‘Gericht onderwijs verlaagt jeugdwerkloosheid’
De beroepsbevolking telt steeds minder jongeren. Toch is de jeugdwerkloosheid de laatste jaren toegenomen. Gerichte scholing kan helpen, zegt SER-kroonlid Hans Kamps. Hij is voorzitter van de SER-commissie Toekomstige Arbeidsmarktpositie Jongeren (TAJ), die binnenkort een advies uitbrengt over de arbeidsmarkt voor jongeren.
Felix de Fijter
De SER dook op eigen initiatief in de thematiek van de toekomstige arbeidsmarktpositie van jongeren. ‘Omdat we constateerden dat die positie op dit moment niet rooskleurig is’, zegt Kamps. Dat is, gelet op de cijfers, geen overdreven conclusie. Waren er in het voorjaar van 2009 nog zo’n 94.000 jeugdwerklozen, dit jaar steeg dat aantal tot 107.000, zo meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het Actieplan Jeugdwerkloosheid van het laatste kabinet-Balkenende bood geen soelaas.
‘Er is door de verschillende crises een merkwaardige situatie ontstaan’, zegt Kamps. ‘Ondanks de ontgroening vallen meer jongeren buiten de boot. Dat leidt tot teleurstelling en motivatieverlies onder jongeren. Hun constatering is: enerzijds zeggen de regering en de babyboomers dat we zo belangrijk zijn, maar als we de schoolbanken verlaten, komen we niet aan het werk.’
Wat is de insteek van de commissie?
‘De vraagstelling is: hoe gaan we met onze toekomstige arbeidskrachten om, zijn er voldoende van en zijn ze gemotiveerd? Hoe zorgen we ervoor dat vraag en aanbod bij elkaar aansluiten? Mijn veronderstelling was dat de voorkeuren en afkeuren van jongeren anno 2010 sterk zouden afwijken van die van jongeren van tien, twintig en dertig jaar geleden. Maar opvallend genoeg ligt dat helemaal niet zo ver uit elkaar. In mijn jonge jaren wilden alle jongeren de wereld bestormen, was er geen behoefte aan vastigheid en al helemaal geen behoefte aan regelgeving. Maar naarmate we ouder werden, zagen we dat je toch een hypotheek moet afsluiten en moet denken aan je toekomst. Dan veranderen je voorkeuren. En dat is nu nog steeds zo. Er is alleen een lichte verschuiving op het gebied van de balans tussen privé en werk. Wij wilden vroeger vooral keihard werken, maar de jeugd van nu hecht ook veel waarde aan vrije tijd.’
Bent u ergens van geschrokken?
‘Ja. Het herstel na de crisis lost de werkloosheid van jongeren niet op, terwijl we daar toch op gehoopt hadden. De kwalificaties van jongeren sluiten niet aan bij de vraag op de arbeidsmarkt. Eén op vier jongeren heeft geen startkwalificatie. Bovendien zijn er tienduizenden jongeren die onder toezicht staan van Jeugdzorg. Ze zijn verwaarloosd en in hun jeugd buiten de boot gevallen. Je zou kunnen veronderstellen dat door de vergrijzing meer behoefte zal ontstaan naar jonge arbeidskrachten, maar die gedachte van ‘het komt wel goed’ is echt nergens op gebaseerd. Aan de ene kant staan er vacatures open, maar aan de andere kant voldoen jongeren niet aan ons ideaal.’
Hoe komt het dat veel jongeren niet kunnen voldoen aan de eisen die op de arbeidsmarkt gesteld worden?
‘Het probleem zit ’m in het onderwijs. Ik denk dat er binnen het onderwijs een trend is ontstaan om vooral aan te sluiten bij wat jongeren leuk vinden. Dat begrijp ik ook wel, maar het spannende van het onderwijs is dat je het zo kunt brengen dat jongeren het leuk gáán vinden. Want als je alleen maar ‘leuke’ vakken geeft, stoom je de jeugd dan wel voldoende klaar voor de arbeidsmarkt? Komt de relevantie van het onderwijs dan niet in het gedrang?
