Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen zijn kwetsbaarder dan die in andere landen. Dat constateerde een drietal hoogleraren dat hier in opdracht van de SER onderzoek naar deed. Nederland kent meer kleine aandeelhouders en voor die aandeelhouders is het veel eenvoudiger om het beleid van de onderneming ter discussie te stellen.
Jan Buevink
Als er één ding is waar ondernemers niet van houden, is het onzekerheid over de vraag of ze hun beleidsbeslissingen daadwerkelijk kunnen doorvoeren. Toch moeten ze daar in Nederland meer rekening mee houden dan in andere landen, zegt de Tilburgse hoogleraar recht en management Christoph van der Elst. Zeker als ze een bedrijf leiden dat aan de beurs genoteerd staat. Nederland neemt volgens Van der Elst een vrij unieke positie in als het gaat om de verhouding tussen het bestuur van de onderneming, aandeelhouders en werknemers. “Daarmee wijkt Nederland af van de meeste andere landen.”
Van der Elst was een van de drie hoogleraren die in opdracht van de SER de kwetsbaarheid van het Nederlandse beursgenoteerde bedrijfsleven onderzochten. Daarbij ging het om de vraag of Nederlandse bedrijven in vergelijking met hun concurrenten in de Verenigde Staten, Engeland, Duitsland, Frankrijk en Italië voldoende mogelijkheden hebben om te streven naar langetermijnwaardecreatie en te ontkomen aan de vermeende kortetermijndynamiek van de kapitaalmarkt.
Die vraag was relevant voor het advies over de positie van werknemers in grote ondernemingen dat binnenkort wordt afgerond. Het kabinet had de SER aan het begin van de zomer gevraagd of de stem van de werknemers nog wel voldoende doorklinkt bij belangrijke beslissingen in en over Nederlandse ondernemingen. In zijn adviesaanvraag wees het kabinet erop dat hierover discussie was ontstaan, onder meer naar aanleiding van de grotere rol die
hedgefunds en
private equity-partijen zijn gaan spelen op de aandelenmarkten. Die zouden er volgens sommigen alleen op uit zijn om zo snel mogelijk een zo groot mogelijk rendement te behalen, zonder te letten op de langetermijnbelangen van ondernemingen. Als een zwerm sprinkhanen zouden ze zich op een onderneming storten om die zo snel mogelijk kaal te vreten.
Veel tijd voor het onderzoek was er niet. Het moest binnen een kleine maand af en de drie hoogleraren deden het ook nog eens naast hun gewone werk. Vandaar dat hun studie beperkt bleef tot een analyse en synthese van wat anderen al eerder onderzocht hadden, aangevuld met de meest actuele stand van zaken. Van der Elst: “Er zijn meerdere nachten werk in gaan zitten.”
Ondernemingskamer
Maar dat werk leverde wel wat op. De laatste jaren zijn aandelen van Nederlandse bedrijven steeds meer in buitenlandse handen gekomen, zegt Van der Elst. Dat dit in die mate was gebeurd, had hij zich tot voor kort helemaal niet gerealiseerd. Waarom dat gebeurd is, kan hij niet met zekerheid zeggen. “Wellicht komt het doordat grote beleggers als het ABP steeds internationaler zijn gaan opereren en hun Nederlandse bezittingen verkocht hebben.”
Bij de internationale vergelijking viel verder op dat Nederland relatief veel kleine aandeelhouders kent. In andere landen is het vaak zo dat een groot deel van de aandelen van een bedrijf bij één partij is ondergebracht. Daardoor weet het bestuur van de onderneming vaak beter met wie het rekening moet houden. Van der Elst: “Voor bestuurders van Nederlandse bedrijven gaat het minder om de vraag wat de grootste aandeelhouder wil, maar veel meer om: ‘wat wil de markt’.”
