Home | Publicaties | SERmagazine | 2011 | mei 2011 | Tweede voortgangsrapportage IMVO

Tweede voortgangsrapportage IMVO

Duurzaam inkopen achter de schermen

Een voorhoede van Nederlandse bedrijven in de grotere industrie en groothandel onderneemt duurzaam. Maar de bedrijven lopen daarmee niet te koop, blijkt uit de tweede voortgangsrapportage Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IM VO).

Walter Baardemans

Er gebeurt meer dan er op papier staat. Dat is een belangrijke conclusie uit de tweede voortgangsrapportage Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. IM VO leeft in het bedrijfsleven en de samenleving, constateert het rapport, maar over nieuwe initiatieven verschijnen lang niet altijd rapportages.
De SER -commissie IM VO noemt het een uitdaging om de kloof tussen beleid en rapportage te verkleinen. Daarnaast wil zij het aantal ondernemingen met beleid voor duurzaam inkopen verder vergroten en meer informatie verstrekken aan middelgrote bedrijven, onder andere over de arbeidsnormen van de International Labour Organisation (ILO) en de OESO-richtlijnen. Een deel van de bedrijven heeft al wel degelijk oog voor duurzaam ketenbeheer, blijkt uit een SER -onderzoek naar duurzaam inkoopbeleid. In opdracht van de SER -commissie IMVO vroeg onderzoeksbureau EIM bedrijven in de sectoren non-food en groothandel naar hun duurzaam inkoopbeleid als indicator voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Volgens het onderzoek hebben vier op de tien bedrijven een duurzaam inkoopbeleid. De helft daarvan trekt dit door naar alle bedrijfsactiviteiten en geldt als koploper. De aandacht voor duurzaam inkopen en sociale en milieuaspecten neemt toe wanneer bedrijven meer inkopen bij niet-westerse leveranciers. Een kwart van de ondervraagde bedrijven heeft geen directe invloed op IMVO, bijvoorbeeld omdat het hoofdkantoor in het buitenland gevestigd is of omdat de bedrijven geen niet-westerse leveranciers hebben.

Risico
Slechts een deel van de koplopers rapporteert publiekelijk over hun duurzame activiteiten. Het SER-onderzoek, onderdeel van de voortgangsrapportage, nuanceert daarmee het negatieve beeld van de eerdere Transparantiebenchmark van het Ministerie van Economische Zaken. De Transparantiebenchmark meet de transparantie over IM VO in de verslaggeving, maar niet het daadwerkelijke beleid van bedrijven.
Door het beperkte aantal rapportages over ketenbeheer leekhet of, behalve een kleine kopgroep, Nederlandse bedrijven weinig deden. Onderzoeker Coen Bertens van EIM : ‘Middelgrote bedrijven zijn veelal niet verplicht om te rapporteren. Ze zijn daar ook huiverig voor, omdat ze er niet van overtuigd zijn dat rapportage hun voordeel oplevert. Als je in Nederland aangeeft waar je goed in bent, loop je ook het risico dat je daar op wordt gecontroleerd en afgerekend.’ Bedrijven die wel rapporteren, informeren vooral over milieu- en veiligheidsaspecten. Bertens: ‘Het accent ligt inderdaad op milieu en veiligheid, maar sociale aspecten als kinderarbeid, werktijden en lonen komen wel degelijk ook aan de orde.’ Van de volgers en achterblijvers heeft een deel behoefte aan meer informatie over duurzaam inkopen. Vooral middelgrote bedrijven zijn volgens Bertens minder goed bekend met de internationale arbeidsnormen van de International Labour Organization (ILO) en de OESO-richtlijnen voor duurzaam ondernemen. ‘Het kan geen kwaad om dat soort normen en richtlijnen nog eens onder de aandacht te brengen in combinatie met duurzaam inkoopbeleid.’

Baten aantonen
De tweede voortgangsrapportage stelt dat het bewustzijn groeit dat (I)MVO een vanzelfsprekend onderdeel is en hoort te zijn van hedendaags ondernemen en dus niet vrijblijvend is. Daarbij horen transparantie en verslaglegging. De Commissie IMVO wil daarom dat meer bedrijven gaan rapporteren over hun activiteiten. Zolang bedrijven daartoe niet verplicht zijn en dat ook niet uit zichzelf doen, moeten zij daartoe worden verleid, meent onderzoeker Bertens. ‘Maak inzichtelijk wat het oplevert. Wat zijn de baten van rapportage? Als duurzaam inkopen aantoonbaar goed is voor de concurrentiepositie, is dat een aantrekkelijke reden voor een bedrijf om daarmee naar buiten te treden.’ Collectieve branche-initiatieven kunnen dit volgens hem stimuleren door te wijzen op beschikbare instrumenten voor verslaglegging. Ook zouden accountants kunnen attenderen op mogelijke voordelen.
De commissie IM VO komt in 2012 met een eindevaluatie. Eén opmerking daarin staat al bij voorbaat vast, voorspelt de voortgangsrapportage: (I)MVO is nooit af, omdat het proces meebeweegt met de ontwikkelingen in maatschappij en bedrijfsleven zelf.

 

SERmagazine mei 2011

SERmagazine in PDF

Inhoudsopgave