Home | Publicaties | SERmagazine | 2006 | mei 2006 | Kolnaar kijkt terug

“We hebben geen stuurbare economie”

De economie is er voor de mensen en niet andersom. Vertrekkend kroonlid Ad Kolnaar vindt dat de overheid niet eenzijdig moet streven naar een zo hoog mogelijke productiviteit en groei. Dat lijkt nu wel te gebeuren. Ook zal niemand hem horen zeggen dat het beleid van het kabinet-Balkenende goed is, maar slecht wordt uitgelegd. “Het beleid is slecht en dat kan ik heel goed uitleggen.”

Mariek de Valk

Toen hij zijn eerste schreden in het SER-gebouw zette, was het kabinet-Den Uyl nog aan de macht. Ad Kolnaar werd in 1974 lid van de commissie die zich boog over het minimumloon. Dat was het begin van dertig jaar betrokkenheid bij de Sociaal-Economische Raad. Halverwege de jaren tachtig werd Kolnaar raadslid en in de twee daaropvolgende decennia zat hij in een hele serie SER-commissies die adviseerden over de verbouwing van de verzorgingstaat: WAO, ziektekosten, WW, pensioenen.

“Zeker begin jaren negentig waren er grote weerstanden”, zegt Kolnaar. “Maar de directe ingang voor mij was steeds ‘er ligt een probleem en dat moet je oplossen’. Bij de WAO was het probleem dat er toch wel erg veel gebruik van werd gemaakt, en misschien ook wel misbruik. Voor de WW gold hetzelfde. WAO en WW werden in een kwaad daglicht gesteld en dat is niet goed. Ik zeg het met opzet op deze manier, omdat ik niet vanuit de overtuiging werk dat we met dit soort maatregelen voor meer groei kunnen zorgen en in die zin de maatschappij aan het maken zijn. Het idee van de maakbaarheid van de samenleving stamt uit de jaren vijftig en zestig, uit de tijd van de Sovjetunie en de planeconomie. Het instrument hier in Nederland was de investeringsplanning, met als grote voorbeeld de Nota Plaats en Toekomst van de Nederlandse Industrie. Ook nu is het idee van maakbaarheid weer volop aanwezig, maar dan via de weg van de instituties. Daar ligt dus niet mijn inspiratie want ik geloof daar niet in. Mijn insteek ligt bij het oplossen van de feitelijke problemen. Bij het tegengaan van misbruik en de vraag of dat gebruik wel echt nodig is. De sociale zekerheid moet meer worden toegesneden op de mensen die het écht nodig hebben.”

Veel mensen bepleiten een steeds verder terug tredende overheid en in het verlengde het terugdringen van de verzorgingsstaat. Bent u het daarmee eens?

“Nee, dat vind ik niet. Ik wil graag een maatschappij overeind houden met goede sociale voorzieningen en verzekeringen. Ik denk dat we daar een heel eind in gevorderd zijn en desondanks gaat die discussie maar door. Dat heeft ook weer met die maakbaarheid te maken. Nu leeft de overtuiging dat dit kan via meer markt en anders opgezette instituties. Recente scenariostudies zijn daarvan goede voorbeelden. Maar we hebben geen stuurbare economie. Ik streef naar een goed geleide economie, gegeven de doelstellingen van het beleid. Daarvoor hebben we een paar instrumenten. Eerst en vooral het budgetbeleid, dat zijn de overheidsinkomsten, overheidsuitgaven en het saldo ertussen. Het tweede instrument is het loonbeleid. Het derde instrument was vroeger het monetaire beleid, maar dat hebben we nu niet meer op nationaal niveau. Met de inzet van die instrumenten moeten we zorgen dat we onze nationale economische doelstellingen halen. Instellingen als de Stichting van de Arbeid en de SER zijn noodzakelijk om de juiste afstemming van instrumenten mogelijk te maken. Tegenwoordig gaan budgetbeleid en loonbeleid volledig gescheiden van elkaar hun gang, met alle kwalijke gevolgen van dien.”

Hoe komt dat?

“Het overheidsbudgetbeleid gaat werkelijk met olifantspoten dwars door de economie. Daar zit die maakbaarheidsideologie achter. Nu geldt weer het oeroude adagium dat de overheid heel klein moet worden en dat we naar een nachtwakersstaat toe moeten. Ik vind dat je een instituut als de sociale zekerheid juist moet koesteren. We moeten voorts niet eenzijdig streven naar een zo hoog mogelijke productiviteit en een zo hoog mogelijke groei. De economie is er voor de mensen en niet andersom. We hebben een economisch systeem om ervoor te zorgen dat iedereen te eten heeft en als het kan deelt in de welvaart. En welvaart is niet alleen veel individuele consumptie, maar ook veel collectieve consumptie en daarnaast vrije tijd en ontspanning en enige vorm van zekerheid.”