Daar komt bij dat aandeelhouders in Nederland meer mogelijkheden hebben om het beleid van de onderneming ter discussie te stellen. Aandeelhouders die het niet eens zijn met een beleidsbeslissing, kunnen die voorleggen aan de Ondernemingskamer van het Amsterdamse gerechtshof. Onlangs gebeurde dat nog toen ABN Amro de Amerikaanse bank Lasalle verkocht zonder daarover de aandeelhouders te raadplegen. De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) stapte naar de rechter om dat besluit terug te laten draaien. Bij de Ondernemingskamer had de VEB succes, maar bij de Hoge Raad bleek juist de bank weer aan het langste eind te trekken.
“De beslissing die de Ondernemingskamer neemt, is vaak moeilijk in te schatten”, zegt Van der Elst. “Dat maakt ondernemers onzeker. Een bedrijfsbeslissing kan hierdoor na twee maanden zomaar ineens worden teruggefloten. Soms zelfs nog na een half jaar.”
Deze mogelijkheid voor aandeelhouders om bij de rechter bedrijfsbeslissingen ter discussie te stellen, bestaat elders niet in dezelfde mate. Aandeelhouders in andere landen die het oneens zijn met een beslissing van het ondernemingsbestuur, kunnen hoogstens dat bestuur naar huis sturen. Maar dat gebeurt pas achteraf als een beslissing al is genomen. Het terugdraaien van die beslissing zit er dan niet meer in.
Nederland kent deze enquêtemogelijkheid al een flinke aantal jaren, maar pas de laatste tijd wordt er meer gebruik van gemaakt. “Tja, het is de 21e eeuw”, zegt Van der Elst, die dit nieuwe activisme plaatst in een algemene maatschappelijke ontwikkeling waarbij mensen steeds meer voor zichzelf opkomen. “Maar deze ontwikkelingen gaan wel snel. Dankzij de globalisering heeft men Nederland ook op dit punt ontdekt.”
KeuzesVan der Elst neemt de ontwikkelingen waar, maar wil er geen consequenties aan verbinden. Dat zijn in feite politieke keuzes, zegt Van der Elst. Als wetenschapper wil en kan hij die niet maken. Hij zegt dat de huidige kwetsbaarheid van de Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen helemaal niet slecht hoeft uit te pakken voor de economie als geheel. “Veel rechten voor aandeelhouders kunnen juist ook veel vertrouwen creëren. De ontwikkelingen moeten nu heel nauwgezet in de gaten worden gehouden. Daarbij gaat het vooral om de vraag: blijven we een aantrekkelijk investeringsklimaat houden?”
Valse sentimenten moeten in die discussie geen rol spelen, vindt hij. Zo stoorde hij zich aan de vergelijking van de private equity-partijen en de hedge fondsen met sprinkhanen. Nadat de banken steeds terughoudender waren geworden met het verstrekken van kredieten, zorgden zij ervoor dat bedrijven over voldoende kapitaal konden blijven beschikken. En dat Nederlandse bedrijven in hoog tempo in buitenlandse handen overgaan, zo- als onlangs gebeurde bij ABN Amro, vindt hij niet per definitie slecht. Van nationale trots heeft hij weinig last, en dat komt niet alleen omdat hij Belg is. Maar vanuit zijn eigen land weet hij ook dat nationale sentimenten bij bedrijfsbeslissingen soms wel degelijk een grote rol kunnen spelen. Toen Renault enige tijd geleden flink moest saneren, besloot het een fabriek in het Belgische Vilvoorde te sluiten terwijl die zeker niet slechter presteerde dan verschillende Franse vestigingen. “Die beslissing was voor het bestuur in Frankrijk een stuk makkelijker om te nemen, maar in Vilvoorde stonden van de ene op de andere dag wel heel veel mensen op straat.” Maar zelfs die kwetsbaarheid kan positief uitpakken, zegt Van der Elst. “Als je weet dat je kwetsbaarder bent, kun je daar ook aan werken door veel te innoveren.”
Staatsfondsen
Wat hij wel ziet, is dat deze ontwikkelingen zorgen voor een flinke onzekerheid bij de bestuurders van ondernemingen, zegt Van der Elst. En die onzekerheid wordt nog vergroot doordat het Nederlandse ondernemingsbestuur zich toch al in een overgangsfase bevindt. De oude structuur waarin de uitvoerende raad van bestuur en de toezichthoudende raad van commissarissen van elkaar gescheiden zijn, wordt steeds meer ingeruild voor een systeem waarin beide raden geïntegreerd zijn (
one tier).
