Home | Publicaties | SERmagazine | 2006 | maart 2006 | Zorgen over onderwijs

“Ik heb vrij veel last van levenslange trouw”

Een dik jaar geleden werd ze gekozen. Marleen Barth is de eerste vrouwelijke voorzitter bij een CNV-Bond. Opmerkelijk is ook dat ze het als PvdA-politica, zonder krijt aan haar handen, tot boegbeeld van de Onderwijsbond schopte. Haar betrokkenheid bij de mensen in het onderwijs is groot. Datzelfde geldt voor haar vechtlust.

Elke van Riel

Ze praat snel en gepassioneerd. Vooral als de problemen in het onderwijs ter sprake komen. Dan verstrakt ook haar blik en onderstreept ze haar woorden met ferme handgebaren.

Marleen Barth (41) is de eerste vrouwelijke bondsvoorzitter in het honderdjarige bestaan van het CNV. Dat gericht gezocht is naar een vrouwelijke voorzitter vindt ze geweldig. “De bond heeft bovendien een heel moedige keuze gemaakt. Want ze kregen met mij niet alleen een vrouw, maar ook iemand van buiten: ik heb geen jarenlange tocht door de vereniging gemaakt en heb ook nog een partijpolitieke kleur die niet altijd direct met het CNV geassocieerd wordt. En ik kom niet uit het onderwijs zelf.”

Dat laatste beschouwt Barth overigens eerder als een voordeel, want het betekent dat ze bewust veel energie stopt in contact met de mensen in het onderwijs. Ze gaat wekelijks op werkbezoek naar een school, of naar een ledenbijeenkomst, zodat ze tegenover de werkgevers en de politiek steeds met actuele praktijkvoorbeelden kan komen.

Als parlementair journalist bij dagblad Trouw – met onder andere onderwijs als aandachtsgebied – en als onderwijswoordvoerder in de Tweede Kamer voor de PvdA deed ze al de nodige kennis van het onderwijs op. Ze vindt het een voordeel dat ze vanuit verschillende perspectieven naar de sector heeft gekeken. Daarnaast heeft ze nu veel profijt van haar netwerken van toen. “Tegenwoordig worden en blijven mensen niet meer automatisch lid van een vakbond. Met name jongeren willen weten wat er tegenover hun contributie staat. De media zijn daar onmisbaar bij: het feit dat ik journalist ben geweest, is daarom reuzehandig. Datzelfde geldt voor mijn contacten in de politiek, want daar wordt de financiële ruimte in het onderwijs natuurlijk nog steeds bepaald.”

Campagne
Bij haar overstap van de krant naar de politiek in 1998 kwam er veel kritiek. Men vond dat iemand die zich tot een politieke partij bekent, niet meer geloofwaardig als journalist kan functioneren. Ze ging toen een half jaar met buitengewoon verlof, ook om campagne te kunnen gaan voeren, want ze stond hoog op de kandidatenlijst. Bij haar overstap naar het CNV kwam er weer kritiek. Lachend: “Dat hoort blijkbaar bij mij. Ik doe kennelijk rare dingen.”

Van de 350 uitgebrachte stemmen, waren er tien tegen. “Misschien mensen die moeite hebben met mijn PvdA-achtergrond, of mensen die vinden dat een voorzitter zelf bordkrijt aan de handen hoort te hebben. Maar honderd procent voor zou gewoon eng zijn; de uitslag was nu al vrij Albanees.”

In het rijtje Trouw en CNV, klinkt de PvdA inderdaad niet echt voor de hand liggend. Datzelfde geldt voor haar katholieke geloof. Toch zijn de katholieken binnen de Onderwijsbond CNV juist van oudsher sterker vertegenwoordigd en was Barths voorganger ook katholiek. “Ik ga naar de kerk: wel op een katholieke manier, dus niet iedere zondag. Vanuit mijn geloof heb ik een grote sociale betrokkenheid bij de mensen die het moeilijk hebben in de samenleving en dan is de PvdA juist een heel natuurlijke keuze. Ik kom met enige regelmaat CNV-leden tegen die ook al jaren lid zijn van de PvdA.”

