Home | Publicaties | SERmagazine | 2011 | juni 2011 | Het onderwijs mag wel wat strenger

Het onderwijs mag wel wat strenger

Yvonne van Rooy en Jet Bussemaker over SER-advies hoger onderwijs

Het SER-advies voor hoger onderwijs pleit voor meer differentiatie, meer kwaliteit en meer geld. Kroonleden Yvonne van Rooy en Jet Bussemaker hebben het advies mee voorbereid en weten uit hun eigen praktijk waar ze het over hebben. ‘We moeten strenger zijn bij de toelating en meer verschil maken tussen studenten. Excellentieprogramma’s trekken het niveau omhoog.’

Corien Lambregtse

‘Soms ontmoet ik studenten aan het eind van hun studie die zeggen: had ik maar wat harder gewerkt, een honoursprogramma gevolgd of wat meer naast mijn studie gedaan, dan had ik betere kansen op de arbeidsmarkt gehad.’ Yvonne van Rooy kijkt strijdlustig. ‘Mijn passie is om dat te voorkomen. Want die studie kun je niet overdoen. Daarom ben ik ervoor om bij de inschrijving en tijdens de studie hogere eisen aan studenten te stellen, zodat ze serieus hun studie kiezen en gemotiveerd studeren. In hun eigen belang.’
Het mag wel wat strenger. Dat is wat Van Rooy en Jet Bussemaker beiden uitstralen, in een gesprek over het SER-advies over hoger onderwijs. Want de kwaliteit van het onderwijs moet omhoog en de uitval van studenten omlaag. Van Rooy: ‘We hebben het wel steeds over langer doorwerken, maar dat is aan de áchterkant van de loopbaan. Aan de voorkant is juist zoveel te winnen. Het komt te vaak voor dat jongeren wel twee, drie keer de verkeerde studiekeuze maken. Als ze eerder in de juiste studie zitten, kunnen ze op hun 23ste de arbeidsmarkt op, in plaats van met 25 of 26 jaar. Met een leven lang leren voor de boeg, is dat helemaal niet erg.’

Bussemaker: ‘Het is belangrijk om in het begin, bij de toelating, veel duidelijker te zijn naar studenten. Economie en rechten zijn vaak negatieve keuzes, die overblijven doordat andere studies afvallen. Bij studies waar een intakegesprek wordt gehouden, zijn studenten vaak veel meer gemotiveerd. We moeten eerder ontdekken welke studenten niet op de juiste plaats zitten.
Als we die er bij de selectie of in de eerste drie maanden uithalen, bespaart dat later in de studie heel veel moeite. In het hbo bestaat de propedeuse uit 60 studiepunten. De norm om door te kunnen, is 40 studiepunten. Als je niet uitkijkt, worden die 40 de standaard. Dat moeten we niet willen. Daarom verleggen wij de eis nu naar 50 studiepunten.’
Van Rooy: ‘Het vernieuwende aan dit SER-advies is dat we zeggen dat we best eisen mogen stellen aan studenten. Ze moeten meedoen aan voorlichtingsdagen, meeloopdagen of matchinggesprekken. Al die studenten die zomaar een studie kiezen en vervolgens een jaar weinig of geen studiepunten halen, studeren toch grotendeels op kosten van de belastingbetaler.’ Bussemaker: ‘Het is zonde van de belastingcenten, maar het is voor die studenten zelf en voor de docenten ook frustrerend.’

Numerus fixus
Het betekent wel dat de onderwijsinstelling individuele studenten in het oog moet houden. Er moeten bijvoorbeeld tutors zijn die in de gaten houden of een student z’n studiepunten haalt.
Bussemaker: ‘Bij opleidingen met 1500 studenten is dat nog gemakkelijk te organiseren. Maar de opleidingen economie en management aan de Hogeschool van Amsterdam tellen wel 14.000 studenten. Het vergt heel veel om binnen die grote opleidingen aandacht voor de individuele student te organiseren.’
Van Rooy: ‘Op een bepaald moment moet je zeggen: de opleiding is vol. Economie bijvoorbeeld is enorm populair, omdat studenten daarmee heel veel geld denken te gaan verdienen. Maar dat is echt niet voor iedereen weggelegd. Een lerarenopleiding zou voor een aantal studenten een goed alternatief kunnen zijn. En het is niet zo dat je maar in één vakgebied gelukkig kunt worden.’
Bussemaker: ‘Hogeschool InHolland gaat de afdeling commerciële economie in Diemen sluiten vanwege de problemen die ze daar hebben. Als we niet uitkijken komen al die studenten naar de HvA. Maar de vraag is of wij de kwaliteit dan nog kunnen borgen. Een numerus fixus zou wellicht kunnen helpen. Bij fysiotherapie hebben we die ook. Het mooie is dat de studenten die zich daarvoor aanmelden supergemotiveerd zijn.’
Van Rooy: ‘Voor een conservatorium vinden we het heel gewoon dat er bij de poort wordt geselecteerd, maar voor andere opleidingen bestaat vaak aarzeling. Het SER-advies pleit daar toch voor. Niet om studenten te weren, maar als instrument om de juiste studenten op de juiste plaats te krijgen.’

