Home | Publicaties | SERmagazine | 2010 | maart 2010 | Prof.dr. Hans Schenk treedt aan als plaatsvervangend kroonlid

Prof.dr. Hans Schenk treedt aan als plaatsvervangend kroonlid

‘Veel economen hebben een verwrongen kijk op de werkelijkheid’

Hij leidde de afgelopen maanden het wetenschappelijk onderzoek voor de parlementaire commissie-De Wit die de kredietcrisis onderzocht. Begin februari werd prof.dr. Hans Schenk door het kabinet voorgedragen als plaatsvervangend kroonlid van de SER. Een van de schaarse economen met verstand van bedrijven.

Redmar Kooistra

Hij is min of meer bij toeval econoom geworden. ‘Ik was nogal jong klaar met de middelbare school en weliswaar geen veelbelovende voetballer, maar kon als rechtsbenige ook met links overweg. Ik speelde in de eerste klas amateurs bij Rapid in Maastricht. Ik wilde iets gaan doen waarbij ik tegelijkertijd wijzer werd, maar ook kon sporten. Die mogelijkheid deed zich voor in Nyenrode, een tamelijk modern instituut waar nieuwe vakken als sociologie werden gegeven en waar je uitgebreid kon sporten. Dat sprak me aan. Daarna kreeg ik een uitnodiging om verder te studeren aan de Universiteit van Oregon én te voetballen. Soccer kwam daar toen op, met mensen als Kootje Prins en Theo Laseroms, die ook naar Amerika vertrokken. Ik behoorde eigenlijk meer tot het tweede garnituur, maar kon op universiteitsniveau wel wat betekenen. Dus ging ik naar Amerika voor een opleiding bedrijfskunde. Toen ik verder wilde voor een masterdegree, kon ik doorstuderen in Leuven, waar ze een uitwisselingsprogramma hadden met de Cornel University.

Dat was wel handig, want daardoor was ik wat dichter bij mijn vriendin, die in Tilburg studeerde. Onder invloed van Galbraith raakte ik in de ban van economie. Met overlappende vakken kon ik zowel in economie als bedrijfskunde mijn masters halen. Dat bleek in mijn verdere carrière tamelijk bijzonder, omdat er maar weinig economen zijn die verstand hebben van het bedrijfsleven en er omgekeerd ook maar weinig bedrijfskundigen zijn die verstand hebben van economie. Ik vond die combinatie als het ware per ongeluk. En vervolgens kreeg ik aan de Universiteit van Groningen een baan precies op het snijvlak van die twee vakken.
We zijn nu dertig jaar verder, maar die combinatie is nog steeds heel bijzonder. Nog steeds begrijpen economen en bedrijfskundigen weinig van elkaar.’

Heeft u daar al die jaren nooit spijt van gehad?
‘Economen zijn vooral bezig met anonieme processen, die achter het bureau worden bedacht. En bedrijfskundigen houden zich vooral vanuit het perspectief van bestuurders bezig met het succesvol maken van een onderneming. Die combinatie van economie en bedrijfskunde boeit me nog steeds. Economen gaan er vaak voetstoots van uit dat ondernemingen zich door de markt gedwongen voegen naar het algemeen belang. Maar in de praktijk blijkt dat ondernemingen zich langdurig aan die veronderstelling kunnen onttrekken.’

Waarom heeft u erin toegestemd om kroonlid te worden?
‘Ik weet niet precies waarom ik gevraagd ben, maar ik vind het een grote eer. De SER is voor mij altijd een zeer belangrijk instituut geweest. Als ik me daar in het verleden anders over had uitgelaten, als ik in publicaties had beweerd dat het tripartiete model in Nederland
onzinnig is en dat we er zo snel mogelijk van af zouden moeten, dan was ik vast niet gevraagd. Ik heb veel advieswerk gedaan voor zowel werkgevers als werknemers. De meeste academische economen willen dat niet, want daarmee scoor je geen wetenschappelijke punten op de gangbare lijstjes. Bovendien moet je dan reële problemen helpen oplossen. Daar zijn economen niet zo goed in. In advieswerk word je vaak met je neus gedrukt op irrationeel gedrag. Door onvoldoende informatie wordt nogal eens beleid in praktijk gebracht dat een econoom voor onmogelijk houdt. Zo kunnen ondernemingen zich te buiten gaan aan risicovolle activiteiten als overnames, zonder goed uit te rekenen of dat wel kan. En vervolgens zitten bestuurders vaak met de handen in het haar over wat ze moeten doen om zo’n overname rendabel te krijgen. Ook ondernemingsraden, die vaak mijn hulp inroepen om te reageren op adviesaanvragen, ontberen nogal eens informatie die nodig is om beleidsinitiatieven goed te kunnen toetsen.’

De SER heeft zo zijn eigen problemen, zoals het mislukken van het AOW-advies...
‘Hoewel ik mij met dit vraagstuk niet echt heb beziggehouden, is mij opgevallen dat de wetenschappelijke voorbereiding van de verschillende
standpunten beter had gekund. Het is een moeizame discussie geworden, die in hoge mate door één visie is gedomineerd. Ik denk dat de vakbeweging zich onnodig hard heeft opgesteld. Er was wel wat aan te wrikken geweest. Dat zou voor de SER, voor de vakbeweging en voor onze economie beter zijn geweest. Maar helaas groeien zaken soms uit tot een prestigekwestie. Ik acht het de taak van de kroonleden om in zulke gevallen de nuance af te dwingen.’