Vlaggenmast
Voor die partij doet ze nu alleen nog wat kleine dingen achter de schermen. “Toen ik bondsvoorzitter werd, heb ik beloofd dat ik geen vlaggenmast zou zijn voor twee organisaties. Maar ik blijf gewoon lid hoor. Ik heb nog vrij veel last van levenslange trouw: het blijft echt mijn club.”

Ze solliciteerde in de periode van de grote Museumplein-manifestatie in 2004. “De vakbeweging lag toen erg onder vuur, maar bleek verre van ‘op sterven na dood, zwaar vergrijsd en geen factor van betekenis meer’. Ik viel natuurlijk echt met m’n neus in de boter: het is heel leuk om een bond in te stappen op een moment dat je weet dat er een aantal vernieuwingsslagen nodig is.”

Ze voelt zich erg thuis binnen het CNV. “Vooral omdat daar meer mensen er rond voor uit komen dat ze in God geloven. Het geloof is een heel belangrijke inspiratiebron voor me en daar is nu weer alle ruimte voor.” Hoewel de Onderwijsbond CNV volgens Barth goed samenwerkt met de Algemene Onderwijsbond (AOB) van de FNV, zou ze niet alleen vanwege haar geloof minder snel voorzitter zijn geworden van die club. “Het CNV ziet een school als een gemeenschap waarin de ouders en de leerlingen een belangrijke rol spelen. De AOB denkt veel meer in een werkgever-werknemer-verhouding.” Dat het CNV minder snel voor harde actie kiest, past ook goed bij haar. En dat geldt helemaal voor de verbintenis met het bijzonder onderwijs.
Binnen de PvdA is ze altijd al een hartstochtelijk voorstander geweest van het bijzonder onderwijs en artikel 23 van de Grondwet. De Onderwijsbond CNV verzet zich nu – net als de AOB – fel tegen het open bestel in het hoger onderwijs. “Daar valt wat ons betreft niet mee te marchanderen. Artikel 23 wordt vaak uitgelegd als: we hebben in Nederland katholieke en protestants-christelijke scholen. Maar die zienswijze is echt te oppervlakkig, want de essentie is dat ouders én studenten hier keuzevrijheid hebben. In andere landen moeten zij diep in hun portemonnee tasten voor een privéschool als ze iets anders willen dan staatsonderwijs.”

In Nederland is elke onderwijsinstelling ervan doordrongen dat studenten, als het ze niet bevalt op een opleiding, vrij zijn om hun biezen te pakken en naar een andere opleiding te gaan. De concurrentie is oneindig veel groter dan in de landen om ons heen, benadrukt Barth. Nederland investeert één procentpunt minder per jaar in onderwijs dan het gemiddelde van de andere OESO-landen. Dat komt neer op een achterstand van vijf miljard euro per jaar. Dat de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs toch hoog is, ziet ze als een rechtstreeks gevolg van die onderlinge concurrentie. “Het is dus echt onnodig die in het hoger onderwijs verder te vergroten met een open bestel.”

Iets anders waar ze zich over opwindt, is de motie-Van Aartsen over kinderopvang in het onderwijs. Fel: “Dit is het zoveelste probleem dat bij het onderwijs over de schutting wordt gegooid door de politiek. Wij zijn kennelijk overal goed voor. Het onderwijs kan veel, maar lang niet alles.” Toch heeft de Onderwijsbond CNV samen met de organisatie voor ouders in de kinderopvang Boink de werkgroep onderwijs-kinderopvang opgezet. “Het zijn ook onze leden die worstelen met de combinatie arbeid en zorg. Daarom willen we met het veld voorstellen ontwikkelen die wél uitvoerbaar zijn.”

Zwerven
Zelf kan ze ‘boeken volschrijven’ over de problemen met de opvang voor haar zoon. Volgend jaar gaat hij naar het middelbaar onderwijs. “Voor kinderen van twaalf tot veertien jaar is echter niks geregeld. De politiek wil dat ouders er allebei een flinke baan op na houden, maar deze groep is echt nog te jong om alleen te laten. Dan gaan ze over straat zwerven, met alle ellende vandien.”

