de regio

Steeds meer adviesaanvragen voor sociale partners in de regio

Provinciale SER’en zien uitdagingen in regio

Wat de SER doet voor Nederland, doen de vier provinciale SER’en voor de provincie en regio. In Noord-Nederland, Brabant, Overijssel en Zeeland zetten de sociale partners zich in voor een bloeiende regionale economie. Waar houden de provinciale SER’en zich mee bezig?

Felix de Fijter

Is zo’n provinciale SER niet gewoon de landelijke Sociaal-Economische Raad in het klein, met een focus op de provincie? In hoofdzaak wel. De hoofdtaak is in ieder geval hetzelfde: het adviseren van het provinciale bestuur. Ook bestaan de provinciale raden net als de Haagse SER uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, vaak aangevuld met onafhankelijke leden en adviseurs. Maar wie wat beter kijkt, ziet dat elke provinciale SER toch een heel eigen karakter heeft, juist vanwege de regionale verschillen.

‘Wij adviseren over heel veel onderwerpen waar de provincie mee bezig is’, vertelt Dennis Melenhorst, secretaris bij de SER Overijssel. ‘Van milieu en ruimtelijke ordening tot infrastructuur en arbeidsmarkt. Het belangrijkste verschil met de landelijke SER is dat we in onze advisering veel verder inzoomen op onderwerpen dan op landelijk niveau mogelijk is.’ Als voorbeeld noemt hij de rijksweg N35, die oost- en west-Overijssel verbindt. ‘Als verbindingsweg tussen twee economische kerngebieden schiet zo’n tweebaansweg eigenlijk tekort.

Wij zoomen verder in op onderwerpen
dan op landelijk niveau mogelijk is
 

Dat is iets wat wij aankaarten. Wij hebben enerzijds een adviserende rol naar het provinciale bestuur, maar anderzijds ook een signalerende functie naar Den Haag.’

Regionale knoppen

De SER Brabant is volgens secretaris Leo Dubbeldam een van de belangrijkste adviesorganen voor de provincie. ‘Wij adviseren populair gezegd over onderwerpen waarbij je regionaal aan de knoppen kunt draaien. We richten onze advisering niet op onderwerpen waar het Rijk over gaat, al zoeken we wel verbinding met de landelijke lijn. Grofweg zie je in onze agenda twee grote clusters terugkomen. Eén: alles rond ondernemerschap en kennis- en innovatiebeleid, en twee: alles op het gebied van arbeidsmarkt en onderwijs.’

De Brabantse raad is bij tijd en wijle niet alleen adviserend, maar ook initiërend. Het beste voorbeeld daarvan is het Brabants Energieakkoord dat op initiatief van de SER Brabant tot stand is gekomen. ‘De SER heeft zich in Brabant een stevige positie verworven in de totstandkoming van provinciaal beleid’, zegt Dubbeldam. ‘We geven eens per vier jaar een advies voor de middellange termijn uit, en de laatste keren is dat telkens mede dragend geweest voor het uiteindelijke coalitieakkoord.’

Dat is volgens hem zeker ook te danken aan de inspanningen van de SER Brabant om vanuit een breed draagvlak te opereren. In lijn met de landelijke SER heeft de SER Brabant zich de afgelopen jaren wat breder geëquipeerd. ‘Behalve de vaste zetels voor sociale partners hebben we ook zogeheten ‘kennisleden’ geworven vanuit regionale universiteiten en hogescholen, die ons met kennis ondersteunen.’

Nieuw is het netwerk Brabant- Advies. Daarbinnen werkt SER Brabant structureel samen met de provinciale raden voor leefomgeving en gezondheid. ‘Die samenwerking zorgt voor integraliteit in onze advisering en brengt veel expertise bij elkaar.’

Langere blik

De SER Overijssel ziet het als zijn taak om wat verder te kijken dan de houdbaarheid van politieke akkoorden, zegt Melenhorst. ‘Wij bepleiten dat niet alles elke vier jaar opnieuw onderwerp wordt van politieke discussie. Neem de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, het is goed als je dat soort thema’s met een wat langere blik kunt bezien.’

Volgens Melenhorst is het overlegklimaat over het algemeen positief. ‘Natuurlijk zijn er in de advisering aan Gedeputeerde Staten wel eens meningsverschillen – de flexibilisering van de arbeidsmarkt is bijvoorbeeld een lastig onderwerp – maar vaak is er een gemeenschappelijk doel. De verschillende partijen vinden elkaar doorgaans in een gezamenlijke doelstelling, over meer werkgelegenheid bijvoorbeeld.’

Uitdagingen

Elke provincie heeft vanzelfsprekend haar eigen sociaal-economische uitdagingen. Overijssel en Brabant beslaan grote gebieden waarbinnen ook weer verschillen zijn.

Onze advisering gaat over de onderwerpen waarbij
je regionaal aan de knoppen kunt draaien
 

‘De maakindustrie bij Eindhoven kent een heel andere dynamiek dan die van de logistiek in West-Brabant’, zegt Dubbeldam. In Overijssel is dat niet anders, zegt Melenhorst: ‘De regio Twente kampt met hoge werkloosheid en een gemiddeld lager opleidingsniveau. Daar zijn qua arbeidsmarktcultuur heel andere actielijnen nodig dan in de regio Zwolle, waar juist problemen zijn aan de bovenkant van de arbeidsmarkt en personeelstekorten voor bepaald arbeidsmarktsegmenten.’ Internationalisering is op dit moment een onderwerp dat in Overijssel veel aandacht vraagt.

