Ook 55-plussers moeten opscholen
De maatschappij verandert razendsnel. Technologische ontwikkelingen maken van een beroep in pakweg vijf jaar tijd een ander vak. En bijna iedereen werkt langer door dan in de jaren negentig. Wat betekent dit voor de om-, op- en bijscholing van werknemers, werkzoekenden en zzp’ers? Yvonne van Rooy, voorzitter van de SER-commissie Arbeidsmarkt- en Onderwijsvraagstukken, over het SER-ontwerpadvies over postinitieel onderwijs.
André Vermeulen
Een mooi staaltje van opscholing: de samenwerking tussen Hogeschool Eindhoven en DAF. DAF-werknemers met een mbo-opleiding volgen een korte leergang op hbo-niveau en slaan daarmee drie vliegen in één klap: zij verwerven meer kennis om hun baan beter te kunnen uitvoeren, maken meer kans op promotie en ze verbeteren hun positie op de arbeidsmarkt.
Zo’n voorbeeld van publiek-private samenwerking is volgens Yvonne van Rooy, plaatsvervangend kroonlid en voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht, een voorbeeld dat overal in het land navolging verdient.
In een tijd waarin de desktopcomputer door de avantgarde in de ICT-wereld al als bijna prehistorisch wordt afgedaan, er door het internet nieuwe beroepen zijn ontstaan en Twitter als communicatiemiddel het sms’en begint te verdringen, is het hoog tijd dat alle Nederlanders zich permanent laten bijscholen. Of beter nog: opscholen: je eigen competenties op een hoger plan brengen. Het voorbeeld van DAF en de Hogeschool Eindhoven staat niet op zichzelf. Ook de Hanzehogeschool in Groningen en de LOI hebben de handen ineengeslagen. Dat heeft twee jaar geleden geresulteerd in drie nieuwe, technische opleidingen op hbo-niveau die de (werkende) cursist thuis achter de computer kan volgen. In totaal zijn er nu zeven hogescholen die samen met op commerciële leest geschoeide aanbieders van cursussen en trainingen lesprogramma’s hebben ontwikkeld.
Van Rooy: ‘Er moet meer van dit soort publiek-private samenwerking komen. Het hbo en ook de universiteiten moeten meer nieuwe opleidingen bedenken en ontwikkelen voor technische beroepen, voor bèta-mensen. Ze moeten creatiever worden. En meer vraaggericht gaan werken. Wij weten dat er arbeidstekorten gaan ontstaan in de bèta-hoek. In het hoger onderwijs kun je nu alleen een bachelor- en een masterdiploma halen. Daar moet meer differentiatie in komen, iets wat staatssecretaris Halbe Zijlstra van Onderwijs ook stimuleert.’
Postinitieel onderwijs is vooral in handen van particuliere opleidingen en cursusaanbieders. Ongeveer 20 procent wordt verzorgd door aan de overheid gelieerde instellingen (roc, hbo, wo). Aan die verhouding hoeft wat Van Rooy betreft niets te veranderen, maar dat geldt niet voor het aantal deelnemers. ‘De markt functioneert heel behoorlijk, maar er is al jaren sprake van stagnatie aan de deelnamekant. De ontwikkeling van de economie vergt dat mensen gedurende hun gehele werkzame bestaan blijven leren. Dat wordt steeds belangrijker. Het is nodig om de productiviteit te verhogen en de concurrentiepositie te versterken. Maar ook om werkloosheid te voorkomen. Kennis veroudert snel in deze globaliserende internetwereld. Je ziet dat zelfs leden van een raad van commissarissen tegenwoordig al aan scholing doen.’ In 2000 volgden 1,3 miljoen Nederlanders postinitieel onderwijs. Dat kwam neer op 13,7 procent van de beroepsbevolking. In 2009 was dit percentage weliswaar gegroeid naar 15,5 procent, maar Van Rooy vindt het te laag. Om te kunnen voldoen aan de ‘Lissabon-agenda’ uit het jaar 2000 (3 procent jaarlijkse groei, Nederland in top 5 kenniseconomieën) is 20 procent deelname aan postinitieel onderwijs minimaal.