Maar we moeten toch als antwoord op de uitdagingen van de globalisering onze productiviteit omhoog brengen?

“De productiviteit verhogen is van wezenlijk belang. We weten alleen niet erg goed hoe dat moet. Prikkels om te presteren waren er altijd al en die zullen altijd blijven. Dat globaliserings-proces is ook al zo ontzettend lang bezig. We hebben eerst de slag om Europa gehad na de Tweede Wereldoorlog. Hoe die processen uitpakken kun je niet sturen, maar je kunt met die drie instrumenten, waar ik het over had, de scherpe kanten eraf slijpen. We zitten nu wel even in een versnelling, bijvoorbeeld omdat na de val van de Muur de voormalige Oostbloklanden met de rest van de wereld willen meedoen. Maar om daar nu allerlei verschrikkelijke verhalen over de toekomst over op te hangen? Daar doe ik niet aan mee.
“Je kunt de groei echt niet blijvend verhogen door harder te gaan werken, nog los van de vraag of we daar gelukkiger door zouden worden. Ik denk dat we vooral al onze spaarcenten moeten steken in de Nederlandse economie, in plaats van ze dom te beleggen in het buitenland zoals nu. En doe dat ook via de overheid, in onderwijs, infrastructuur en duurzaamheid. Dat moet toch goed zijn voor de productiviteit en de toekomst, zou je zeggen. Zo zorgen we voor een stevige economie en daar kan ook het nageslacht zijn voordeel mee doen. Want dat is onze opdracht: kijk niet alleen naar je eigen welvaart, maar ook naar die van je nageslacht. Juist nu we zoveel besparen, zouden we veel geld in nuttige dingen kunnen steken. Maar dat laten we gewoon na! Dat geldt voor particulieren, maar vooral voor de overheid. Die laat het maar afweten.”

U bent zelf actief lid van het CDA. Is dit wat de partij ook vindt?

“Ik sympathiseer met het CDA, maar ik vind het budgetbeleid van dit kabinet niet goed. We laten na de middelen die we hebben te investeren in de Nederlandse economie. En dat onder de druk van boekhouders die steeds maar roepen dat we geen tekort mogen hebben. Terwijl heel Nederland miljarden overhoudt.”

U heeft zich geroerd in de discussie over de vergrijzingsproblematiek.

“De vergrijzing is in die zin een probleem dat een groter deel van het nationaal inkomen naar inactieven gaat, waaronder de ouderen. Het is dus louter een herverdelingsprobleem. Ik zal met een simpel voorbeeldje aangeven waar ik dan voor pleit. We maken twaalf broodjes. Van de helft moeten we afblijven, die zijn voor investeringen en collectieve uitgaven en voorzieningen. De andere helft, dat zijn er dus zes, is voor particuliere consumptie. Die zijn nu voor vijf werknemers en één oudere. Elk hebben ze één broodje. In de toekomst zijn er twee ouderen. Dan kun je kiezen: krijgen die twee ouderen elk nog steeds één broodje ten koste van de werkenden? Of houden die vijf werkenden hun broodje? Ik pleit ervoor om de broodjes gelijkelijk te verdelen over die zeven personen. Dan is er dus een achteruitgang in de consumptie voor iedereen van zo’n 15 procent, want het totale aantal broodjes blijft in dit verhaal zes. Maar vervolgens zal door productiviteitsstijging het aantal broodjes verhogen. Als het aantal broodjes elk jaar met 1,75 procent stijgt – dat is de door het Centraal Planbureau geschatte stijging van de arbeidsproductiviteit –dan is dat historisch gezien niks. Maar over veertig jaar betekent dat toch een verdubbeling van het aantal broodjes. Een toename met 100 procent dus, zo hard gaat dat. Waar maken we ons dan druk over? Als wij nou zorgen voor een gezonde economie met voldoende productiviteitsstijging, dan ís er geen vergrijzingsprobleem. De 15 procent afname wegens vergrijzing valt in het niet bij de 100 procent stijging via de productiviteit.”

Dat is niet wat de SER schrijft in zijn adviezen.