‘Hoe kunnen we de internationale positie van het Overijssels bedrijfsleven versterken, en ook andersom: hoe halen we bedrijvigheid naar Overijssel toe?’ In verschillende andere kwesties, zoals op het gebied van woningmarkt, bedrijventerreinen, werklocaties en winkelterreinen, komt ook plaatselijk beleid om de hoek kijken. Daar speelt de vraag hoe de provincie gemeenten kan ondersteunen met kennis en middelen – ook met het oog op de decentralisatie van taken.’

‘Stevige onderwerpen in Brabant zijn ‘leren in de toekomst’ en het regionaal innovatiebeleid’, vertelt Dubbeldam. ‘Wat zijn de next steps?’ Brabant zet sterk in op innovatie en wil een groot living lab worden. Voor de provinciale SER werpt die ambitie vragen op rondom het innovatiebeleid. ‘Zoeken we ook verbinding met sociale en technische innovatie? Moet je van bovenaf sturen op grote ontwikkelingen? Laat je duizend bloemen bloeien of kies je voor grote innovatieve doorbraken? Om op dat soort vragen te kunnen antwoorden hebben we een visiedocument gemaakt waarin we veel ontwikkelingen op een rij hebben gezet. Daarover zijn we in gesprek met allerlei partijen en willen we binnenkort komen met een beleidsadvies.’

Overijssel en Brabant hebben ook regionale economic boards die de regio-specifieke uitdagingen het hoofd helpen bieden. Aan de tafels van deze boards zijn naast het bedrijfsleven ook de overheid en het onderwijs (‘triple helix’) vertegenwoordigd. Doel is om samen vorm te geven aan regionaal economisch stimuleringsbeleid.

Financiering

De regionale SER’en zijn dus druk bezig, maar hun capaciteit is met één, soms twee betaalde krachten beperkt. Dubbeldam: ‘Er wordt veel van ons gevraagd. De adviesaanvragen nemen zelfs toe.

In Overijssel vraagt internationalisering veel aandacht
 

Tegelijkertijd hebben we weinig middelen en weinig capaciteit.’ ‘De structurele samenwerking die we in Brabant met andere adviesraden zijn aangegaan, geeft ons wat meer vlees op de botten’, voegt Dubbeldam toe, ‘maar de capaciteit blijft een aandachtspunt.’

Datzelfde probleem heeft Overijssel ook. Melenhorst: ‘We zijn wat te klein voor het aantal vragen dat we krijgen vanuit Provinciale en Gedeputeerde Staten. Er komt een moment dat we moeten afwegen welke adviesaanvragen we wel en niet behandelen. Zo’n keus wil je eigenlijk niet maken.’

Vier provinciale SER’en

Nederland kent vier provinciale SER’en: Brabant, Overijssel, Zeeland en Noord-Nederland. In deze organen zijn de werkgevers- en werknemersorganisaties gelijkelijk vertegenwoordigd, aangevuld met wisselende, onafhankelijke adviseurs. De SER Noord-Nederland beslaat de drie provincies Drenthe, Groningen en Friesland. In Limburg is een SER in oprichting. De provinciale SER'en werden tot 2013 gefinancierd door de Kamers van Koophandel (KvK), de provincies en de SER. In 2014 is de financiering van de KvK weggevallen. Nu zijn de SER'en voor hun financiering volledig afhankelijk van de provincies en de SER.


SER Noord-Nederland presenteert advies over arbeidsmarkt

De provinciale SER Noord-Nederland komt deze maand met een advies over de arbeidsmarkt in de noordelijke regio: Het werkend alternatief voor Noord-Nederland, de noordelijke aanpak maakt het verschil. Het advies roept overheden op om een regiodeal te sluiten met sociale partners, UWV en de Regionale en Agrarische Opleidingscentra om het concept ‘een leven lang leren’ handen en voeten te geven en de onderkant van de arbeidsmarkt te versterken.

‘Het advies is mede ingegeven door de toegenomen robotisering en automatisering, waardoor de werkgelegenheid voor arbeidskrachten met een mbo-opleiding op niveau 2 en 3 terugloopt’, zegt Herman Bloupot, secretaris van de SER Noord-Nederland. ‘Tegelijkertijd is er in een aantal sectoren een tekort aan goed geschoolde vaklieden. Een tekort dat door de verwachte economische groei alleen maar groter zal worden.’

Het idee is om dat ‘kwalitatieve verschil’ door her- en bijscholing te overbruggen. Concrete instrumenten zijn bijvoorbeeld een regionaal opleidings- en -ontwikkelingsfonds voor mbo’ers en een programma voor scholing van werkenden en werkzoekenden dat zich richt op clusters van kleinere bedrijven. De sociale partners zouden het voortouw bij de uitvoering moeten nemen.

Een ander spoor in het advies gaat over de onderkant van de arbeidsmarkt. ‘Inspanningen van gemeenten en UWV om de arbeidsmarktparticipatie te versterken zijn versnipperd’, zegt Bloupot. ‘Er is een betere bestuurlijke verbinding tussen sociaal domein, economie en onderwijs nodig. We moeten de ‘eigen-kaartenbak-eerst-systematiek’ doorbreken zodat publieke partijen beter kunnen voorzien in de vraag van het bedrijfsleven.’ Het advies ‘Het werkend alternatief voor Noord-Nederland’ is te vinden op www.sernoordnederland.nl.

SERmagazine nr. 2 - februari 2017

SERmagazine in PDF


Open online publicatie

Inhoudsopgave