Van Rooy wijst ook op het belang van bij- en opscholing van 55-plussers. De ontgroening en de vergrijzing van de Nederlandse bevolking maken langer doorwerken noodzakelijk. Dit proces is al gaande. ‘Het is nog niet eens zo lang geleden dat veel mensen met 57 jaar vervroegd met pensioen gingen. Nu ligt de gemiddelde leeftijd al op 63 jaar en dat zal door de verhoging van de AOW-leeftijd toenemen naar 66 en 67 jaar. Het is dus van belang dat oudere werknemers langer gekwalificeerd blijven. We moeten dus niet denken dat het wel goed zit. Op alle niveaus en in alle leeftijdscategorieën moet een flink tandje worden bijgezet.’
Vinger aan de pols
De afgelopen jaren is het aanbod van deeltijdopleidingen bij publieke onderwijsinstellingen achteruitgegaan. Er zijn nu 75.000 studenten die een deeltijdopleiding volgen, van wie 44.000 ouder zijn dan 30 jaar. Dit laatste aantal daalt doordat de mogelijkheden om naast een volledige baan ’s avonds of in het weekeinde postinitieel onderwijs te volgen, afnemen. Van Rooy vindt dat het kabinet de vinger aan de pols moet houden.
Nederlandse werkgevers staan erom bekend dat ze liever geen 50-plussers willen aannemen; volgens het UWV is die ontwikkeling zelfs al te zien bij 45-plus. Dat gaat veranderen, verwacht Van Rooy. Als de verwachte tekorten aan jonge arbeidskrachten zich gaan manifesteren, moeten bedrijven volgens haar wel ouderen aannemen. ‘Het is van groot belang om er nu voor te zorgen dat ook 60-plussers nog zeven jaar of langer goed geschoold blijven.’ Ze vindt dat werkgevers zichzelf ‘enorm tekort’ doen als zij uit financiële overwegingen alleen jongeren in hun bedrijf willen hebben. Dergelijke ondernemingen schieten in eigen voet omdat het aantal en het aandeel twintigers binnen de beroepsbevolking alsmaar kleiner wordt. ‘In feite gaat dit advies over alle leeftijdscategorieën en hun employability. Het wordt echt de nieuwe werkelijkheid.’
Financieel belang
Postinitieel onderwijs is – zeker voor de oudere generaties – in het belang van werkgever en werknemer, die ieder hun eigen verantwoordelijkheid hebben, meent Van Rooy. ‘Werkgevers moeten goed rekenen. Bij een reorganisatie is het voor een bedrijf het goedkoopst om goed geschoold personeel naar een baan bij een ander bedrijf te helpen. Het is een puur financieel belang.’
Het SER-ontwerpadvies over postinitiële scholing wordt op 20 april in de Raadsvergadering behandeld. Het kabinet had vorig jaar om advies gevraagd in het kader van ‘een leven lang leren’. Postinitieel onderwijs is elke vorm van scholing die een werknemer, een werkloze of een zelfstandige volgt na zijn regulier genoten onderwijs. Het SER-advies in het kort: - Onderwijsaanbieders dienen beter en meer aan te sluiten op de voortdurend veranderende behoeften en wensen van het bedrijfsleven. Dit geldt zowel voor private, commerciële aanbieders als voor instellingen die door het ministerie van Onderwijs worden gefinancierd.
- Extra aandacht moet er zijn voor bedrijfstakken en sectoren die met personeelstekorten te maken krijgen of dat nu al voelen.
- Het is van belang dat O&O-fondsen (opleiding & ontwikkeling) het aanbod in hun sector transparant maken, zodat met name het mkb ook goed zicht heeft op de scholingsmogelijkheden voor hun medewerkers.
- Het is van belang om het systeem van Eerder Verworven Competenties (EVC’s) verder uit te bouwen en met kracht voort te zetten.
- Extra aandacht ook voor meer samenwerking tussen publieke en private onderwijsaanbieders ten bate van de negen topsectoren die het kabinet-Rutte in 2010 heeft benoemd.
- Hbo-instellingen en universiteiten moeten meer nieuwe opleidingen inrichten op bèta-gebied.
- Werknemers en zzp’ers hebben een eigen verantwoordelijkheid om hun kennisniveau en vaardigheden op peil te houden.
- Ook oudere werknemers dienen zich bij te scholen om hun positie op de arbeidsmarkt te behouden.
|