Home | Publicaties | SERmagazine | 2006 | december 2006 | De moraal kent geen onverplichte verplichtingen

De moraal kent geen onverplichte verplichtingen

Maatschappelijk verantwoord ondernemen is ingeburgerd in het Nederlandse bedrijfsleven. Een goede zaak, vinden de auteurs van het boek Bedrijfsgevallen. De tijd is nu rijp om ethische kwesties scherper en met meer diepgang aan de orde te stellen. Dat doen zij door een aantal affaires uit de afgelopen jaren onder de loep te nemen.

Hanne Obbink

Hoe kon Ahold zo diep in de problemen raken met zijn roemruchte side letters? Was de affaire rond de oliereserves van Shell te wijten aan technische fouten van het management of aan moreel verwerpelijk gedrag? Is het feit dat in de bouwwereld andere normen gelden dan elders een morele rechtvaardiging voor de bouwfraude? Had offshorebedrijf IHC Caland zich moeten terugtrekken uit Birma, omdat daar een regime heerst dat de mensenrechten schendt?

Al deze vragen komen aan de orde in Bedrijfsgevallen, een bundel artikelen over morele beslissingen van ondernemingen onder redactie van de bedrijfsethici Wim Dubbink en Henk van Luijk. Antwoorden geeft het boek ook. Zeker, luidt bijvoorbeeld het oordeel over Shell; het management is in moreel opzicht over de schreef gegaan. En nee, die andere normen van de bouwwereld zijn geen moreel excuus voor fraude.

Misschien wel het verrassendste oordeel valt IHC Caland ten deel. Dat bedrijf besloot eind jaren negentig een offshoresysteem te bouwen voor de kust van Birma. Er waren honderden miljoenen gemoeid met die deal, maar de kritiek was niet van de lucht. Want investeringen in Birma, zo luidde die kritiek, komen direct of indirect ook ten goede aan het militaire regime dat het land teistert. IHC Caland toonde zich volstrekt ongevoelig voor die kritiek. “Wij zitten ver weg op zee”, liet het bedrijf weten. “Wij doen niets onwettigs”. Het weigerde zich terug te trekken. “Contract is contract.”

‘Rauwe ondernemingslust’, zo wordt de houding van IHC Caland getypeerd. Maar vervolgens onderwerpt de Tilburgse hoogleraar ondernemingsethiek Johan Graafland het geval aan een ‘utilistische’ analyse. De vraag waar het in die analyse om draait is: welke morele beslissing levert het meeste nut op voor iedereen die erdoor wordt beïnvloed? De investering heeft zeker nut voor aandeelhouders en werknemers van IHC Caland zelf, stelt Graafland allereerst. Als terugtrekken ertoe zou leiden dat het militaire regime verdwijnt, zou ook dat nuttig zijn. Maar de kans dat dat laatste gebeurt, is zo klein dat die in een utilistische analyse weinig gewicht in de schaal legt. En daarom zou men kunnen concluderen, stelt Graafland voorzichtig, dat IHC Caland deed wat het kon.

Schandpaal

Volgens de auteurs markeert Bedrijfsgevallen een nieuwe fase in de bedrijfsethiek. Het vak is nog jong. Toen het zich in de loop van de jaren tachtig aandiende, ontmoette het nogal wat weerstand. Vanuit de wetenschap, omdat de bedrijfsethiek allerlei fundamentele vragen – wat is een morele uitspraak eigenlijk? – toepaste op een manier die academische ethici triviaal vonden. En vanuit ondernemerskringen, omdat daar de indruk heerste dat ethici het bedrijfsleven per definitie als aanstichter van onheil zagen.

Die weerstand in ondernemerskringen is verdwenen. De meeste ethici bleken er niet op uit om bedrijven bij elke affaire aan de schandpaal te nagelen en bedrijven ontdekten dat ethici hen ook iets te bieden hadden: hulp bij het opstellen van bedrijfscodes, beroepscodes, branchecodes en wat niet al. Bovendien kwam maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) in zwang. “Wat de term bedrijfsethiek niet wist te bewerken”, schrijft Henk van Luijk in Bedrijfsgevallen, “kreeg MVO wel voor elkaar. Het bedrijfsleven realiseerde zich dat winst en continuïteit weliswaar onontbeerlijk zijn, maar dat een onderneming op drijfzand is gebouwd als niet tegelijk aandacht wordt gegeven aan de sociale en de milieueffecten van het ondernemings-handelen.”

Maar met die aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen is ook iets verloren gegaan. Alom wordt de stelling verkondigd dat MVO vrijwillig is, maar niet vrijblijvend. Dat is een bezweringsformule die de reputatie hoog en de moraal op afstand houdt, betoogt Van Luijk. “De moraal kent geen onverplichte verplichtingen, MVO blijkbaar wel. Dat is geen gering verschil.”

Bij maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat het er vooral om schade te voorkomen en winst te boeken door ervoor te zorgen dat je bedrijf als fatsoenlijk te boek staat. Het gaat dus om verstandig handelen, stelt Van Luijk, en niet om moreel weldoordacht handelen. Die verschuiving gaat ten koste van de diepgang. Met hun bundel willen de auteurs die diepgang weer vergroten door het stugge handwerk van de ethische analyse toe te passen op affaires van de afgelopen jaren.

Promotiemeisjes

Dat stugge handwerk levert niet altijd kant-en-klare oplossingen op. Dat blijkt onder meer uit een van de minder bekende casussen die de bundel behandelt, die van de promotiemeisjes die het bier van een dochteronderneming van Heineken aan de man moeten brengen in Cambodja. In café’s in Cambodja werken doorgaans promotiemeisjes van verschillende biermerken, die ieder proberen de klanten hún bier te verkopen.

Hun arbeidsomstandigheden zijn slecht, hun salaris karig. Een aantal verdient bij door zich na werktijd te laten betalen voor seks met klanten. Ook onder werktijd – en tegen hun wil – worden deze meisjes vaak en gewelddadig lastiggevallen door klanten die uit zijn op seks. Juist het doel van hun werk, bier verkopen, keert zich tegen deze meisjes. Van dronken klanten hebben zij het meeste last.

In hoeverre is Heineken nu verantwoordelijk? Een lastige vraag, al was het maar omdat Heineken die meisjes niet rechtstreeks in dienst heeft, maar via twee Aziatische dochterondernemingen. Maar liefst zeven bedrijfsethici buigen zich in ‘Bedrijfsgevallen’ over deze kwestie. Slechts één van hen, de Tilburgse ethiekdocent Herman van Erp, komt tot een eenduidige conclusie. “Mijn advies aan Heineken is”, schrijft hij: “Trek je terug tenzij je je effectief kunt inzetten tegen de praktijken van seksueel geweld jegens je eigen promotiemeisjes.”

Alle zes anderen blijven steken in mitsen en maren. Maar via hun betoog maakt de lezer wel kennis met de ‘theorie van de productverantwoordelijkheid’, het ‘principe van de handeling met neveneffecten’, het ‘niet-schaden-beginsel’ en het ‘autonomiebeginsel’. Taaie stof voor de CEO’s die op zoek zijn naar een leidraad voor hun eigen bedrijfsbeslissingen. Voor hen is het boek ook niet bedoeld. Maar via de toekomstige ethici die aan de hand van dit boek worden opgeleid, komen deze inzichten uiteindelijk misschien ook hen van pas.

Wim Dubbink en Henk van Luijk, Bedrijfsgevallen. Morele beslissingen van ondernemingen. Uitgeverij Van Gorcum, 368 pagina’s, € 39,50.
SER-bulletin december 2006

Inhoudsopgave

Alles over het thema