Na Amerika en Japan investeert ook China steeds grotere bedragen in onderwijs en technologische vernieuwing. Europa lijkt wakker geschud. In opdracht van voorzitter Barroso van de Europese Commissie smeedt kroonlid Frans van Vught plannen voor de oprichting van het European Institute of Technology.
Christel Witteveen
“Om te kunnen blijven concurreren met landen als de Verenigde Staten en China, moeten we mensen in Europa beter gaan opleiden. Ook moeten we zorgen dat hun kennis beter wordt toegepast.” Dat zegt Frans van Vught, voormalig rector van TU Twente, SER-kroonlid en lid van het Nederlandse Innovatieplatform. Van Vught was aangenaam verrast toen hij vorig jaar een persoonlijke uitnodiging van commissievoorzitter Barroso ontving om plaats nemen in diens Group of Societal Policy Analysis (GSPA).
Deze denktank heeft de uitdagende taak een balans te vinden tussen verdere Europese integratie en de op veel plekken aanwezige angst voor afkalving van de verzorgingsstaat. De Europese Unie moet de interne markt vergroten, meer doen aan technologische vernieuwing en meer ondernemerschap stimuleren. Maar dan wel met behoud van de sociale verworvenheden van de welvaartstaat. Anders leiden alle ambities slechts tot verminderde steun bij de bevolking. In Nederland en Frankrijk uitte zich dat al met het ‘nee’ tegen de Europese grondwet.
“Als mensen steeds horen dat ze minder zekerheden zullen hebben, langer moeten werken en meer risico’s moeten dragen, dan leidt dat tot negatieve gevoelens”, zegt Van Vught.
“Wij constateren overigens dat veel onvrede ook voortkomt uit algemene politieke ontevredenheid. Nederland heeft heel hard geroepen dat het geld terug wil van Europa. Daardoor is het beeld ontstaan van Europa als geldverslindende bureaucratie. Dat is jammer.”
Om de ontevredenheid bij de bevolking weg te nemen, verwachten de experts van GSPA veel heil van een regionale aanpak. Van Vught: “Mensen hebben een grote sociale en emotionele binding met hun regio. Als regio’s meer armslag krijgen, zal dat positief uitwerken op hun steun voor Europese instellingen.
Wij zouden daarom graag zien dat het belang van regio’s toeneemt en dat ze ook bestuurlijk worden versterkt. Nationale overheden kunnen zich dan meer beperken tot coördinerende taken.”
Voorspoed Van Vught houdt zich bij GSPA specifiek bezig met het onderwijs- en onderzoeksbeleid. Europa moet aan de slag om meer nieuwe kennis te produceren. Zonder voldoende innovatie dreigt Europa te vervallen tot een relatief arm continent. Van Vught: “In Europa zijn we verwend, we denken dat onze economische voorspoed oneindig is. Maar we worden ouder, onze pensioenaanspraken nemen toe, we krijgen een tekort aan arbeidskrachten en een probleem met het niveau van de beroepsbevolking. Als we daar niets aan doen, zullen onze kinderen een minder plezierige toekomst hebben.”
Extra investeringen in onderwijs en onderzoek vormen volgens Van Vught een belangrijk deel van de oplossing. Maar Europa moet die kennis ook gaan gebruiken. Barroso vatte daarom het plan op voor een Europese variant van de Amerikaanse ‘innovatiemachine’ MIT, het Massachusetts Institute of Technology.
“We willen een technologisch topinstituut van de grond krijgen in de vorm van netwerken van samenwerkende universiteiten, bedrijfsleven en financiers”, verduidelijkt Van Vught. “Als de Universiteit Utrecht toponderzoek zou willen doen naar sterrenkunde, dan kan ze samen met andere Europese universiteiten in aanmerking komen voor financiering. Dat onderzoek krijgt dan als label ‘Partner in EIT’. De Europese Commissie zou jaarlijks een miljard euro beschikbaar moeten stellen om op deze manier doorbraken in technologische kennis te kunnen creëren. Een zelfde bedrag zou moeten komen van het bedrijfsleven. Ik verwacht dat bedrijven best bereid zijn zo’n bedrag te investeren, mits ze het onderzoek als zinvol ervaren.”
Niet alle lidstaten lopen even warm voor de plannen. Zweden en Duitsland aarzelen. Zij willen er liever geen bureaucratische instelling bij in Europa. Ook de Nederlandse minister van onderwijs Van der Hoeven uitte haar twijfels. Een Europees topinstituut zou wel eens een schaduw kunnen werpen op Nederlandse kennisinstellingen die willen meedraaien in de wereldtop.
Van Vught weerlegt die kritiek door erop te wijzen dat het juist de bedoeling is van het netwerkmodel om het onderzoek te initiëren vanuit de bestaande kennisinstellingen. Als speerpunten voor onderzoek gelden onder andere nieuwe energie, nanotechnologie, biotechnologie en informatietechnologie.
China De Europese top van eind dit jaar in Finland zal het definitieve voorstel moeten goedkeuren. Daarna volgt goedkeuring van het Europees Parlement. Althans, dat verwacht Van Vught die in het parlement vaak meer een pro-Europahouding bespeurt dan bij de individuele lidstaten. In 2008 zou het EIT daadwerkelijk van start moeten.
Vorig jaar uitte Van Vught nog kritiek op de ontwikkelingen op het gebied van innovatie in Nederland. Sinds het kabinet extra geld beschikbaar heeft gesteld voor uitvoering van allerlei beleidsplannen is hij echter positief gestemd. “Ik zie dat de sleutelgebiedenaanpak, waarbij kennisinstellingen, bedrijfsleven en financiers gezamenlijk projecten uitvoeren, resultaten boekt. Bij het cluster nanotechnologie zie ik allerlei nieuwe bedrijvigheid ontstaan. Die leidt tot economische groei en meer werkgelegenheid. We moeten dit beleid nog wel een paar jaar voortzetten om echt effect te sorteren.”
Van Vught, die behalve in Brussel en Den Haag ook functies heeft in Duitsland en Hong Kong, denkt dat Nederland nog veel kan leren van initiatieven in andere landen. “Wij willen altijd een rechtvaardige verdeling van geld, elke universiteit moet evenveel ontvangen. In China heeft de overheid besloten om heel veel geld te geven aan een beperkt aantal universiteiten. Die moeten doorstoten naar de wereldtop. China wil de VS naar de kroon steken, ook wat onderwijs betreft. Dat zal ze lukken. Ik zie de opkomst van Chinese universiteiten al terug in allerlei rankings.”