Home | Publicaties | SERmagazine | 2008 | Artikelen mei 2008 | De bijzondere ziektekosten

“De volgende stap in de richting van een vraaggestuurd systeem”

De AWBZ moet de komende jaren haarscherp worden afgebakend, zo bepleit de SER in een advies dat vorige maand werd vastgesteld. Een reactie van drie betrokken organisaties: de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). “Het is een van de eerste adviezen die de portemonnee echt aan de cliënt geeft.”

Elke van Riel

De volksverzekering Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), waarin nu jaarlijks 22 miljard omgaat, moet zich in 2012 gaan beperken tot de vergoeding van langdurige zorg aan mensen die al vroeg gehandicapt zijn. Het gaat dan uitsluitend nog om mensen met een blijvende en niet-omkeerbare aandoening of beperking, zoals een verstandelijke handicap. Dat is een van de hoofdpunten van het advies dat de SER vorige maand heeft vastgesteld (zie kader).

De Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) vindt het op zich goed dat gekozen wordt voor een romp-AWBZ, maar vraagt aandacht voor een groep die daarmee buiten de boot dreigt te vallen. “Veel mensen krijgen pas op latere leeftijd met zware levenslange beperkingen te maken”, zegt adjunct-directeur Atie Schipaanboord. “Bijvoorbeeld door psychiatrische aandoeningen of niet-aangeboren hersenletsel ten gevolge van een zwaar motorongeluk. Zij horen meer thuis in de AWBZ dan in de Zorgverzekering.”

Haar federatie vindt verder dat de effecten van de veranderingen in de AWBZ op de lage inkomens beter moeten worden onderzocht. “Voor mensen met een aanvullend pensioen kan er een cumulatie van eigen bijdragen optreden, waardoor ze netto minder overhouden dan iemand met alleen AOW.”

Met het voorstel van de SER om de cliënt meer centraal te stellen zodat hij zelf kan bepalen van wie hij welke zorg ontvangt, is de NPCF erg blij. “Dat is heel mooi. Het is een van de eerste adviezen die zo sterk cliëntgericht is en de portemonnee echt aan de cliënt geeft”, zegt Schipaanboord. Wel moet de transparantie voor cliënten volgens haar veel groter worden, omdat instellingen hun zorgaanbod en de kwaliteit daarvan onvoldoende helder presenteren. De federatie betreurt het dat het SER-advies niets zegt over de rechtspositie van de cliënt. Het wachten is op invoering van de Wet cliënt en kwaliteit van zorg (2010): een zorgconsumentenwet waarin tien verschillende patiëntenrechten en wetten worden gecombineerd.

Niet enthousiast is de NCPF over de belangrijke rol die verzekeraars krijgen in het SER-advies. “Zij vervullen in de Zorgverzekeringswet de hun toegedachte regierol nog onvoldoende en letten vooral op doelmatigheid en minder op de kwaliteit van de zorg. Als ze die uitbreiding van hun takenpakket nog niet hebben waargemaakt, is het niet realistisch ze te belasten met nóg een uitbreiding”, vindt Schipaanboord. De NCPF is blij dat de voorgestelde veranderingen geleidelijk zullen verlopen. Dit omdat de Zorgverzekeringswet en de WMO pas zijn ingevoerd in respectievelijk 2006 en 2007. Die moeten eerst geëvalueerd worden, voordat delen van de AWBZ ernaar overgaan, vindt de federatie.

Morrelen

Daar sluit beleidsmedewerker Joke Regouw-Vellinga van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) zich
bij aan. “De WMO geldt pas een jaar. We vinden het daarom een beetje merkwaardig om nu al aan de besturingsfilosofie te gaan morrelen. Ook omdat er geen verzoek tot aanpassing is van de patiëntenorganisaties en de klanttevredenheid niet verminderd is.”

Het SER-advies luidt dat de AWBZ ‘haarscherp’ moet worden afgebakend van aangrenzende terreinen, zoals de jeugdzorg, onderwijs, wonen, welzijn en sociale hulpverlening via de gemeenten. De VNG staat achter de aanbeveling om welzijn en sociale hulpverlening over te hevelen van de AWBZ naar de WMO. Regouw hamert wel op het belang van gemeentelijke autonomie bij de uitvoering van de WMO. “Als het allemaal toch volgens centrale regeltjes moet, zeggen wij: ‘dan kun je het als Rijk beter houden’. Het is essentieel dat gemeentebesturen met hun burgers zelf afspraken kunnen maken.”

De VNG betreurt het dat woonbegeleiding volgens het SER-advies een AWBZ-functie blijft: ook dit kan beter bij de gemeenten worden ondergebracht, vindt de vereniging. “Het gaat doorgaans om mensen die uit allerlei domeinen iets nodig hebben: ze werken bij een sociale werkplaats, of zoeken werk. Zij krijgen zo met te veel instanties te maken: een cliënt moet naar de een voor werk, naar een ander voor inkomen etc. Je hebt een coördinator nodig om al die coördinatoren aan te sturen. Met een gemeentelijke cliëntbegeleider kun je meer integraal werken.”

Asperine

Een ander punt is dat de VNG persoonlijke verzorging (niet-medische of verpleegkundige ondersteuning) uit de AWBZ wil halen. “Dan gaat het om zaken als: aspirine innemen, haren kammen en jezelf wassen. Nu krijgen ouders met een gehandicapt kind een persoonsgebonden budget (PGB). Vaak kunnen ze de persoonlijke verzorging zelf doen en betalen ze van het budget dat ze daarvoor krijgen een huishoudelijke hulp. Die uitruil kan niet meer, als persoonlijke verzorging binnen de AWBZ valt en huishoudelijke hulp onder de WMO: dan krijg je ongewenste schotten. Van gemeenteraadsleden horen we dat dit voor veel mensen tot problemen gaat leiden”, zegt Regouw.

