Home | Publicaties | SERmagazine | 2009 | artikelen september 2009 | Werk aan preventie en grenswaarden

Werk aan preventie en grenswaarden

Beroepsallergie de baas

Werkgevers en werknemers gaan samen de strijd aan tegen beroepsallergieën.
Dat staat in het SER-advies over inhaleerbare allergenen op de werkplek. Aan de ene kant komen er preventieve maatregelen, aan de andere kant komen er normen voor veilige concentraties van allergene stoffen op de werkplek. 


Berber Bijma

Bakkersastma is misschien wel het bekendste voorbeeld: door jarenlang kleine meelstofdeeltjes in te ademen kan iemand die in een bakkerij werkt ‘bakkersastma’ ontwikkelen, een beroepsziekte die arbeidsongeschikt kan maken en nauwelijks te genezen is. Maar er zijn talloze andere voorbeelden, blijkt uit het rapport Aanpak inhaleerbare allergene stoffen op de werkplek dat de SER-commissie Arbeidsomstandigheden in juli heeft aangeboden aan minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ook mensen die bijvoorbeeld met (proef)dieren werken, in een kapsalon, in de voedingsmiddelen-, cosmeticaof farmaceutische industrie of in de gezondheidszorg kunnen tijdens hun werk stoffen inademen die mogelijk een allergische reactie veroorzaken.
De ontwikkeling van overgevoeligheid voor bepaalde stoffen blijft de eerste tijd vaak onopgemerkt. De werknemer heeft nog geen allergische reacties, maar is al wel ‘gesensibiliseerd’. Dat kan medisch worden vastgesteld aan de hand van de reactie van het immuunsysteem, maar niet eens in alle gevallen. Bij herhaalde blootstelling aan de stof waarvoor een werknemer overgevoelig is geworden, kan de sensibilisatie als allergie zichtbaar en/ of voelbaar worden en overgaan in beroepsastma of een andere chronische kwaal. Dat kan leiden tot langdurige arbeidsongeschiktheid.

Twee sporen
De SER-commissie Arbeidsomstandigheden adviseert de minister een tweesporenbeleid te volgen in de strijd tegen inhaleerbare allergenen. In de eerste plaats moeten sociale partners op korte termijn samen een landelijke leidraad voor een preventieve aanpak opstellen. In die leidraad komt te staan hoe blootstelling aan inhaleerbare allergenen kan worden voorkomen of geminimaliseerd. De leidraad bevat praktische maatregelen en gaat ook in op de risico-inventarisatie en -evaluatie (RIE) en op de voorlichting aan werknemers. Werkgevers en werknemers verwachten dat de leidraad mede kan worden gebruikt voor het ontwikkelen van arbocatalogi op sector- en brancheniveau.
Het tweede spoor dat de commissie voorstelt, is het ontwikkelen van grenswaarden en/of referentiewaarden voor allergene stoffen. Er zijn ongeveer tweehonderd stoffen bekend die bij bepaalde beroepsgroepen voor allergische reacties kunnen zorgen. Die stoffen moeten eerst op een landelijke voorlichtingslijst komen, vindt de commissie. De komende jaren moet worden vastgesteld welke concentratie onschadelijk is voor iemand die veertig jaar lang in een volledig dienstverband met die stoffen werkt. In sommige gevallen is die grenswaarde niet vast te stellen, bijvoorbeeld omdat een onschadelijke concentratie simpelweg te laag is om te meten.

Voor die gevallen moet volgens de commissie een blootstellingsgrens berekend worden die overeenkomt met een ‘aanvaardbaar risico’ van 1 procent sensibilisatie. Dat wil zeggen dat na veertig jaar fulltime werken bij deze blootstellingsgrens maximaal 1 procent van de werknemers gesensibiliseerd wordt.
De commissie doet de aanbeveling dat de Gezondheidsraad het onderzoek uitvoert naar de ‘veilige’ concentraties van allergene stoffen en dat de SER blijft toetsen wat de praktische haalbaarheid is van die normen. Met die laatste stap wil de commissie voorkomen dat er gedoogsituaties ontstaan door opgelegde normen die in de praktijk niet haalbaar zijn.

