“De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst, waarbij de eene partij, de arbeider, zich verbindt, in dienst van de andere partij, den werkgever, tegen loon gedurende zekeren tijd arbeid te verrichten.” Deze bepaling kwam honderd jaar geleden onder verantwoordelijkheid van toenmalig minister van Justitie Ernst van Raalte in het Burgerlijk Wetboek terecht.
Redmar Kooistra
Dit jubileum was aanleiding voor de Sociaal-Economische Raad en de ministeries van Justitie en Sociale Zaken om een symposium te beleggen over ‘Heden, verleden en toekomst van de arbeidsovereenkomst’. De sprekers hielden verschillende aspecten van de jubilerende wet tegen het licht, bezoekers stemden over stellingen en de verre opvolger van Van Raalte benadrukte dat er in die honderd jaar veel is veranderd, maar dat de essentie van die oude wet, ondanks 45 wijzigingen, niet is aangetast. Ernst Hirsch Ballin: “Het grondpatroon en de architectuur zijn in die honderd jaar overeind gebleven.”
Een opmerkelijk gegeven natuurlijk, vooral ook omdat boven dit druk bezochte symposium in de raadzaal van de SER nu juist de schaduw hing van een omstreden wijziging in het bestaande arbeidsrecht. De versoepeling van het ontslagrecht, waaraan minister van Sociale Zaken Piet Hein Donner al een tijd de handen vol heeft, bracht voor de aanvang van het symposium enkele tientallen vertegenwoordigers van het CNV op de been om tegen dat voornemen te demonstreren. “Met dit ontslagplan heeft de arbeidsovereenkomst geen toekomst”, stelden zij in hun pamflet dat ze voor het SER-gebouw uitdeelden. Ofwel: “Ontslagplan? De groeten!”
Binnen ging het over meer kanten van de arbeidsovereenkomst dan alleen de wijze waarop ze wordt beëindigd. Interessant daarbij was onder meer de bespreking van het uitgangspunt van de ongelijkheidscompensatie. Dat kenmerkte de wet destijds al, maar geldt ook nu nog onverminderd: werkgever en werknemer verkeren ten opzichte van elkaar in een ongelijke positie. De werklieden van toen zijn veranderd in achtereenvolgens arbeiders, werknemers en uiteindelijk medewerkers, maar hun afhankelijke positie is altijd gebleven.
Hoogleraar arbeidsrecht Ferdinand Grapperhaus, tevens advocaat te Amsterdam, plaatste daar kanttekeningen bij. Tegenwoordig gaat het niet alleen meer om de verhouding en de afspraken tussen werkgever en werknemer. Grapperhaus wil naar een stelsel dat de werking van de arbeidsmarkt optimaliseert door mensen gelijke toegang te bieden tot middelen waarmee zij hun positie op de arbeidsmarkt kunnen versterken. “Mensen zijn mondiger geworden, minder afhankelijk. Dus moet je differentiëren.” In een variant op het non-discriminatiebeginsel uit de grondwet, dat stelt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, pleitte hij ervoor om ongelijkheid ook ongelijk te behandelen.
De kern van de wettelijke bepalingen over de arbeidsovereenkomst mag al die jaren in stand zijn gebleven, de omgeving waaraan die bepalingen hun maatschappelijke belang ontlenen is wel aan ingrijpende wijzigingen onderhevig. Verdraagt de wet zich nog wel met de eisen die door de globalisering van de wereldeconomie aan de organisatie van de arbeid worden gesteld? Verliest de wet door allerlei ontwikkelingen niet snel haar betekenis?
In elk geval onttrekken veel nieuwe arrangementen zich in hoog temp aan bestaande regels, zoals blijkt uit de toename van tijdelijke arbeidscontracten en het groeiende aantal mensen dat als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) door het leven gaat. En de roep om verdere flexibilisering van de arbeidsverhoudingen wordt overal gehoord, maar wekt tegelijk meer weerstand op.
FlexicurityDe Tilburgse hoogleraar sociaal recht Ton Wilthagen wees erop dat Nederland in de jaren negentig vooropliep in het combineren van flexibiliteit en zekerheid. Als warm voorstander van dit ‘flexicurity-concept’ vindt hij dat in de toekomstige arbeidsverhoudingen wederkerigheid in de risico’s van ondernemers en werknemers tot uitdrukking moet komen. Sommige risico’s komen primair voor rekening van de werkgever, maar in afgeleide zin ook voor werknemers. “Bij andere risico’s geldt het omgekeerde, om-dat de risico’s zich primair manifesteren aan de kant van de werknemer. Het omgaan met risico’s is dan gebaat bij wederkerigheid”, meent Wilthagen.
Zijn collega Saskia Klosse (sociaal recht, Maastricht) noemde de groeiende behoefte aan flexibiliteit een belangrijke factor, maar wees erop dat die tegelijker tijd vraagt om meer werkzekerheid. In hoeverre kan dit binnen het arbeidsovereenkomstenrecht worden geregeld, vroeg zij zich af. “Reiken de arbeidsrechtelijke verplichtingen te ver in omvang of in tijd, dan is de kans groot dat werkgevers die verplichtingen van zich afschudden”, waarschuwde Klosse. Het gaat erom het evenwicht te bewaren. “Worden de arbeidsrechtelijke verplichtingen te veel opgerekt, dan is er een reëel gevaar dat de balans volledig verstoord raakt en de neiging om verantwoordelijkheden af te schuiven alleen maar verder wordt aangewakkerd.”
