Biomassa heeft de toekomst
Een biobased economy biedt Nederland grote kansen, stelt het SER-advies Meer chemie tussen groen en groei. Maar dan moeten we vooral inzetten op hoogwaardige toepassingen van biomassa. Want biomassa kan eindige grondstoffen vervangen en een economie zonder afval dichterbij brengen.
Walter Baardemans
Het advies van de SER -commissie Duurzame Ontwikkeling schetst een integrale strategie voor hoe het verder moet met biomassa in Nederland. Een strategie met vier pijlers: wereldwijd bevorderen van verduurzaming van biomassa, blijvend stimuleren van innovatie, investeren in hoogwaardige toepassingen van biomassa en werknemers goed voorbereiden op nieuwe werkwijzen.
De huidige economie maakt nog veel gebruik van fossiele grondstoffen zoals olie voor brandstoffen en producten. Het vorige kabinet streefde volgens de nota De keten sluiten (2007) naar een overgang naar een biobased economy. Het kabinet vroeg de SER in 2009 om advies uit te brengen over de Nederlandse perspectieven in een biobased economy.
Kansen en dilemma’s
In een biobased economy dient biomassa, zoals planten, gewassen, snijafval en mest, als grondstof voor niet-voedseltoepassingen.
Zo kan bio-ethanol uit suikerbieten worden gebruikt voor biodiesel en kan hennep worden toegepast voor vezelversterkte kunststoffen. Een speciale toepassing vormt de ‘natte teelt’; de kweek van zeealgen die kunnen worden gebruikt om olie te produceren.
Maar groen is niet altijd zo duurzaam als het lijkt. Waar suikerriet wordt verbouwd voor biodiesel, groeit geen voedsel. En voor palmolie uit soja worden volgens critici grote delen van tropisch oerwoud gekapt. Bovendien schort het in het buitenland nog wel eens aan goede arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden op plekken waar groene grondstoffen worden verbouwd.
Het SER -advies bekijkt voor Nederland de ‘kansen en dilemma’s van een biobased economy’. Volgens de commissie Duurzame Ontwikkeling liggen er voor ons land grote kansen, maar zijn er duidelijke keuzes nodig. Nederland zou zich met de hier aanwezige hoogwaardige technologische kennis en sterke chemische sector vooral moeten richten op hoogwaardige toepassingen van biomassa.
Trapsgewijs
Colette Alma, directeur van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI), vertegenwoordigde in de commissie de werkgevers. Belangrijkste winst van het advies is volgens haar dat sociale partners en milieubeweging samen een weg hebben uitgestippeld richting een biobased economy. Alma: ‘We delen de visie dat biomassa voor de toekomst een van de belangrijkste grondstoffen is. Als Nederland daar goed gebruik van maakt, liggen er economische kansen.’ De commissie adviseert een trapsgewijze inzet van biomassa. Alma: ‘Gebruik biomassa eerst voor hoogwaardige toepassingen, maak van wat overblijft andere hoogwaardige producten en gebruik pas de laatste restanten voor energietoepassingen.’
Sijas Akkerman, hoofd landbouw en economie van Stichting Natuur & Milieu, sprak in de commissie mee namens de milieuorganisaties. Hij is blij met die opstelling van de werkgevers.
Akkerman: ‘Het bedrijfsleven erkent dat biomassa niet moet worden ingezet voor het gebruik van biobrandstoffen en dat het huidige stimuleringsbeleid van biobrandstoffen niet de juiste weg is. Het SER -advies zegt over biobrandstoffen min of meer: ‘even pas op de plaats’. Daarmee lijken de werkgevers de overheid in te halen.’
Sociale aspecten
Els Bos, manager beleid van de vakcentrale FNV, had in de discussies vooral oog voor de positie van de werknemers. ‘Bij verduurzaming worden sociale aspecten snel onderbelicht. Daar hebben we goed op gelet’, zegt zij. ‘Je moet bij veranderingen in arbeidsprocessen mensen tijdig voorbereiden, zodat zij zich fatsoenlijk kunnen aanpassen en kwalificeren. Daar horen ook mogelijkheden bij voor om- en bijscholing.’ Belangrijk is voor de vakbeweging ook dat het werkelijk om duurzame vernieuwingen gaat; in Nederland, maar ook buiten de landsgrenzen. De internationale duurzaamheidscriteria waren daarom voor de vakbonden een belangrijk issue. Bos: ‘Je wilt dat er bij de productie van (bio)grondstoffen goede arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden aanwezig zijn, ook in het buitenland. Dat is lastig vanuit Nederland te regelen. Door te wijzen op internationale standaarden van de International Labour Organization (ILO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), zijn we daar toch uitgekomen.’
Minimumcriterium
Nederland moet zich blijven inzetten voor internationale duurzaamheidafspraken. Maar als we internationaal minder ver komen dan we zouden willen, dan zou Nederland met aanvullend beleid moeten komen, vindt Akkerman: ‘De overheid moet voor de Nederlandse consument transparant maken waar de biomassa vandaan komt en onder welke omstandigheden die geproduceerd is.’
Volgens Alma stelt het advies dat de ontwikkeling naar een biobased economy moet passen binnen de draagkracht van de aarde. ‘Daar zijn wij het als werkgevers hartgrondig mee eens.’ Maar innovaties mogen niet geremd worden door te snel te scherpe duurzaamheidscriteria te stellen. ‘Technologie moet de kans hebben om zich te ontwikkelen. Een minimumcriterium is daarom dat de groene grondstof in elk geval duurzamer is dan hetgeen vervangen wordt.’
Nederland heeft er het grootste belang bij dat ons land een belangrijke speler wordt in de biobased economy, zegt Alma. Daarom moet het kabinet nu een plan maken over hoe Nederland zich verder wil ontwikkelen. ‘Omdat de chemie-, agro-, voedsel- en energiesector van dezelfde grondstoffen gebruik gaan maken, zullen die sectoren nauwer moeten samenwerken. Dat wordt heel belangrijk.’ Bos is dat met haar eens: ‘De overheid kan een belangrijke rol spelen bij het stimuleren van die samenwerkingsverbanden; dat is misschien nog wel belangrijker dan een pot subsidie in het midden zetten.’
Of de biobased economy uiteindelijk oplevert wat nu wordt beloofd, moet volgens Bos nog wel blijken. ‘Om de ontwikkelingen de goede kant op te kunnen sturen, moeten sectoren op de hoogte blijven van wat er speelt en moeten afspraken worden gemaakt.’ Zij is daarom blij dat het advies gevolgd wordt door een werkconferentie. ‘Op die manier tonen we daden en we laten we het niet alleen bij woorden.’