Home | Publicaties | SERmagazine | 2006 | juni 2006 | De terugkeer van de wachtlijsten

Margo Vliegenthart vreest terugkeer van wachtlijsten

Het waren de belangrijkste problemen toen ze in 1998 aantrad als staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Sport. Margo Vliegenthart was het grootste deel van haar tijd kwijt aan het bestrijden van de werkdruk en de personeelstekorten in de zorg- en welzijnssector. In de SER-vergadering van vorige maand waarschuwde ze ervoor dat de problemen van toen binnenkort opnieuw kunnen ontstaan. De oud-bewindsvrouw is bepaald niet optimistisch: “Het probleem wordt nog structureler dan toen.”

Jan Buevink

Wie de combinatie wachtlijsten en Vliegenthart intoetst op Google, krijgt maar liefst 16.000 verschillende documenten. “Is het echt zo erg?”, zegt ze met een ongelovig lachje op haar gezicht. Toch is die hoge score niet vreemd. Rond de eeuwwisseling waren de problemen in de gezondheidszorg vrijwel dagelijks in het nieuws. Vliegenthart was daar bestuurlijk medeverantwoordelijk voor.

Het was natuurlijk ook vreselijk, zegt de voormalige staatssecretaris. “Er waren mensen die niet zelfstandig konden wonen, slecht ter been waren, geen boodschappen konden doen en ook geen netwerk hadden om op te leunen. Het kon dan soms maanden duren voordat die een plek hadden in een verpleeghuis. Soms stond iemand wel een half jaar tot een jaar op de wachtlijst.”

Het probleem begon al begin jaren negentig, vertelt Vliegenthart. Toen ontstond de discussie over de zorg die elk jaar meer geld nodig had. Aanvankelijk werd dat probleem opgelost door doelmatiger te werken. Dat leverde op de korte termijn wat op, maar was voor de lange termijn rampzalig. De werkdruk schoot omhoog en leidde tot een hoger ziekteverzuim. Medewerkers keerden de sector de rug toe waardoor werkdruk voor de achterblijvers alleen nog maar verder steeg. Voor wie in de zorg werkte, was dat uiterst frustrerend. Vliegenthart: “Als je de zorg ingaat, doe je dat omdat je mensen wilt helpen. Maar als je dan in de praktijk merkt dat dat heel moeilijk gaat, betekent dat een enorme inbreuk op je motivatie.”

Vliegenthart wijst erop dat de zorg toch al een kwetsbare sector is doordat er veel samengewerkt moet worden. “Als er bij een operatie één anesthesist te weinig is, kan de hele operatie niet doorgaan. Je hebt hetzelfde effect als bij een file. Er hoeft maar een ongeluk te gebeuren en de hele weg zit verstopt.”

Extra complicatie was dat de meeste aandacht uitging naar die stadia waar veel problemen al waren ontstaan. Wachtlijsten voor jeugdinrichtingen en ziekenhuizen kwamen volop in de schijnwerpers, terwijl problemen bij de eerstelijnszorg veel minder aandacht kregen. “Er is altijd een rangorde geweest waarbij ziekenhuiszorg als belangrijker werd gezien. Er was altijd meer aandacht voor curatieve zorg dan voor de AWBZ. Maar je moet juist meer in de eerste lijn investeren, om zo te voorkomen dat mensen verderop in de problemen komen.”

Aan het einde van het paarse kabinet leek het probleem wel te kunnen worden aangepakt. Zo had haar voorgangster Erica Terpstra een hoeveelheid geld los weten te krijgen die volgens de berekeningen genoeg zou moeten zijn om de wachtlijsten in de gehandicaptenzorg weg te werken. Dat bleek bij lange na niet het geval. Vliegenthart liet het uitzoeken en ontdekte dat de ramingen gebaseerd waren op de levensverwachting van gehandicapten uit de jaren zeventig. Die klopten niet meer. “In twintig jaar tijd was de gemiddelde levensverwachting met tien jaar toegenomen. Dat was het gevolg van succesvol beleid. Door een betere zorg steeg de levensduur, maar verstopte ook de uitstroom. Dat zag je ook in andere categorieën, alleen niet zo spectaculair als bij de gehandicapten.”