Allergietest
De commissie vindt verder dat de gezondheid van werknemers die met allergenen werken, goed in de gaten gehouden moet worden. Mogelijk kunnen studenten tijdens hun beroepsopleiding al allergietests krijgen, om hen te behoeden voor een beroepskeuze die in hun eigen nadeel zal uitpakken.
Daarnaast stelt de commissie aan de minister voor om na te gaan of het mogelijk en wenselijk is tijdens een aanstellingskeuring van een potentiële werknemer te kijken naar overgevoeligheid voor stoffen waarmee hij of zij op de werkplek in contact komt. Onder meer vanwege de privacywetgeving is dat een complexe maatregel.


‘Hoe vroeger allergie bekend is, hoe beter’
De SER -commissie Arbeidsomstandigheden werkte acht maanden aan het rapport over inhaleerbare allergenen en kwam vervolgens met een unaniem advies. ‘Er moest veel gepraat worden’, zegt Werner Raes, onafhankelijk lid van de commissie. ‘Gaandeweg ontstond het bewustzijn dat inhaleerbare allergenen een probleem vormen waar werknemers en werkgevers samen iets aan moeten en kunnen doen.’
Met name het vaststellen van grenswaarden en aanvaardbare risico’s was een moeilijk punt, zegt Raes. ‘Deze normering was vooral voor werknemers belangrijk, omdat je daarmee zorgt voor gelijke behandeling van verschillende beroepsgroepen.’ Het aanvaardbare blootstellingsrisico is nu vastgesteld op 1 procent. Dat is op het eerste gezicht een strenge norm, maar in het bakkersvak, waarin in Nederland zo’n 30.000 mensen werkzaam zijn, gaat het volgens Raes dan toch nog om een behoorlijk aantal mensen. ‘Toch zou het een hele verbetering zijn, want we komen van een situatie waarin meer dan 10 procent van de werknemers gesensibiliseerd raakt.’
Bakkers zijn een veel aangehaald voorbeeld in de discussie over inhaleerbare allergenen omdat er juist in die beroepsgroep al veel aandacht voor is. Met de landelijke leidraad, de landelijke lijst van allergene stoffen en de uniforme normen wil de SER -commissie dat bewustzijn vergroten naar meerdere branches. ‘We hopen dat de sensibilisering door allergene stoffen afneemt, maar dat de sensibilisering voor dit onderwerp toeneemt. Het gesprek over allergieën moet naar de werkvloer’.
Het kan nog enige jaren duren voor de Gezondheidsraad voor de belangrijkste allergene stoffen de ‘veilige’ concentratie heeft vastgesteld. Raes: ‘We hopen dat Europese samenwerking dat langzame spoor enigszins kan versnellen. Ondertussen moet de minister samen met de sociale partners het andere spoor, dat van de preventie, met de vaart van een hogesnelheidstrein nemen’. Hoe eerder een mogelijke sensibilisatie wordt aangetoond, hoe beter. ‘Als je gesensibiliseerd bent, kom je daar lastig af. Als je eenmaal beroepsastma hebt opgelopen, wordt dat nog veel lastiger. Daarom zou er eigenlijk al tijdens de opleiding getest moeten worden of iemand bijvoorbeeld allergisch is voor de urine van proefdieren.’ Ook de rechten en plichten van werkgevers rondom aanstellingskeuringen moeten nog eens onder de loep worden genomen.
‘Wij vragen de minister om te kijken of daar mogelijkheden voor zijn, ter bescherming van de werknemer zelf. Want uiteindelijk willen we natuurlijk allemaal dat de bakker broodjes blijft bakken.’