De VNG mist in het advies uitwerking van de gemeentelijke regierol. Regouw: “Nu hebben gemeenten weinig of geen invloed op investeringsbeslissingen van zorginstellingen en corporaties.” Ze noemt als voorbeeld de gemeente Hulst, die onlangs de verbouwing van een verzorgingstehuis tot zelfstandige flats heeft ondersteund met zeven miljoen euro. “Hoe meer je als gemeente doet aan burenprojecten en maatjesprojecten, hoe langer mensen zelfstandig kunnen wonen. Dat is mooi, want dan heb je gelukkige burgers. Maar het kost veel geld om mensen uit de AWBZ te houden. Gemeenten zouden juist een financiële prikkel moeten krijgen als ze ervoor zorgen dat minder mensen een beroep doen op de AWBZ.”

Of mensen recht hebben op AWBZ-zorg wordt beoordeeld door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Dat staat positief tegenover het centraal stellen van de cliënt en de gefaseerde aanpak in het SER-advies. “We zien dit als een volgende stap in de richting van een vraaggestuurd systeem”, zegt Arjan Vermeulen, voorzitter van de raad van bestuur van het CIZ. “In de huidige situatie zie je een sterke marktwerking: de gemeentes willen dat er zo min mogelijk een beroep wordt gedaan op de WMO, de zorgverzekeraars op de Zorgverzekering. Zij proberen beide mensen richting AWBZ te sturen, waardoor de druk daarop groot is.”

Ook het feit dat het merendeel van de aanvragen nu via zorgaanbieders bij het CIZ komt, leidt regelmatig tot spanningen. “Zij verwachten dat de aanvragen worden overgenomen”, aldus Vermeulen. “Maar als wij de rol van poortwachter krijgen, legt dat wel een grote hypotheek op deze organisatie.”

De SER adviseert dat het CIZ naast de zorgindicatie ook de financiële doelmatigheid gaat beoordelen. “Ook dit vraagt nadere uitwerking met VWS. Wij kijken vanuit cliëntperspectief, terwijl de zorgverzekeraars kosten willen besparen. Om tot een ‘glasheldere’ polis te komen, zoals het SER-advies beoogt, vraagt nog wel om nadere afspraken en om een duidelijke regie van de staatssecretaris. Belangrijk is bijvoorbeeld ook dat de moderniseringsslag die ingezet is met de zorgzwaartepakketten met patiëntprofielen daarin wordt meegenomen.”

Jonggehandicapten

Vermeulen ziet nog een aantal dilemma’s. “Mijn advies is dat een aantal mensen daar enkele dagen over gaat praten op de hei, want het formuleren van de polisvoorwaarden zal veel creativiteit vragen. Dat moet in ieder geval niet gebeuren vanuit alle uitzonderingen.” Vermeulen hamert erop dat de AWBZ niet te veel moet uitgaan van beperkingen, maar vooral van mogelijkheden. “Zeker in het geval van de groeiende groep jonggehandicapten in de Wajong moeten we de problematiek niet medicaliseren, maar in een veel vroeger stadium onderzoeken welke aanpassingen nodig zijn, niet pas op hun achttiende. Er zijn tegenwoordig veel chronisch zieken die door betere behandelingen maatschappelijk kunnen meedraaien.”


SER wil AWBZ ingrijpend verbeteren

De SER bepleit de AWBZ de komende vier jaar ingrijpend te hervormen. Dat is nodig om de kwaliteit van de zorg te verbeteren, de kosten beheersbaar te maken en het financiële draagvlak te garanderen. Er moet een heldere afbakening komen van de AWBZ-aanspraken.

Uitgangspunt is dat de cliënt centraal staat en niet de zorgaanbieder. Er moet een ‘kern-AWBZ’ blijven voor vroeggehandicapten en vergelijkbare groepen.

De AWBZ moet zich daadwerkelijk richten op de langdurige zorg. Daartoe moet de op herstel gerichte zorg worden overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. Zo kunnen curatieve zorg en nazorg beter op elkaar worden afgestemd. Daarnaast moet de ‘sociale hulp- en dienstverlening’ uit de AWBZ worden gehaald en overgeheveld naar de WMO. Verder moeten de AWBZ-voorzieningen beter worden afgebakend ten opzichte van de jeugdzorg en van de onderwijs- en arbeidsmarktvoorzieningen voor mensen met een beperking. Ook pleit de SER ervoor om verdere stappen te zetten in het scheiden van wonen en zorg, waardoor de voorzieningen en kosten die samenhangen met ‘wonen’ niet meer ten laste van de AWBZ komen. De indicatiestelling moet verder verbeterd worden en als ‘poortwachter’ voor de AWBZ objectief, onafhankelijk en eenduidig het recht op zorg vaststellen. Van groot belang is dat er een glasheldere AWBZ-polis komt, waarin de aanspraken van de verzekerde duidelijk zijn beschreven.

De cliënt moet veel meer centraal staan. Daarvoor is een omslag nodig in de manier van bekostiging van zorgaanbieders. In plaats van instellingsbudgettering moet er een persoonsvolgend budget komen. Zorgaanbieders krijgen zo niet langer een budget vooraf, maar worden bekostigd op basis van de daadwerkelijk geleverde zorg.

Ook moet worden gewerkt aan de ontwikkeling en invoering van zorgpakketten naar zorgzwaarte. Binnen het geïndiceerde zorgpakket kunnen zorgaanbieders en cliënten afspraken maken over zorg op maat. Aan de zorgpakketten moeten realistische normbedragen worden verbonden zodra daarvoor voldoende gegevens beschikbaar zijn. (MdV)