Bij de formatie van het tweede paarse kabinet kwam nog meer geld beschikbaar. “Wij wisten toen eigenlijk ook al wel dat het niet voldoende was”, zegt Vliegenthart. “We hebben op het ministerie nog wel de discussie gehad of we niet eerst moesten proberen om er nog meer bij te krijgen. Ik heb toen gezegd: laten we nu maar gewoon aan de slag gaan.”

Het geld werd steeds minder een probleem. Een uitspraak van de rechter dwong het kabinet tot een veel soepeler manier van financiering. Zorginstellingen die hun capaciteit konden uitbreiden om zo de wachtlijsten aan te pakken, kregen daar makkelijker geld voor.

Toen dook opeens een ander probleem op. Er waren onvoldoende mensen. In het jaar 2000 kwamen veel minder mensen van een zorgopleiding af dan in de jaren daarvoor. En van die groep besloot maar liefst de helft niet voor een baan in de zorg te kiezen. Vliegenthart kan het wel verklaren. “Dat waren mensen die al tijdens hun stages geconfronteerd waren met stress en werkdruk. Bovendien hadden ze zat alternatieven. In de kinderopvang bijvoorbeeld, of in de marktsector. Dat was vaak niet alleen leuker werk, het betaalde ook nog eens beter.”

Het kabinet kwam met allerlei noodmaatregelen. Geneeskundig personeel uit het buitenland werd ingevlogen. Iedereen die ooit in de zorg gewerkt had, kreeg het verzoek om terug te keren. Ruim 100.000 mensen die nog niet al te lang geleden premie voor pensioenfonds PGGM betaald hadden, werden daarvoor aangeschreven. Gedurende de zomermaanden werden zelfs de geneeskundige troepen van het leger ingezet.

Noodsituaties

Per saldo leverde het niet veel op. Van de zogenoemde slapers bij PGGM konden er niet meer dan 5000 weer aan het werk geholpen worden. Het buitenlandse personeel bleek lastig inzetbaar in de Nederlandse instellingen. “De Nederlandse aanpak in de zorg is toch anders dan elders”, zegt Vliegenthart. “Als er een of twee instromen in een grotere groep passen ze zich wel aan. Bij een groter aantal ligt dat ingewikkelder. Dat kan eigenlijk alleen in noodsituaties.”

Andere maatregelen hadden meer succes. Vliegenthart stuurde Marcel van Dam het land in om via regionale bijeenkomsten zorgsinstellingen ook daadwerkelijk te stimuleren om meer te gaan bouwen. Bureaucratische belemmeringen moesten worden aangepakt en dat mocht ook allemaal wel een beetje onorthodox. Dat zorgde voor vernieuwingen die zonder de wachtlijsten misschien nooit tot stand waren gekomen. Met name woningbouwcorporaties gingen zich meer op zorg richten en stortten zich op het beschermd zelfstandig wonen. “Dat was volgens mij niet gebeurd zonder die druk.”

Effectief was ook het opschonen van de wachtlijsten. Sommige mensen stonden op meerdere lijsten, soms was iemand al overleden. Er kwamen duidelijke normen over hoe lang iemand redelijkerwijs op een bepaalde voorziening zou moet mogen wachten. Begin 2001 kwam een commissie onder leiding van directeur-generaal Martin van Rijn van het ministerie van Binnenlandse Zaken met plannen om het werken in de publieke sector aantrekkelijker te maken. In 2001 en 2002 werd veel geld uitgetrokken voor betere salarissen en andere arbeidsvoorwaarden. Zeker zo belangrijk was ook de omslag in de conjunctuur. Vanaf eind 2001 ging het slechter met de economie. Daardoor werd het een stuk eenvoudiger om met de marktsector te concurreren om personeel.

Voorkomen

“Je merkte elke drie maanden dat de wachtlijsten korter werden”, zegt Vliegenthart. “We kregen minder klachten, minder brieven en er kwamen minder schrijnende gevallen in de krant.”

De situatie van nu lijkt erg op die van de jaren negentig, vindt Vliegenthart. Na een aantal jaren van slapte lijkt nu de economie weer flink aan te trekken. Ondertussen is de vergrijzing alleen maar verder toegenomen en kan de medische wetenschap nog meer.

