Nanodeeltjes zijn minuscule stofjes, veelal niet groter dan een duizendste deel van de diameter van een menselijke haar. Doordat ze zo klein zijn, hebben ze bijzondere eigenschappen die hen aantrekkelijk maken bij de productie van geneesmiddelen, cosmetica en verf. Maar de deeltjes kunnen ook gevaren opleveren voor de mensen die ermee werken. Minister Donner van Sociale Zaken heeft de SER hierover advies gevraagd.
Frits van Schaik
Op dit moment werken ongeveer 400 mensen in ons land met nanodeeltjes. De verwachting is dat dit aantal snel zal toenemen. De deeltjes bieden veel mogelijkheden. Zo zijn ze ‘doorzichtig’ voor zichtbaar licht en zijn ze in sommige gevallen reactiever dan een groter deeltje van een vergelijkbare stof. De toepassingsmogelijkheden zijn enorm in de farmaceutische industrie en bij de productie van verf en cosmetica.
Hun bijzondere eigenschappen kunnen ervoor zorgen dat de nanodeeltjes nieuwe en nog niet goed begrepen risico’s opleveren voor het menselijk lichaam. Proefdieronderzoek heeft dit ook aangetoond.
Zo goed als alle bedrijven en kennisinstellingen die met nanodeeltjes werken, nemen op dit moment dan ook al maatregelen om de blootstelling te beperken. Dat gebeurt door te werken met nanodeeltjes in een vloeistof of in een vast materiaal, door goede ventilatie en door persoonlijke beschermingsmiddelen. Of deze maatregelen, die gangbaar zijn voor de ‘traditionele’ stoffen, voldoende zijn, is nog niet bekend.
Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil daar meer over weten, stelt hij in een adviesaanvraag aan de SER-commissie Arbeidsomstandigheden. De minister vindt het belangrijk dat het bedrijfsleven voorzorgsmaatregelen neemt om blootstelling van de werknemers aan nanodeeltjes te voorkomen. Het advies van de SER moet dan ook een belangrijke bijdrage leveren aan de helderheid over en bekendheid van deze maatregelen.
“Dat is een goed streven”, zegt Fleur van Broekhuizen, werkzaam bij IVAM, een onderzoeks- en adviesbureau op het gebied van duurzaamheid dat enige jaren geleden is voortgekomen uit de Universiteit van Amsterdam en nu als zelfstandige bv opereert.
Romeinen
Het werken met nanotechnologie is in veel gevallen niets nieuws, zegt Van Broekhuizen. Binnen de natuurkunde, de scheikunde en de biologie wordt van oudsher al ‘met nano’ gewerkt: DNA, grote moleculen, eiwitten en vetten. Ze vallen allemaal onder het begrip nano. Zelfs in de Romeinse tijd verwerkte men al nanodeeltjes in glas, dat daardoor bij een veranderende lichtinval rood of groen kleurde.
Wat wel nieuw is, zegt Van Broekhuizen, is de mogelijkheid om nanostructuren heel precies te ontwerpen en te fabriceren. Nog steeds wordt nanotechnologie op glas gebruikt. Een modern voorbeeld is het aanbrengen van een dunne transparante coating met nanodeeltjes waardoor het glasoppervlak een zelfreinigende eigenschap krijgt. Theoretisch gezien, zegt Van Broekhuizen, kunnen glazenwassers wel inpakken als de glaspartijen van flatgebouwen van nanodeeltjes worden voorzien.
De verantwoordelijkheid voor de risico’s, en de daarbij behorende veiligheidsmaatregelen, ligt volgens haar in beginsel bij de bedrijven die de betreffende nanodeeltjes produceren of toepassen in hun producten. De producerende bedrijven zijn verantwoordelijk voor het leveren van de nodige gegevens op basis waarvan een risicoschatting voor mens en milieu gemaakt kan worden.
“Waar gewerkt wordt met nanodeeltjes of producten die deze deeltjes bevatten, moet je ervoor zorgen dat blootstelling aan deze deeltjes wordt vermeden. Dat betekent dus afscherming van huid, ogen en luchtwegen.
Of dat op dit moment afdoende gebeurt, is moeilijk te zeggen. Daarom is het goed dat de SER zich hierover buigt.”
Nanotechnologie staat niet meer geheel in de kinderschoenen, maar er is nog wel een wereld te winnen. Mogelijke toepassingen zijn bijna onuitputtelijk: waterzuiveringsmethoden, het opruimen van olievlekken, transparante verven, conservering van voedsel, de productie van medicijnen. Nanodeeltjes kunnen zelfs worden ingezet om bepaalde kankercellen op te ruimen. “Het is wel belangrijk om je voortdurend te blijven afvragen: wat gebeurt er met de nanodeeltjes na gebruik”, benadrukt Van Broekhuizen. “Verdwijnen ze? Blijven ze achter in het menselijk lichaam of in het milieu? Breken ze af? En zo ja: wat gebeurt er dan? Kunnen ze makkelijk worden teruggewonnen? Dus: onderzoek en nog eens onderzoek, ook op dit vlak.”
Blootstelling Dat beaamt Ferdy Bremmer, directeur van nanoTox in Maastricht. Het bedrijf in Zuid-Limburg is een kleine dochteronderneming van een Amerikaanse moeder in Houston die aan de hand van monsters onderzoek verricht naar de effecten van nanomateriaal op het menselijk lichaam. “We gaan ervan uit dat over een jaar of zeven wereldwijd alleen al in de biotechnologie zo’n 12 miljoen mensen werken met nanotechnologie, of bij de toepassing ervan betrokken zijn. De mogelijkheden zijn enorm.”
Bremmer erkent dat het werken met nanodeeltjes mogelijk negatieve gevolgen kan hebben op het menselijk lichaam. “De ambitie bij de ontwikkeling van het nanoproduct moet gewoon zijn dat er veilig mee gewerkt kan worden. Dus blootstelling eraan elimineren. Het mag niet zo zijn dat nanoproducten kunnen leiden tot bijvoorbeeld een carcinoom of aantasting van het DNA.”
Bremmer staat positief tegenover het te verwachten SER-advies over het veilig werken met nanodeeltjes. “Het is toe te juichen dat vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers en deskundigen zich hierover buigen. Ik hoop ook dat de SER in zijn advies zal aandringen op financiële steun van de overheid voor verder onderzoek naar de bestrijding van gevaren van het gebruik van nanotechnologie. Er is meer geld nodig.”
Asbest Daarmee sluit Bremmer naadloos aan op de adviesaanvraag van de minister die ook wil weten of de overheid een rol heeft bij de aanpak van nadelige gevolgen van nanotechnologie. Bremmer wijst de vergelijking met het gebruik van asbest van de hand. “Destijds hadden of namen we geen notie van de risico’s van asbest. Dat hebben we geweten. Met het omgaan met nanomaterialen is dat volstrekt anders.”
Ook Van Broekhuizen beaamt dat een vergelijking van nanobuisjes met asbest mank kan gaan omdat zij principieel anders zijn van structuur, maar zij benadrukt wel dat eerste onderzoeken reeds wijzen op vergelijkbare carcinogene effecten van langere nanobuisjes. “De toepassing van nanomaterialen vraagt om weloverwogen voorzorgsmaatregelen zolang er nog onvoldoende kennis beschikbaar is om een goede risico-evaluatie te maken.”
De commissie Arbeidsomstandigheden zal het advies over het werken met nanotechnologie naar verwachting begin volgend jaar uitbrengen.