Home | Publicaties | SERmagazine | 2008 | Artikelen november 2008 | “Niemand is onversneden voor globalisering”

“Niemand is onversneden voor globalisering”

Met een ongekende financiële crisis en een mogelijke recessie in het verschiet was het gesternte waaronder SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan en PvdA-Kamerlid Paul Kalma debatteerden over globalisering heel anders dan eind mei, toen de SER zijn advies over dit onderwerp publiceerde. Destijds waren beide heren het al oneens. Ook in hun ontmoeting vorige maand bleven ze op onderdelen van mening verschillen.

Redmar Kooistra

Het had ‘meer dan lichte irritatie’ opgeleverd, zei Alexander Rinnooy Kan over de kritiek die hij een half jaar geleden te horen kreeg van PvdA-Kamerlid Paul Kalma, bij de presentatie van het SER-advies over globalisering. Kalma’s kritiek dat het stuk onvoldoende blijk gaf van urgentie en onvolledig was in zijn uitwerking, raakte de SER-voorzitter behoorlijk.

Ze maakten daarom de afspraak tijdens een volgend debat uitvoeriger op de materie in te gaan. Dat gebeurde begin oktober. De bijeenkomst in Den Haag was georganiseerd door de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, waarvan Kalma eerder directeur was. Voor een zaal geïnteresseerde partijgenoten van Kalma volgde een diepgaande gedachtewisseling.

Rinnooy Kan had naar het debat uitgezien. In zijn opening zette hij het omvangrijke advies nog eens in grote lijnen uiteen. Hij wees erop dat globalisering in de vorm van verwevenheid van economieën eigenlijk al in de negentiende eeuw begon. Nieuw is volgens hem dat er met de opkomst van landen als China en India een verbreding optreedt in het proces. Ook is er sprake van verdieping, aldus Rinnooy Kan, waardoor globalisering “nieuw, interessant, maar ook steeds lastiger te voorspellen” is.

Onzekerheid

Onzekerheid was voor Kalma destijds al aanleiding kritische kanttekeningen bij het advies te zetten. Hij haalde in dit verband een uitspraak aan van president John F. Kennedy, in het boek ‘The Big Squeeze (Tough Times for the American Worker)’ van de Amerikaanse econoom Steven Greenhouse. Kennedy ging er destijds van uit dat economische groei vanzelf ook tot sociale vooruitgang leidt. “Dat was in de jaren vijftig en later inderdaad het geval”, zei Kalma. “Maar dat geldt niet voor deze tijd van globalisering. Het pakt voor de Amerikaanse werknemers slecht uit. Zonder de globalisering weg te doen, moet er wel veel aan veranderen.”

Kalma vindt het positief dat globalisering voor veel mensen een einde maakt aan armoede. Maar er zijn ook gevaren en dreigingen, zei hij. Het PvdA-Kamerlid constateert “groeiende ongelijkheid en een breuk tussen economische groei en sociale vooruitgang”. Hij voorspelde dat grote inspanningen (“bloed, zweet en tranen”) nodig zullen zijn om het financiële kapitalisme weer in het gareel te krijgen. Het beeld dat het SER-advies schetst is te zonnig, vindt Kalma. En dat geldt ook voor eerdere rapporten van het Centraal Planbureau en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. “Er is te veel consensus. Het kabinet doet daar ook aan mee”, zei de sociaaldemocraat.

Zorg

Rinnooy Kan bracht daar tegenin dat het niet moeilijk is een pessimistisch verhaal te verzinnen. Hij ontkende niet dat er enkele duizenden banen verloren kunnen gaan, bijvoorbeeld door verplaatsing van productie naar China. Maar er komen ook tienduizenden banen bij. “Netto heeft de globalisering Nederland veel opgeleverd. De grote transformatie van de economie hebben we betrekkelijk fatsoenlijk kunnen organiseren. Toch is er ook iets van zorg gegroeid. Mensen zijn niet meer onversneden voor globalisering. Daar is in het advies ook aandacht voor. Mensen vragen zich soms af: hebben we nog wel een keuze? Worden beslissingen niet elders genomen?”

“Onze bevoegdheden zijn niet gedelegeerd”, gaf hij zelf als antwoord. “Er is een nationaal domein, een nationale verantwoordelijkheid voor onderwijs, gezondheidszorg, arbeidsmarkt en sociale zekerheid. We moeten ons afvragen wat globalisering voor Nederland betekent en wat Nederland voor de globalisering kan betekenen. Duurzaamheid is daarbij niet gratuit. Nederland heeft de plicht, ook door zijn invloed in Europees verband, bij te dragen aan de kwaliteit van het effect van globalisering.”

Rendementen

Volgens Kalma is er als gevolg van toenemende concurrentie een grote druk op de arbeidsvoorwaarden, waarbij hij de vleesverwerkende industrie als voorbeeld noemde. Het nieuwe kapitalisme heeft samen met de financiële markten de regels veranderd, zei hij. “Het bedrijfsleven is in een permanent reorganisatieproces terechtgekomen, waarbij de vergoeding van de aandeelhouders wordt opgeschroefd. Die top-inkomens zijn ook al weinig verdedigbaar.”

Het PvdA-Kamerlid wees op nog een ander verschijnsel dat verband houdt met de inrichting van de economie en de samenleving. Daarbij gaat het om het verschil tussen het Angelsaksische model, dat de belangen van aandeelhouders vooropstelt, en het Rijnlandse model, dat ook aan werknemers een rol toekent en regelt dat er overleg is tussen sociale partners. In ondernemingen die vooral oog hebben voor hoge rendementen is de aandacht voor de werknemers beperkter. “Mensen binden, zoals gebeurt in het Rijnlandse model, is ook een vorm van welbegrepen eigenbelang. Anders krijg je hollow corporations met weinig betrokken werknemers.”

De SER-voorzitter weersprak dat Nederland bezig is zich te bekeren tot het verguisde Angelsaksische model. Op enkele mensen met zeer hoge inkomens na zijn de verhoudingen in Nederland volgens hem niet veranderd. “Tel je zegeningen”, zei hij tegen Kalma. “In Nederland conformeren werkgevers en werknemers zich aan het Rijnlandse model. Met het SER-advies wordt ondubbelzinnig vastgehouden aan bestaande verworvenheden. Als we onze prioriteiten goed kiezen, hebben we niets te vrezen.”

Hij verwierp ook de gedachte dat de potentiële winnaars in de wereldeconomie te vinden zouden zijn onder landen die het Angelsaksische model hanteren. Het zijn juist de Scandinavische landen met een relatief grote overheid en een sterk stelsel van sociale zekerheid die vooroplopen, aldus Rinnooy Kan. “We moeten ons niet laten aanpraten dat globalisering alleen maar negatieve gevolgen heeft. Integendeel, we moeten de kansen die geboden worden juist aangrijpen”.

Ook ditmaal liet Kalma zich niet volledig overtuigen. Hij erkende de goede bedoelingen, maar vond de beleidsagenda gebrekkig uitgewerkt. “Het is me te globaal. Het advies legt onvoldoende verbindingen. De opkomst van de financiële markten komt op een enkele zin na helemaal niet voor in het advies. Economen in de Verenigde Staten hebben al eerder gewaarschuwd, maar het lijkt wel alsof het besef van de gevaren ontbreekt. De rillingen lopen je over de rug.”