“Dit verhaal is helaas niet in lijn met de SER-adviezen, tot mijn verdriet. Ik heb er artikelen over geschreven en economische rekenmodellen aangeleverd, die nu nog eens worden bevestigd door het Centraal Planbureau. Ik was niet de enige in de SER-commissie die er zo over dacht, maar de rest van de commissie was niet overtuigd. Ik heb het niet tot een verdeeld advies laten komen, maar ik heb wel – zo’n acht jaar geleden – in het middellange termijnadvies laten aantekenen dat ik het volstrekt oneens was met het budgetbeleid en het gebruik van de vergrijzing als argument voor al die plannen in dat advies. Dat vond ik voor de rest wel genoeg.
Dat hoeft niet in elk advies genoteerd te worden.”

Er hebben heel wat ingrijpende hervorming van de sociale zekerheid plaatsgevonden. Vindt u dat het de goede kant op gaat?

“Laat ik van mijn hart geen moordkuil maken. Waar ik geen behoefte aan heb is een soort competitie in daadkracht. Ik wil eerst een probleem zien en niet varen op verre toekomstgeruchten of halve waarheden. Wanneer is het goed, wanneer is het af? Het paarse kabinet wordt verweten dat het niks aan de WAO heeft gedaan. Maar dat klopt niet. Kijk maar naar de Wet Poortwachter en de Pemba. Alles wat we nu zien op het gebied van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid is alleen maar in verband te brengen met die maatregelen. Waarom konden we niet eerst de effecten van deze maatregelen afwachten alvorens met nieuwe, verdergaande regels te komen? Iets soortgelijks geldt voor de WW. Dit kabinet doet alsof de nieuwe WW nu al effect heeft op de economie, maar die is nog niet eens ingevoerd. Toch willen sommigen nu al weer verdergaande maatregelen. Ik vraag me inderdaad af of we niet te ver gaan doorschieten.”

Wat vindt u van dit kabinet?Veel mensen zeggen dat het beleid goed is, maar dat het slecht wordt uitgelegd.

“Nee, dat vind ik niet. Het beleid is slecht en dat kan ik heel goed uitleggen. Waarom is het slecht? Het kabinet voert een procyclisch beleid: ten tijde van laagconjunctuur laat het de werkloosheid oplopen. En structureel streeft dit kabinet naar aflossing van de staatsschuld, waartoe een financieringsoverschot wordt nagestreefd. Dan zeg ik: ben je nou helemaal idioot? We hebben al zoveel spaargeld over, moeten we dan nog meer sparen? Burgers worden verplicht belasting te betalen terwijl de overheid er niks mee doet.
“Natuurlijk is er ook wel wat goeds aan het kabinetsbeleid, maar dat ga ik nu niet noemen, want dat leidt maar de aandacht af van wat er slecht is. Nou vooruit, één ding dan: de deregulering is wel goed.”

Hoe kijkt u terug op dertig jaar SER?

“Ik heb altijd met veel plezier het SER-werk gedaan. Het ging om interessante problemen en ik vond het geweldig om intensief samen te werken met het secretariaat. Bovendien is het fantastisch om als hoogleraar in de keuken van het beleid te kunnen kijken.”





Wetenschapper volgens de Tilburgse traditie

Ad Kolnaar is altijd bereid om te luisteren, maar hij gaat pas óm als de feiten hem daartoe dwingen. Dat zei voormalig SER-voorzitter Theo Quené over het kroonlid dat vorige maand vertrok. Het werkzame leven van de Tilburgse hoogleraar economie (64) stond voor een flink deel in het teken van de adviesraden. Bij de SER begon hij in 1974 als lid van de subcommmissie Minimumloon. In 1986 werd hij kroonlid. Op dat moment zat hij ook in de Sociale Verzekeringsraad. Daarvoor was hij al lid geweest van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Achter de schermen speelde hij ook een belangrijke rol in het CDA.

Bij Kolnaars afscheid van de raad wees Herman Wijffels, die een paar dagen later zelf ook afscheid zou nemen, op de deels synchrone levensloop van Kolnaar en hemzelf. Ze waren niet alleen in hetzelfde jaar geboren (1942), maar begonnen ook tegelijkertijd (1959) aan dezelfde studie (economie) in dezelfde stad (Tilburg). “Kolnaar beleed de wetenschap heel erg vanuit de Tilburgse traditie”, zei Wijffels in zijn afscheidtoespraak. “Dat was die van de katholieke jongens van toen. We hadden de opdracht een bijdrage te leveren aan de maatschappij.”
SER-bulletin mei 2006

Inhoudsopgave