Verzwakt het de positie van de SER als een advies mislukt?
‘Tijdelijk in elk geval wel, maar op den duur valt dat mee. Alle partijen zijn het erover eens dat de SER een belangrijke rol speelt in de maatschappij. Die wordt niet met één mislukking of teleurstelling teniet gedaan. Bovendien, met Rinnooy Kan als voorzitter heeft de SER iemand met uitzonderlijke kwaliteiten die de raad uit het slop kan halen als deze daarin al beland zou zijn. Maar hij zal het zeker niet prettig hebben gevonden. Het debat rond de AOW is overheerst door een klassieke, statische visie op de economie. Dan zie je al gauw de enorme problemen die op ons afkomen. Er zijn natuurlijk wel problemen, maar die moeten niet overdreven worden. Er is genoeg tijd om daar verstandig beleid voor te ontwikkelen. Anderzijds is er geen reden te bedenken waarom mensen net als dertig jaar geleden nog steeds op hun 65ste met pensioen zouden moeten gaan. Waarom mag dat niet 67 of misschien 70 worden? Dat houdt ze misschien nog wel fit ook. Voor beide standpunten was wel iets te zeggen, maar men had een stap vooruit kunnen komen.’

Heeft u voor de commissie-De Wit de oorzaak van de kredietcrisis ontdekt?
‘Dat behoorde niet tot onze opdracht. Mij is wel duidelijk geworden dat de economische discussie in Nederland, net als in de Verenigde Staten, vrijwel volledig wordt gedomineerd door wat wij de mainstream economie noemen. En die heeft zichzelf opgezadeld met een wat verwrongen kijk op de werkelijkheid. De werkelijkheid wordt geacht zich geheel te gedragen volgens de wetenschappelijke modellen die met veel vernuft in elkaar zijn geknutseld. Zo meenden economen heel lang dat bonussystemen managers goed bij de les konden houden, maar in de praktijk bleek het tegendeel het geval. Even buurten bij psychologen of politicologen had veel ellende kunnen voorkomen, maar dat is niet populair. Ook werd verondersteld dat markten voor elk probleem een oplossing kennen. Dat is de ruggengraat van hun benadering. En dus is er onder aanvuring van academische economen een paar decennia lang stevig op los geliberaliseerd en geprivatiseerd. Dat financiële
markten zonder publieke zingeving en toezicht veel problemen kunnen veroorzaken, ondervinden we nu aan den lijve. Gelukkig keren sommige economen nu op hun schreden terug. Maar ik kan een glimlach soms moeilijk onderdrukken als ik zie dat economen die tot voor kort de vrije markt bewierookten, nu ineens voor ingrepen pleiten in de vrijheid van marktpartijen. Een instituut als de SER kan ook hier zorgen voor de nodige reflectie en nuance.’

Wie is Hans Schenk?
Hans Schenk stond acht jaar geleden aan de wieg van het nieuwe departement Economie aan de Universiteit van Utrecht. Daarvoor was hij als hoogleraar onder meer werkzaam in Rotterdam, Straatsburg en Tilburg. Hij geldt als een van de voornaamste Nederlandse economen op het gebied van fusies en overnames, regulering en corporate governance. In 1995 waarschuwde Schenk al voor problemen als gevolg van de toen opkomende nieuwe vormen van bankieren met het geld van spaarders.

Wetenschapper voor de commissie-De Wit
Prof.dr. Hans Schenk leidde de afgelopen maanden een team van wetenschappers dat de kredietcrisis onderzocht. Dat gebeurde in opdracht van de Tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel, de commissie-De Wit, ingesteld door de Tweede Kamer.
Het wetenschappelijke team bestond behalve Schenk uit twee economen, twee juristen en drie advocaten. Zij onderzochten de Nederlandse wet- en regelgeving voor financiële markten en instellingen en deden daarnaast onderzoek naar de ontwikkelingen in financieel toezicht.
De kamercommissie-De Wit werd vorige zomer ingesteld. De acht Kamerleden van verschillende partijen die samen de commissie vormen, staan onder leiding van SP’er Jan de Wit. De commissie onderzoekt (de oorzaak van) de problemen in het financieel stelsel en bekijkt of kabinet, Kamer en toezichthouders daar adequaat op hebben gereageerd.
In januari en februari hield de commissie drie weken lang openbare hoorzittingen. Onder de 39 ondervraagden waren onder meer minister van Financiën Wouter Bos, president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank, oud-minister Gerrit Zalm en voormalig ABN Amro-topman Rijkman Groenink. Wellink werd als enige tweemaal verhoord.
De commissie-De Wit brengt naar verwachting dit voorjaar verslag uit over het eerste deel van de onderzoeksvraag, naar de problemen in het financieel stelsel en hun oorzaken. De vraag naar de reactie van kabinet, Kamer en toezichthouders wordt waarschijnlijk pas in het najaar beantwoord.
 
SERmagazine maart 2010

Inhoudsopgave