Home | Publicaties | SERmagazine | 2007 | juni 2007 | De dynamiek van de arbeidsmigratie

De uitvoering heeft meer effect dan de regelgeving

Politici kunnen hoog en laag springen, maar de internationale arbeidsmigratie heeft een eigen dynamiek en trekt zich weinig aan van regelgeving. Die les kunnen we trekken uit de studie van Tesseltje de Lange naar de pogingen van verschillende kabinetten na de Tweede Wereldoorlog om de arbeidsmigratie te reguleren. De Lange hoopt 28 augustus op dit onderwerp te promoveren.

Ton Bennink

Links, rechts, rood, groen, blauw of paars. Het maakt allemaal niet veel uit welke politieke kleur de Nederlandse kabinetten hebben: de regelgeving heeft weinig invloed op de arbeidsmigratie. Tijdelijke toelatingsregelingen of quota houden of juridisch geen stand, of worden onder druk van economische wetten aangepast. Dat begon al in 1947, zegt De Lange. “Nederland zou 500 Italianen toelaten. Drie maanden later waren het er al 1000 en een jaar later 3000.”

Ook zogenaamde tijdelijke toelating werkt niet. Midden jaren vijftig kaartte het parlement de paradox aan van het stimuleren van emigratie uit Nederland en tegelijkertijd werving van gastarbeiders. Emigratie was permanent en immigratie was tijdelijk van aard, reageerde toenmalig minister van Sociale Zaken Suurhof.

“Minister Marga Klompé merkte in 1960 op dat Nederland die tijdelijkheid niet sluitend had geregeld”, zegt De Lange. “Maar haar waarschuwing werd in de ministerraad weggewuifd. Iedereen dacht dat die tijdelijkheid goed genoeg geregeld was.”

Tot 1970 kende Nederland geen illegale arbeid. Iedereen die binnenkwam, kon rechtmatig aan de slag. De Nederlandse maatschappij maakte zich vlak na de Tweede Wereldoorlog ook niet zo druk. Werk zat en de gastarbeiders namen veel vervelend werk voor hun rekening. Ook de vakbonden waren blij. Gastarbeiders zorgden juist voor meer werkgelegenheid.

Visumplicht

Toen Nederland in 1968 te maken kreeg met een economische dip was het buitenlandse arbeidspotentieel plotseling niet zo welkom meer. De regering verscherpte de visumplicht en via een arbeidsmarkttoets moesten werkgevers eerst op zoek naar nationale arbeidskrachten. Veel effect had het niet. De toestroom van buitenlandse werknemers werd weliswaar minder, maar dat gold zeker ook voor de uitstroom. “Turken en Marokkanen dachten wel drie keer na voor ze Nederland verlieten”, zegt De Lange. “Als ze terug naar hun land gingen, kwamen ze er daarna niet zomaar meer in. Die visumplicht was voor Amerikanen, Australiërs, Canadezen en Japanners een stuk minder streng. Dat was discriminerend en ingegeven door wederkerigheid. We wilden als Nederlanders ook graag zaken doen in die landen. Afrika was minder interessant. Ook vrouwen werden gediscrimineerd. Tot eind jaren zeventig waren ze niet welkom als ze een man en kinderen hadden. En ook nu nog vragen werkgevers of ze getrouwd zijn. Gevolg is dat in ons land vrouwelijke arbeidsmigranten hun man en kinderen thuislaten.”

Bureaucratie

Tijdelijke toelatingsregelingen en quota zijn veel genoemd in tijden van economische recessie, maar nooit effectief gebruikt, vertelt De Lange. “Juridisch houden ze geen stand of het bedrijfsleven pikt ze niet. De bedoeling is dat ze het volk rustig houden door de indruk te wekken dat het er niet teveel worden. Of om het bedrijfsleven zoet te houden dat ze er wel 10.000 krijgen.”

Wat wél invloed heeft op de arbeidsmigratie is de drempel die de ambtenarij opwerpt. Uitgebreid antecedentenonderzoek of een woud van bureaucratie houdt door de jaren heen veel arbeidsmigranten tegen.

Volgens de promovenda aan de Nijmeegse Radboud Universiteit gebeurt dat nog steeds. Zo wordt in het recente, door minister Donner van SZW omarmde SER-advies arbeidsmigratie opgemerkt dat de uitvoering beter moet. Kenniswerkers moeten makkelijker toegang tot ons land krijgen en binnen twee weken een werkvergunning op zak hebben. Problemen, bijvoorbeeld met automatisering, rekken deze termijn al op naar drie weken. Maar wat misschien wel erger is: de uitvoerende instantie, de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) houdt er een eigen interpretatie op na, vertelt De Lange. Zo moet een kenniswerker toegelaten worden als hij of zij 45.000 euro kan verdienen. In de beleidsregels is de mogelijkheid tot het verdienen van dat bedrag al voldoende. “Een Turkse manager van een middelgroot bouwbedrijf is tegengehouden omdat hij volgens de IND nooit 45.000 euro zou kunnen verdienen. Terwijl in de regels staat dat achteraf gecheckt moet worden of de migrant daadwerkelijk dit salaris uitbetaald krijgt.”