Differentiatie
Een andere maatregel om de uitval te verlagen en de kwaliteit van het onderwijs te verhogen, is volgens het SER-advies differentiatie. Niet méér opleidingen, maar meer verschillen binnen en tussen bestaande opleidingen, om recht te kunnen doen aan verschillen tussen studenten.
Bussemaker: ‘In het hbo hebben we mbo’ers, maar ook studenten met een havo- of een vwo-achtergrond. Dat is niet alleen een verschil in capaciteit, maar ook in cultuur.
Het hbo moet iets te bieden hebben aan vwo’ers, zeker als die wat meer praktijkgericht zijn. Het hbo zou ook masters moeten hebben voor studenten die een universitaire studie hebben gedaan en zich meer op de praktijk willen richten. Een student pedagogiek zou bijvoorbeeld een master jeugdzorg kunnen doen om de praktijkkant te leren kennen. Juist als universiteiten en hbo een sterk eigen studieconcept hebben, biedt dat mogelijkheden om samen te werken.’
Verschil maken tussen studenten is ook op universiteiten nodig, zegt Van Rooy. ‘De Universiteit Utrecht heeft bijvoorbeeld 700 eerstejaars rechtenstudenten. Die hebben natuurlijk niet allemaal dezelfde capaciteiten. Daarom kunnen 85 studenten per jaar worden toegelaten tot het Utrecht Law College, een honoursprogramma voor zeer gemotiveerde studenten. Bij colleges samen met de andere studenten zitten zij vooraan. En de praktijk leert dat de colleges rustiger verlopen en beter zijn doordat die groep erbij zit. Het Law College brengt trek in de schoorsteen. De betreffende studenten blijken heel succesvol in hun studie, maar het niveau van de hele groep gaat ook omhoog.’ Bussemaker: ‘De HvA heeft in het kader van het Sirius Programma excellentieprogramma’s ontwikkeld. Alle studenten mogen eraan meedoen. Ze krijgen in de propedeuse een extra college en als ze dat goed doen, mogen ze door naar het volgende onderdeel van het honoursprogramma. Veel studenten haken tijdens het eerste jaar af, maar de doorzetters gaan verder. Hun aanwezigheid heeft inderdaad een positief effect op de rest.’

Kwaliteit
Ook aan de kwaliteit van het onderwijs zelf moet wat gebeuren, schrijft de SER-adviescommissie. Bussemaker is het daarmee eens: ‘Als we kritisch zijn naar studenten, moeten we ook kritisch zijn naar docenten en onszelf. Een promovendus kan niet automatisch goed les geven, daarom moeten we docenten goed opleiden. Wij hebben bij de HvA ook een excellentieprogramma voor docenten.
Je krijgt extra waardering als je het als docent goed doet. Die excellente docenten trainen vervolgens andere docenten.’
De huidige problemen bij InHolland lijken het beeld te bevestigen dat het slecht gesteld is met het onderwijs, maar dat vindt Bussemaker niet terecht. ‘Ik verzet me tegen het beeld dat alles mis is in het onderwijs. Er gebeuren ontzettend veel goede dingen, er wordt heel hard gewerkt. Er zijn vijftien hbo-opleidingen die problemen hebben, op een totaal van 1200.’ Van Rooy: ‘We leven in een incidentensamenleving, waarbij de indruk wordt gewekt dat zo’n incident het totale beeld is. Ik verbaas me over het gemak waarmee het oordeel door iedereen wordt overgenomen voordat de waaromvraag is gesteld. Het probleem ontstond door een verouderd bekostigingsmodel, onvoldoende aandacht voor de kwaliteit van docenten en overmatige concentratie bij sommige hogescholen in de jaren negentig.
Daar heeft de overheid zelf ook een aandeel in gehad. Je kunt niet bij de top willen horen en tegelijkertijd elk jaar per student minder geld investeren. Je kunt heus meer ICT in het onderwijs brengen, maar het persoonlijke contact met de docenten blijkt toch de sleutel tot het studiesucces. En daar is geld voor nodig.’

Een universiteit of een hogeschool is volgens beide kroonleden geen marktinstelling. Van Rooy: ‘Wij zijn geen koekjesfabriek. Onze taak ligt in goed kwalitatief onderwijs, onderzoek en kennisvalorisatie. Dat is iets anders dan elk jaar winst maken.’ Bussemaker: ‘Het gaat er niet alleen om dat studenten een diploma behalen, het moet vooral een goed diploma zijn.’  

Kroonleden met bestuurservaring
De kroonleden Yvonne van Rooy en Jet Bussemaker maakten deel uit van de SER-commissie die het advies Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap in krap een maand tot stand heeft gebracht. Van Rooy was voorzitter van de voorbereidingsgroep. De hoofdlijn van het advies: meer differentiatie, een hogere onderwijskwaliteit, een andere vorm van bekostiging en meer overheidsinvesteringen. Dat is allemaal nodig om tot de top vijf van kenniseconomieën in de wereld te behoren. Het advies werd half april vastgesteld. Van Rooy is sinds 2004 voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht. Daarvoor bekleedde ze diezelfde functie bij de Universiteit van Tilburg. Ook was ze lid van de Tweede Kamer en staatssecretaris van Economische Zaken in de kabinetten Lubbers I en II. Bussemaker is sinds dit jaar lid van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam. Ze was staatssecretaris Volksgezondheid, Welzijn en Sport in het kabinet-Balkenende IV en daarvoor lid van de Tweede Kamer, namens de PvdA. Tussen 1987 en 1993 was ze (deeltijd) universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam en van 1993 tot 2007 aan de Vrije Universiteit.