Van hulp naar handel
Meer economische zelfredzaamheid, minder charitatieve projecten. Die koerswijziging heeft het kabinet bij ontwikelingssamenwerking ingezet. De SER gaat adviseren over de rol die de Nederlandse private sector daarbij kan spelen.
Berber Bijma
Minder pretentie, meer ambitie. Dat is de inzet van het huidige kabinetsbeleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Het beleid is onder meer gebaseerd op een rapport dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR ) in 2008 onder diezelfde titel uitbracht. Geen hulpprojecten om de armoede in het Zuiden te bestrijden, maar handel op basis van een gelijkwaardige relatie. De opbrengst daarvan kan in het Zuiden naar eigen inzicht en door eigen mensen worden besteed, bijvoorbeeld aan gezondheidszorg en onderwijs. Op dit moment wordt nog driekwart van het Nederlandse ontwikkelingsbudget (0,7 procent van het bruto nationaal product) besteed aan gezondheidszorg en onderwijs en een kwart aan infrastructuur, landbouw en economische bedrijvigheid. Staatssecretaris Ben Knapen (Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) wil die verhouding de komende jaren aanpassen: minder geld naar de ‘klassieke hulp’ en meer naar het opbouwen van handelsrelaties. Die handelsrelaties moeten er gaandeweg voor zorgen dat landen zelfredzaam worden. Welbegrepen eigenbelang speelt daarbij ook mee, want die handel komt het Westerse bedrijfsleven ook ten goede. De staatssecretaris heeft de SER in dit verband om advies gevraagd. Hij wil weten wat de bijdrage van het bedrijfsleven kan zijn aan de invulling van het nieuwe beleid: hoe kan de Nederlandse private sector duurzame en volwaardige werkgelegenheid in ontwikkelingslanden stimuleren en daardoor aan armoedebestrijding bijdragen?
Die vraag is al vaker gesteld. Naast het WRR -rapport uit 2008 – dat in brede zin over ontwikkelingshulpbeleid gaat – ligt er onder meer een rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AI V) uit 2006, over de ontwikkeling van de private sector in ontwikkelingslanden. Aad van der Velden, lid van de commissie ontwikkelingssamenwerking van de AI V, is zelfs enigszins verbaasd dat de staatssecretaris een nieuw advies vraagt. ‘Er lígt een gedegen advies. Maar wat het SER-advies wellicht kan toevoegen, is een verdere invulling van de rol van het Nederlandse bedrijfsleven. Ons advies gaat met name over lokale bedrijvigheid in ontwikkelingslanden.’ Naar zijn mening is de invloed die het Nederlandse bedrijfsleven kan hebben op armoedebestrijding, niet zo groot.
‘De Nederlandse private sector kan met name een rol spelen in het vervullen van de voorwaarden voor ontwikkeling van het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden: een goede fysieke en financiële infrastructuur, ontwikkelen van risicoverminderende instrumenten als garanties en verzekeringen en overdracht van kennis.’ Handel – onder eerlijke condities – is volgens Van der Velden van groot belang voor armoedebestrijding omdat het ontwikkelingslanden toegang geeft tot internationale markten, maar kan niet zonder de klassieke hulp. ‘Gericht Investeren in gezondheidszorg en onderwijs blijft nodig. Met slecht opgeleide of zieke mensen kun je immers niet produceren.’
Bovendien heeft hij moeite met een primair economisch gedreven relatie, vooral als dit onder het mom van ontwikkelingssamenwerking gebeurt. ‘Het verplaatsen van productieprocessen naar het Zuiden bijvoorbeeld is geen ontwikkelingshulp, want het gebeurt op basis van puur economische argumenten: arbeid is daar goedkoper. Het is niet primair bedoeld om een land vooruit te helpen. Als dat wel het geval is, is dat mooi meegenomen, maar noem het dan geen ontwikkelingssamenwerking.’
Het risico van het voorgenomen kabinetsbeleid is volgens Van der Velden dat ‘echte’ hulp, waarbij het belang van een ontwikkelingsland vooropstaat, ondergeschikt wordt gemaakt aan het eigen economisch belang. ‘Dan helpt het misschien wel, maar het motief is niet zuiver.’