Daarnaast is er nog een nieuw fenomeen opgedoken dat de onzekerheid vergroot. Staatsfondsen uit Rusland, China en de Golfstaten die vaak vele miljarden in kas hebben, worden steeds actiever op de aandelenmarkten. “Er is misschien niet zo veel aan de hand als die landen zich conformeren aan de regels van de markt, maar wat als ze dat niet doen? Ik weet niet precies waarin ze geïnteresseerd zijn. Dat moeten we goed in de gaten houden.”
Of die staatsfondsen serieuze risico’s opleveren, durft Van der Elst niet te zeggen. Maar Nederlandse bedrijven zouden door hun kwetsbaarheid wel erg interessant voor hen kunnen zijn. Van der Elst wijst erop dat sommige van die fondsen multinationals als Unilever en Shell zo over zouden kunnen nemen. “Als ze dat zouden proberen met Total Final, Electricité de France of Volkswagen, lukt ze dat echt niet.”
Het rapport "Een overzicht van juridische en economische dimensies van de kwetsbaarheid van Nederlandse beursvennootschappen" van Christoph van der Elst, Abe de Jong en Theo Raaymakers is te vinden bij het advies 'Evenwichtig Ondernemingsbestuur'.
Ondernemingsraden reiken vaak niet tot hoogste niveau
Nederlandse ondernemingsraden hebben in vergelijking met hun soortgenoten in het buitenland een redelijk sterke positie. Dat blijkt uit het onderzoek dat Robbert van het Kaar deed voor het advies over evenwichtig ondernemingsbestuur dat de SER binnenkort zal afronden. Van het Kaar, onderzoeker bij het aan de UvA verbonden Hugo Sinzheimer Instituut, vergeleek de formele machtspositie van de Nederlandse or’en met die in omringende landen. Nederland komt daar niet slecht van af. Zo gaat het informatierecht voor Nederlandse ondernemingsraden verder dan elders. Daar stopt het waar zwaarwichtige ondernemingsbelangen zich daartegen verzetten. Hetzelfde geldt voor het adviesrecht, dat elders vaak beperkt is tot maatregelen die gevolgen hebben voor de betrokken werknemers. Het enquêterecht, waarbij de rechter via de vakbonden kan ingrijpen in het ondernemingsbeleid, is zelfs uniek.
Tegelijkertijd, constateert Van het Kaar, beperkt het open en sterk internationale karakter van de Nederlandse economie de mogelijkheden voor Nederlandse werknemersvertegenwoordigers om op het hoogste niveau invloed uit te oefenen. Ook signaleert hij dat strategische besluiten in grote, internationale ondernemingen grotendeels aan de invloed van Nederlandse werknemersvertegenwoordigers zijn onttrokken en dat de mogelijkheden voor de Nederlandse wetgever om dat te veranderen beperkt zijn.
In het ontwerpadvies over evenwichtig ondernemingsbestuur staat op sommige plekken wel een pleidooi voor uitbreiding van de medezeggenschap in beursvennootschappen. Zo zouden vakbonden bij multinationals ook enquêterecht moeten krijgen op het niveau van de holding, zelfs als ze bij die holding geen leden hebben. Voorwaarde daarbij is wel dat de werkmaatschappijen van die holding wel vakbondsleden in dienst hebben. Ook moet minstens een kwart van het personeel van die holding en haar dochters in Nederland werken. Ook pleit het ontwerpadvies voor een wettelijk spreekrecht voor de ondernemingsraad in de aandeelhoudersvergadering over belangrijke bestuursbesluiten en het ontslag en de benoeming van bestuurders en commissarissen.
Het onderzoek 'De Nederlandse medezeggenschap in een Europees perspectief' van Van het Kaar is te vinden bij het advies 'Evenwichtig Ondernemingsbestuur'. |