Historicus Cees Fasseur omschreef de wet van 1907 als een geslaagd, vroeg voorbeeld van polderwetgeving, waarbij aan de rechter veel ruimte werd gelaten bij de praktische invulling en toepassing. “Dit verklaart het succes van de wet en haar lange levensduur.” Fasseur noemde het de verdienste van het toenmalige, vrijzinnig-democratische Kamerlid Hendrik Lodewijk Drucker, tevens hoogleraar te Leiden, dat de wet er ondanks scherpe tegenstellingen was gekomen. “Hij was de beste minister van Sociale Zaken die Nederland nooit heeft gehad”, zei Fasseur kort voordat minister Donner de zaal betrad voor zijn slotwoord.
Op zijn beurt benadrukte ook Donner dat het doel van de wet vooral lag in de bescherming van de arbeider, wiens positie ook honderd jaar later nog steeds die van de zwakste partij is. Omdat de wet juist op dat punt aan betekenis inboet, moet ze worden gemoderniseerd, betoogde de minister. Als de bescherming van de werknemers een belemmering is voor de bedrijfsvoering en nieuwkomers op de arbeidsmarkt onvoldoende kansen biedt, dwingt dat tot aanpassing. “En daarom is er nog altijd geen einde aan de kroniek van de aangekondigde herziening.”
“Het symposium voldeed aan mijn beeld van de verjaardag van een honderdjarige. Aan de ene kant waren er de gebakjes, drankjes, lekkere hapjes, hoogwaardigheidsbekleders en speeches. Aan de andere kant was er het trieste besef dat je weet dat het einde nadert omdat het niet nog een eeuw gaat duren. In de speeches werd ook uitgebreid belicht dat de huidige wet zijn langste tijd gehad lijkt te hebben, hoe flexibel die wet ook is. Mij viel wel op dat de meeste speeches een hoog academisch gehalte hadden. Het zal niet gemakkelijk zijn om termen als arbeidsmarktovereenkomst en flexicurity te vertalen naar de werkvloer.”
Hasko van Dalen, beleidsadviseur Nationale Nederlanden
“Unanieme loftuitingen voor de honderdjarige Wet op de arbeidsovereenkomst. Wat was ze standvastig, en toch bewegelijk en lenig geweest! Laten zoals het is, zou je daarom denken. Toch moet zij zich vanaf nu meer gaan voegen naar de behoefte aan flexibiliteit, zo luidden verschillende stellingen op het verjaardagsfeest. Ze creëert outsiders en als er te veel beschermende verplichtingen aan haar worden opgehangen zal de arbeidsmarkt haar de rug toekeren. Uniforme toepassing is niet meer nodig, de wet moet een instrument worden voor de zwakke groepen werkenden. Mijn wens aan de eeuweling: houd nog minstens honderd jaar je poot stijf!”
Klara Boonstra, hoogleraar Amsterdam
“De verschuiving van baanzekerheid naar werkzekerheid: een intrigerende zin die beelden oproept van niet alleen risico’s, maar ook kansen. De lezingen van de hoogleraren Klosse en Wilthagen gaven daarvoor nieuwe invalshoeken, hoe tegenstrijdig hun standpunten ook leken. Wat zijn de risico’s en kansen om ook voor werkloosheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid neer te leggen bij werkgevers en werknemers? Met daarbij als mogelijk instrument het recht op en de plicht tot scholing, vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst concreet in te vullen in relatie tot de dynamiek van de arbeidsmarkt en de wederzijdse risico’s. Een moeilijke, maar inspirerende weg.”
Liesbeth van Buitenen, vicepresident rechtbank Utrecht
“De ongelijkheidscompensatie en de vraag of daaraan nu nog invulling moet worden gegeven, liep als een rode draad door de verhalen van alle sprekers. Dit onderwerp kwam het meest uitgesproken aan de orde in de bijdrage van Grapperhaus. Hij betoogde dat deze compensatie voor veel werknemers volstrekte onzin is, terwijl er aan de onderkant van de arbeidsmarkt grote groepen werknemers zijn waarvoor dat nog wel noodzakelijk is. Zijn boodschap: zorg dat die zwakke groep die nu niet bijleert en bij ontslag reddeloos verloren is, beter toegang krijgt tot de ‘resources’. Rinnooy Kan besloot de bijeenkomst met de stelling dat we moeten overgaan tot beëindiging van de discussie over beëindiging. En zo stond de middag uiteindelijk in het teken van de noodzaak tot modernisering in de vorm van afschaffing van de preventieve ontslagtoets.”
Hermine Voûte, advocaat Loyens & Loef
“De praktijk van de Nederlandse arbeidsovereenkomst is al honderd jaar een weerspiegeling van ons poldermodel; wikken en wegen in gejuridiseerde vorm. Een ultieme doch tegelijk diffuse poging tot harmonisering van kapitaal en arbeid, waarin een zekere bescherming van de werknemer een belangrijke rol zal blijven spelen. Al honderd jaar ook financieel en intellectueel voer voor de vele betrokkenen, en als ik de teneur van het SER-symposium goed heb aangevoeld, zal dat nog lang zo blijven. Veranderingen zullen slechts langzaam en geleidelijk plaatsvinden. Misschien is dat maar goed ook, want door die voortdurende belangenafweging worden tegenstellingen overbrugd en worden langdurige en hardnekkige arbeidsconflicten in dit land voorkomen.”
Egbert Klop, directeur P&O Sodexho