Verduurzaming
Joost Oorthuizen, directeur van het Initiatief Duurzame Handel (IDH), onderkent dat risico. Het IDH werkt aan verduurzaming van internationale handelsstromen, onder meer in ecologisch en sociaal opzicht. ‘We moeten het eigenlijke doel van de hulp voor ogen blijven houden: duurzame, in alle opzichten verantwoorde economische groei in ontwikkelingslanden. Het is prima als wij er ook aan verdienen, maar dat mag niet het hoofddoel zijn.’
Dit vooropgesteld ziet Oorthuizen toch grote kansen om economische groei in ontwikkelingslanden te stimuleren via het Nederlandse bedrijfsleven. Liever spreekt hij van ‘het in Nederland gevestigde bedrijfsleven’, om ook hoofdkantoren van internationale bedrijven mee te rekenen. ‘Rotterdam is met zijn haven de draaischijf van de Europese handel. Aan de cacao, soja, palmolie, thee en vele andere goederen die via Rotterdam Europa ingaan, zit het belang van miljoenen boeren vast.’
Die belangen worden steeds meer gehonoreerd, omdat de producten van boeren uit ontwikkelingslanden steeds harder nodig zijn met het oog op de dreigende schaarste van grondstoffen. Oorthuizen: ‘Het Westerse bedrijfsleven verduurzaamt steeds meer. Niet als vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar simpelweg uit noodzaak. Daarmee zorgt het Westerse bedrijfsleven rechtstreeks voor armoedebestrijding. Unilever wil bijvoorbeeld in 2020 alle productketens duurzaam hebben en Mars wil vanaf 2020 alleen nog maar duurzame cacao gebruiken. Dat is nog eens wat anders dan de 1 procent omzet die grote bedrijven tien jaar geleden inzetten voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.’ ‘Handelsketens zijn de verbindende factor die zorgen voor een win-winwin-situatie: verlicht eigenbelang van bedrijven, impact op de Nederlandse economie én op die van ontwikkelingslanden’, zegt Oorthuizen.
‘Verduurzaming van productketens betekent dat bedrijven investeren in de productiviteit van bijvoorbeeld boeren in ontwikkelingslanden. Duurzame handel in bijvoorbeeld cacao, palmolie, suikerriet en soja heeft daarom een gigantisch effect, niet alleen op ecologische ontwikkelingen, maar ook op armoedebestrijding.’ Oorthuizen wil handel en klassieke ontwikkelingshulp niet tegen elkaar uitspelen. ‘Iedereen is met het goede bezig. Maar verduurzaming van handelsketens heeft een vele malen groter effect dan – met alle respect – ontwikkelingshulp ooit zou kunnen hebben.’
Heineken: meer dan bier Bierbrouwer Heineken, zeer actief in Afrika, biedt al jaren basisgezondheidszorg voor werknemers en hun families, met onder meer hiv/aids-bestrijding. De Heineken Africa Foundation, in 2009 begonnen, heeft het bereik van die zorg verruimd. De projecten komen vaak de totale gemeenschappen rond de brouwerijen ten goede. Niet alleen die gemeenschappen, maar ook de multinational zelf heeft daar belang bij. Sterker nog, die twee zijn lastig te scheiden, zegt Katinka van Cranenburgh van de Foundation. ‘Wij zijn verweven met de gemeenschappen waarin we werken. Deze mensen zijn onze buren, onze consumenten, onze potentiële of daadwerkelijke leveranciers. Onze projecten hebben een positief effect op het gehele systeem waarvan wij ook zelf deel uitmaken. Na tien jaar hiv/aids-beleid zien we dat we een verschil maken. Niet dat de mondiale aidsepidemie er significant kleiner van wordt, maar binnen gemeenschappen werpen de projecten hun vruchten af.’ Van Cranenburgh is voorstander van handel als voertuig voor algehele ontwikkeling van een land, maar dat mag volgens haar niet andere vormen van hulp verdringen. ‘Je moet niet de economie een boost geven en maar hopen dat dat z’n effecten heeft op gezondheidszorg en onderwijs. Ik zie meer in geïntegreerde programma’s, waarbij je er bijvoorbeeld voor zorgt dat binnen een gemeenschap een ziekenhuis gekoppeld wordt aan commerciële activiteiten. Als je een vast deel van de opbrengsten investeert in het ziekenhuis, zorg je voor een duurzame relatie.’ |