Het is bijna een wetmatigheid. Na jaren van bescheiden looneisen gaan werknemers om een snellere stijging van hun salaris vragen, zeker als het economisch goed gaat. De huidige situatie verschilt daarin niet fundamenteel van die van pakweg vijftig jaar terug.
Uit het in december verschenen boek over het kabinet-De Quay blijkt dat spanningen op het loonfront, en daarmee tussen overheid en sociale partners, van alle tijden zijn.
Peter van der Heiden
Bij zijn aantreden in 1959 kondigde het kabinet-De Quay een radicale wijziging in het loonbeleid aan. De geleide loonpolitiek zou plaatsmaken voor een vrijere loonvorming. Gedurende de gehele naoorlogse periode hadden de rooms-rode kabinetten van KVP en PvdA de lonen centraal vastgesteld. Nederland moest herstellen van de economische schade van de bezettingsjaren, en daarvoor waren twee zaken nodig: lage lonen en arbeidsrust. Kabinet en sociale partners (minus natuurlijk de communistische Eenheidsvakcentrale die zich van dit stelsel distantieerde) zorgden ervoor dat het ‘
miracle Neerlandais’ zich kon voltrekken. Op een tweetal ‘welvaartsrondes’ na bleef de loonontwikkeling ver achter bij de stijging van de arbeidsproductiviteit en de winsten.
Nu er een economische bloeiperiode leek aan te breken, moest de overheid zich volgens het nieuwe kabinet terugtrekken en de markt meer haar werk laten doen. Dat was althans de officiële retoriek van de centrumrechtse coalitie. Maar daarachter zat nog iets anders: de nieuw aangeschoven regeringspartner VVD wilde niet verantwoordelijk zijn voor een dirigistische overheidspolitiek.
Het officiële einde van de geleide loonpolitiek betekende echter niet dat de loonvorming geheel vrijgelaten werd. Er kwam een ingewikkeld stelsel voor in de plaats waarbij de loonstijging voor driekwart afhankelijk was van de productiviteitsstijging in de eigen bedrijfstak en voor een kwart van de algehele stijging. Onder de naam ‘gedifferentieerde loonvorming’ kozen kabinet en sociale partners daarmee voor een systeem waarbij werknemers in de ene bedrijfstak een veel hogere loonstijging konden toucheren dan die in andere, om nog maar te zwijgen over ambtenaren en niet-werkenden. Een dergelijk systeem moest wel tot problemen leiden omdat, zoals oud-premier Drees treffend schreef: “men vindt dat Jan wel meer mag hebben dan Piet, maar Piet niet minder dan Jan.”
Het ingewikkelde stelsel was een vondst van de Stichting van de Arbeid en stond bekend als ‘De loonvrede van Wassenaar’. Werkgevers en werknemers vreesden dat de spanning op de arbeidsmarkt de overheid zou aanzetten tot een loonstop. Die probeerden ze te voorkomen door een stelsel dat de loonstijging zou afremmen.
Opstapjes Zoals zo vaak verhield de leer zich slecht tot de praktijk. De krapte op de arbeidsmarkt leidde ertoe dat werkgevers bereid waren hogere lonen te betalen dan het gedifferentieerde loonbeleid toestond. Ze zochten en vonden een vluchtweg in het afsluiten van cao’s die iets langer duurden dan één jaar, waarbij na een half jaar een extra loonsverhoging werd gegeven. Dat waren de zogenaamde ‘opstapjes’, waarmee de loonstijging uit kon komen boven de norm. Overigens was dit nog maar het topje van de ijsberg. Veel werkgevers waren ook bereid om zwarte lonen te betalen, soms zelfs tot twintig procent van het cao-loon!
Voor het kabinet waren de opstapjes echter reden om in te grijpen. Eerst probeerde een regeringsdelegatie de Stichting van de Arbeid nog over te halen de opstapjes aan banden te leggen, maar toen de sociale partners weigerden verordonneerde het kabinet dat opstapjes alleen nog maar waren toegestaan bij cao’s van anderhalf jaar of langer, waarbij de extra loonsverhoging pas in het laatste kwartaal mocht ingaan.
Nadat het kabinet nog een aantal soortgelijke ingrepen had gedaan, werd het duidelijk: de vrijere loonvorming onder De Quay was strenger gereguleerd dan de geleide loonpolitiek onder Drees. Naast de werkgeversorganisaties had vooral het NVV hier moeite mee. Binnen de Stichting van de Arbeid, die afgesloten cao’s moest beoordelen, waren de bonden medeverantwoordelijk voor het uitvoeren van het stringente loonbeleid. De socialistische vakcentrale verloor in rap tempo leden omdat die het gevoel hadden dat hun bonden niet voor hun belangen opkwamen. De officiële positie van het NVV was immers dat opstapjes niet mochten, terwijl werkgevers juist méér geld boden aan hun werknemers.
NVV-voorzitter en PvdA-Kamerlid Roemers interpelleerde het kabinet dan ook over deze aanwijzing, waarbij hij liet weten dat het NVV de ministeriële aanwijzing niet zou volgen. Gevolg daarvan zou zijn dat er helemaal geen cao’s meer konden worden afgesloten; in de Stichting van de Arbeid moest de vakcentrale immers instemmen met iedere cao. De opstelling van het NVV kon leiden tot een verlamming van de Stichting en zelfs tot een breuk binnen de vakbeweging. De katholieke en protestantse vakcentrales stelden zich namelijk wel loyaal achter het kabinetsbeleid inzake de loonvorming.
Hoewel de interpellatie op korte termijn nergens toe leidde (een Kamermeerderheid steunde het kabinet), was er wel degelijk sprake van een langetermijneffect. Er was al een SER-commissie werkzaam die tot een nieuw loonvormingsysteem moest adviseren (de commissie-Schouten), en die kwam versneld met een eindrapport.
Overwinning De loonvormingprocedure ging radicaal op de schop: voortaan zou de Stichting van de Arbeid geheel zelfstandig cao’s beoordelen, waarbij er geen ministeriële toetsing meer zou zijn aan het algemeen belang. Het nieuwe systeem van echt vrije loonvorming trad op 1 januari 1963 in werking en zou leiden tot hogere loonstijgingen onder de kabinetten-Marijnen en -Cals.
Het NVV had hiermee een klinkende overwinning behaald. De vakcentrale hoefde niet langer verantwoordelijkheid te dragen voor een beleid dat aan haar achterban niet te verkopen was en haar leden zagen hun welvaart stijgen. De periode is ook een mijlpaal in de geschiedenis van de Stichting van de Arbeid. Dit overlegorgaan zag zijn invloed in het sociaal-economisch leven sterk toenemen.
Jan Willem Brouwer en Jan Ramakers (red.)
Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945; deel 7,
Het kabinet-De Quay 1959-1963:
Regeren zonder rood (Amsterdam 2007)