“De les die we uit de jaren negentig moeten trekken, is dat voorkomen beter is dan genezen”, zegt Vliegenthart. “Als het eenmaal fout gaat, zijn de problemen veel groter.” Dat problemen komen niet alleen terecht in de samenleving. Ook politici zullen erop worden afgerekend, zegt met verwijzing naar de enorme dreun die de paarse partijen in 2002 kregen bij de verkiezingen. “Regeren is natuurlijk ook vooruitzien.”

Motivatie

Volgens Vliegenthart ligt er niet alleen een taak voor de overheid, maar ook voor alle partners in het veld. De dreigende personeelstekorten kunnen ook opgevangen worden door het huidige personeel te verleiden om meer te gaan werken. In de zorg werken veel vrouwen met deeltijdbanen. Door sociale innovatie zou hun werk aantrekkelijker gemaakt kunnen worden. “Mensen die voor een baan in de zorg kiezen, doen dat vaak vanuit een sterke intrinsieke motivatie. Die willen anderen helpen. Laat ze dat dan ook doen en haal andere taken zoveel mogelijk bij hen weg.”

Betere kinderopvang zou het voor vrouwen ook aantrekkelijker maken om langere werkweken te draaien. Daarnaast zouden er per regio aparte maatregelen getroffen moeten worden. Ook de zomervakantie is een probleem dat aangepakt moet worden, meent Vliegenthart. “Een betere spreiding is heel belangrijk. Nu is iedereen in een bepaalde regio op hetzelfde moment weg. In een fabriek kun je dan nog zeggen: we sluiten gewoon een lopende band. In de zorg kan dat niet.”

Eigenlijk zijn de aanbevelingen van de commissie-van Rijn nog steeds van kracht, zegt Vliegenthart. “Maar je zag bij de bezuinigingen van het kabinet-Balkenende dat als eerste de opleidingsplaatsen eraan moesten geloven. Een directeur die de keuze heeft tussen mensen minder zorg geven of minder stagiaires begeleiden, kiest voor dat eerste.” Vliegenthart kan het zich vanuit zijn positie heel goed voorstellen, maar voor de sector als geheel is het redelijk rampzalig. “Gelukkig is dat nu weer teruggedraaid.”

De vooruitzichten voor de zorg zijn minder erg dan voor het onderwijs, denkt Vliegenthart. Daar is het personeel over het algemeen veel ouder. Over een paar jaar zal een flinke groep vrijwel gelijktijdig met pensioen gaan. Ook het aantal studenten op een zorgopleiding is groter. “Van alle jongeren in het MBO doet een derde zorg en welzijn. Maar als die geen stageplaats vinden, kunnen ze ook geen diploma halen. We kunnen het ons niet permitteren dat die mensen afhaken. Over een paar jaar hebben we ze bikkelhard nodig.”





Het is erger dan toen

Eind jaren negentig was het ook al moeilijk om voldoende goed opgeleide mensen te vinden voor het onderwijs en de collectieve sector. Dat probleem leek vrijwel opgelost toen het economisch slechter ging en de collectieve sector minder concurrentie ondervond van de private sector. Nu de economie weer lijkt aan te trekken, is de Nederlandse bevolking gemiddeld een stuk ouder geworden. De vergrijzing zal er over enkele jaren voor zorgen dat grote groepen stoppen met werken. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de zorg, maar vooral voor het onderwijs. In het voortgezet onderwijs zal binnen zes jaar een flink deel van het personeel uitstromen. Vanaf 2010 is een tekort aan leraren in het basisonderwijs te verwachten dat vervolgens steeds groter wordt. Volgens de SER, die hier vorige maand een advies over vaststelde, is dit een uiterst zorgelijk vooruitzicht. Een goed opgeleide bevolking wordt namelijk steeds belangrijker om de internationale concurrentie vol te kunnen houden. Daarom moeten er snel maatregelen getroffen worden. Het totale aantal mensen dat werkt, moet omhoog. Ook zullen mensen langer moeten werken. De status en het imago van het werken in het onderwijs moet verbeteren.

SER-bulletin juni 2006

Inhoudsopgave