Nu gaat haar zoon twee dagen per week naar de buitenschoolse opvang. Daar heeft hij wel eerst tweeëneenhalf jaar voor op de wachtlijst moeten staan. Toen Barth na haar scheiding alleenstaand moeder was, werkte ze met oppassen aan huis. “Dan ben je echt aan de goden overgeleverd, want er is geen enkele kwaliteitstoets voor de mensen die je binnenhaalt. Ik betaalde als Kamerlid wit, maar ondersteuning bij de werkgeversrol kreeg ik niet.”

De problemen in de jeugdzorg baren haar ook grote zorgen. “Want iedere steek die de jeugdzorg laat vallen, slaat op een school een krater. We hebben in Nederland zo de neiging om te blijven dweilen met de investeringen die we doen rond thema’s als voortijdig schoolverlaten, jeugdcriminaliteit, sociale problematiek. Terwijl je moet proberen die kraan dicht te draaien.”
Het stoort haar dat het kabinet honderden miljoenen heeft gestoken in een innovatieplatform en projecten van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. “Allemaal hartstikke belangrijk hoor, maar er dreigt een gigantisch lerarentekort in Nederland. Binnen zeven jaar gaat zestig procent van de leraren in het middelbaar onderwijs met pensioen. De instroom is minimaal. Met name voor academici is er in het onderwijs een forse beloningsachterstand, van gemiddeld 25 procent. Maar we zijn er niet met alleen meer loon: dat kan zelfs leiden tot een loongolf. De werkdruk moet naar beneden. Dat kan door meer onderwijsondersteunend personeel aan te trekken.”

Conciërge
De Onderwijsbond is daarom pas gestart met de actie ‘Elke school een conciërge’ om te voorkomen dat komend schooljaar zevenduizend ondersteunende banen verdwijnen. Verontwaardigd: “Straks moet een directeur zelf de vuilnisbak buitenzetten, kopietjes draaien en alle bonnetjes bijhouden. Dat kán niet.”

Het onderwijs is de laatste jaren toch al zwaarder geworden, vanwege de toegenomen sociale problematiek, agressievere ouders en mondiger kinderen. “Het burn-outpercentage schommelt rond de tien procent. Lesgeven is prachtig, maar je moet wel elke dag opnieuw een topprestatie kunnen leveren. Als ik een slechte dag heb, ben ik in een vergadering maar een keer wat minder actief. Leraren kunnen zich dat niet permitteren. De beste manier om goed onderwijs voor elkaar te krijgen, is daarom opkomen voor de mensen die er werken. Dat deed ik ook al als journalist en als Kamerlid, maar in deze baan komt het allemaal op een prachtige manier bij elkaar.”





Rode draad: liefde voor onderwijs

Marleen Barth (1964) studeerde bestuurskunde. Ze is sinds januari 2005 voorzitter van de Onderwijsbond CNV (56.000 leden). Het is haar tweede carrièreswitch. Ze was van 1991 tot 1997 parlementair journalist bij Trouw en van 1998 tot mei 2002 onderwijswoordvoerder binnen de Tweede Kamerfractie van de PvdA.

Ze werd via een werving- en selectiebureau voor de baan als vakbondsbestuurder benaderd. Op dat moment zat ze in de Provinciale Staten, omdat ze in mei 2002, bij de voor de PvdA rampzalig verlopen Kamerverkiezingen, niet herkozen was. “Ik stond nog op wachtgeld van de Tweede Kamer en dat zat mij behoorlijk dwars. Ik ben jong, gezond en hoogopgeleid. Dan moet je, vind ik, voor jezelf kunnen zorgen.”

Barth is getrouwd met Jan Hoekema, vice-voorzitter politiek van D66 en Ambassadeur voor internationale culturele betrekkingen bij Buitenlandse Zaken. Hij was van 1994 tot 2002 Tweede Kamerlid voor D66. Met haar ex-echtgenoot heeft Barth een zoon (12).

SER-bulletin maart 2006

Inhoudsopgave