Een ander probleem zit in het voortgezet speciaal onderwijs (Vso). Als jongeren van 16, 17 jaar vanuit het Vso de arbeidsmarkt op proberen te komen, is de eerste boodschap die ze krijgen: je deugt niet voor de arbeidsmarkt. Dan solliciteer je als jongere ook niet, omdat je niet weet hoe het moet, of waar je terechtkunt. Vervolgens beland je in het keurslijf van de uitkering, waar je de rest van je leven niet meer uitkomt. Tot voor kort hoefde je als jongere met een Wajong-uitkering niet eens meer te solliciteren. Zo’n uitkering is te veel om dood te gaan en te weinig om een bestaan van op te bouwen.
Er moet geïnvesteerd worden. Minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin heeft het op zich goed gedaan. Hij was de eerste minister die een link heeft proberen te leggen tussen kwetsbaren, het onderwijs en de arbeidsmarkt. Maar er is meer nodig. De banden tussen het speciaal onderwijs en het bedrijfsleven moeten versterkt worden en bedrijven moeten financieel gecompenseerd worden voor productieverlies van een ‘zwakkere arbeidskracht’. Het moet voor een werkgever natuurlijk wel aantrekkelijk zijn kwetsbare jongeren in dienst te nemen.’
Is er ook sprake van een maatschappelijk probleem?
Jongeren hebben meer dan vroeger sociale problemen en gezondheidsproblemen. ‘Hoewel we hier niet specifiek naar gekeken hebben, merk je wel dat meer jongeren met ADHD en andere problemen te kampen hebben. Tegenwoordig wordt dat overigens sneller gediagnosticeerd dan vroeger. Daarnaast speelt opvoeding een rol. Er zijn bijvoorbeeld meer eenoudergezinnen dan vroeger. Dat is een van de factoren die instabiele situaties kunnen veroorzaken waardoor jongeren problemen krijgen.’
Hebt u een tweedeling geconstateerd tussen kansarme en kansrijke jongeren?
‘Ik weet niet of de hele commissie het hierin met mij eens is, maar ik denk wel dat die tweedeling er is, al vallen door de crisis beide groepen nu buiten de boot. Het is sterk afhankelijk van de opleiding die jongeren volgen. Kies je voor een ambacht als lassen, metselen of timmeren, dan is je kostje gekocht. Dan ben je in de juiste richting opgeleid. Maar volg je op het vmbo of mbo een pretopleiding, die geen concreet uitzicht biedt op de arbeidsmarkt, dan neemt je relevantie voor die markt af. Volg je bijvoorbeeld de mbo-opleiding voor jazzmuzicus dan is dat prima, maar als je vervolgens ieder uitzicht op een betaalde baan mist, dan is het de vraag of je verstandig hebt gekozen.’
Kan het beter?
‘Wel als er flink wordt geïnvesteerd in onderwijs. Ik wil de scholen de schuld niet geven van de jeugdwerkloosheid, want er komt zoveel op hen af, maar de school moet wel verantwoordelijkheid nemen. Jongeren krijgen nu een diploma en de school zegt: gefeliciteerd, het beste. Maar daarna gaat het fout, want de jongeren weten niet wat ze met het papiertje kunnen. Scholen kunnen in samenwerking met werkgevers veel goed werk verrichten om jongeren aan een baan te helpen. Het is mij in elk geval wel duidelijk geworden dat jongeren anno 2010 net zo bezig zijn met hun toekomst als mijn generatie. Al die boekjes over generatie X en de patatgeneratie heb ik in de prullenbak gegooid. Allemaal onzin. Jongeren zijn net zo geïnteresseerd in hun omgeving en met hun loopbaan bezig als voorgaande generaties. De jongeren zijn niet veranderd, de situatie is veranderd.’