De reden voor dit eigen initiatief van ambtenaren ligt mogelijk in angst, aldus de promovenda. Angst om met ongewenste vreemdelingen opgezadeld te worden. “We zijn in Nederland niet goed in het uitzetten van mensen. Als we iemand uit dreigen te zetten, staat binnen no time een hele schoolklas onderaan de vliegtuigtrap.”

Arbeiderswijken

Die angst van ambtenaren heeft een historische achtergrond. Nederland heeft fouten gemaakt. Zo was minister Polak van Justitie in 1969 de eerste die zich voorzichtig afvroeg of al die arbeidsmigranten geen te zware last vormden voor de Nederlandse arbeiderswijken. Zijn zorg werd achteloos weggewuifd. Het komt allemaal goed, zo dachten de meeste politici, maar de ambtenarij waarschuwde. “In mijn onderzoek ben ik een citaat tegengekomen van een ambtenaar die zich cynisch afvroeg waarom gastarbeiders Nederlands zouden leren. Het enige wat ze moesten doen was kippen slachten aan de lopende band. Daarna keerden ze wel terug. Dat deed 40 tot 50 procent. De andere helft bleef.”

Arrogant

Quotaregelingen werken niet, evenmin als tijdelijke toelating. Maatregelen als strengere visumeisen en een arbeidsmarkttoets zijn zelfs contraproductief. Moet dat tot de conclusie leiden om alle regels op dit terrein maar af te schaffen?

“Nee, dat gaat te ver”, reageert De Lange. “Dan maak je het de werkgever te makkelijk mensen van buiten te halen en blijft een groep aan de kant staan. Bijvoorbeeld de derde generatie allochtonen, maar ook mensen die illegaal in Nederland verblijven, waaronder uitgeprocedeerde asielzoekers die niet weg kunnen en Filippijnse ‘domestic workers’ die nu geen legale status kunnen krijgen. Kijk nou eerst eens naar die groepen. Dat verwijt ik ook de vakbonden. Zij zetten zich onvoldoende in voor hen. Wat maakt het uit of werknemers papieren hebben of niet? Bonden richten zich, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Britse bonden, te zeer op nationale solidariteit. De Nederlandse vakbeweging omarmde de gastarbeiders in de jaren zestig omdat ze voor meer werkgelegenheid zorgden. Nu overheerst de angst om werk voor eigen mensen te verliezen.’

Ghanezen

“We moeten eerlijke keuzes maken”, zegt De Lange. “De economie heeft eigen wetten. Zo stromen er in de toekomst misschien Ghanezen binnen door een wervingsovereenkomst tussen de EU en Ghana. Die mensen zijn nodig om onze economie draaiende te houden. Daarom komen ze. Wees daar dan ook eerlijk over. Heet ze welkom. Nu wordt deze arbeidsmigratie gepresenteerd onder het mom van ontwikkelingssamenwerking. Dat is dus niet eerlijk, ook niet tegenover de Nederlanders. De overheid moet niet weer de fout maken door hun voor te spiegelen dat het verblijf van hun nieuwe buurman tijdelijk is. Daardoor blijven ze op afstand, terwijl ze goede vrienden moeten worden.”

Wilders

Het is ook een wat arrogante houding te denken dat iedereen graag in Nederland werkt. Buurland Duitsland weet daar volgens De Lange over mee te praten. De Duitsers gaven blijmoedig 5000 buitenlandse IT’ers de kans naar hun land te komen. Probleem was dat die er bij lange na niet kwamen. “Echt knappe koppen kiezen vaak voor het Verenigd Koninkrijk of de VS. Door de hoge leges en opmerkingen van bijvoorbeeld Wilders is Nederland niet erg in trek meer als werkgever. Al maken die mooie grachtenhuizen in Amsterdam veel goed en leven veel kenniswerkers binnen een multinational. Die verhuizen van stad naar stad en krijgen de kosten die dat met zich meebrengt vergoed.”

‘Staat, markt en migrant, de regulering van arbeidsmigratie naar Nederland van 1945 tot 2006’ is te verkrijgen bij uitgeverij Boom Juridische Uitgevers.  

SER-bulletin juni 2007
 
Inhoudsopgave