In de jaren negentig heeft nagenoeg heel Europa het Angelsaksisch denken overgenomen. En dat geldt zeker voor de zakenelite, zo stellen Piet Moerman en Jaap Jan Brouwer. In hun boek dat onlangs verscheen, waarschuwen ze voor een sluipende amerikanisering die enorme bedreiging betekent voor de Europese tradities die op dit moment voor een groot deel onder het stof zijn geraakt.
Jan Buevink
Het is overduidelijk een Angelsaksische titel: Master of Business Administration. Toch leggen steeds meer Europeanen een flinke smak geld neer voor een opleiding die hen het recht geeft om de letters MBA achter hun naam te zetten. Maar het administreren, oftewel het beheersen, van een onderneming heeft over het algemeen weinig te maken met het leiden ervan, stellen emeritus hoogleraar industriële economie Moerman en managementconsultant Brouwer. Althans, voor wie uitgaat van een Europese benadering van ondernemen.
In die letters MBA komt een van de belangrijkste verschillen tussen het Amerikaanse en het Europese denken naar voren. Amerikanen streven naar zo veel mogelijk manieren om hun omgeving naar hun hand te zetten. Ze willen zo groot mogelijk regie en controle en dat stelt natuurlijk eisen aan hoe ze hun organisaties inrichten: een uitgebreide planning and controlcyclus, omvangrijke rapportagesystemen en veel aanvullende procedures.
De wortels van dit Amerikaanse denken liggen in het begin van de vorige eeuw toen Amerika overspoeld werd door veelal laaggeschoolde emigranten die de taal niet machtig waren. Zij konden goed ingezet worden in het simpele productiewerk dat zoveel mogelijk gerationaliseerd werd volgens onder meer de ideeën van Frederic Taylor.
De wortels van het Europese systeem liggen meer in de middeleeuwse gildes waarbij jongeren vakkundig werden opgeleid door oude rotten. Alhoewel deze meester-gezelrelatie formeel verdween toen de gildes verdwenen, werd de aanpak voortgezet. Toen meteen na de Eerste Wereldoorlog de Verenigde Staten de weg van Taylor insloegen door simpel werk zo rationeel mogelijk uit te voeren, koos Duitsland voor het beter opleiden van werknemers. In 1919 werd daar de leerplicht met maar liefst drie jaar verlengd, waarbij veel aandacht kwam voor het opdoen van praktijkervaring. Het investeren in medewerkers leverde goed gekwalificeerd personeel op dat veel meer kon dan enkel het uitvoeren van simpele opdrachten.
Oorlog In hun boek illustreren Brouwer en Moerman de verschillende benaderingen door de manier waarop de Amerikanen en de Europeanen (en dan met name de Duitsers) oorlog voerden.
De Duitsers hanteerden al vanaf eind 19e eeuw een Auftragstaktik. Legeronderdelen kregen niet langer gedetailleerd uitgeschreven plannen, maar doelen die ze, binnen bepaalde randvoorwaarden natuurlijk, moesten zien te bereiken. De leiding vertrouwde op de volwassenheid van de manschappen en de kwaliteiten van het lagere kader. De generaals gingen uit van de chaos van het slagveld en leerden hun manschappen met de daaruit voorvloeiende onzekerheden om te gaan.
De manier waarop de Amerikanen hun leger hadden opgebouwd, sloot veel meer aan bij de ideeën van Taylor. Er was sprake van een Befehlstaktik met gedetailleerde plannen die nauwkeurig uitgevoerd moesten worden, een duidelijke hiërarchie en nadruk op beheersing en standaardisatie. Mede doordat de Amerikanen de oorlog wonnen, werd hun denkwijze dominant in de Westerse wereld.
Ondanks dat de Amerikanen geen behoefte voelden om hun Tayloristische benadering fundamenteel ter discussie te stellen, namen ze op de duur wel elementen uit de Europese traditie over. Eind jaren zestig deed de sociotechnische benadering zijn intrede in de managementwetenschappen waarbij er meer aandacht kwam voor menselijke betrokkenheid. Later kwamen zelfsturende teams, lerende organisaties en situationeel leidinggeven. Het waren varianten op praktijken die in het Duitse leger aan het eind van de 19e eeuw vaak al gemeengoed waren, constateren beide auteurs. Amerikaanse managementgoeroes presenteerden ze, soms bijna een eeuw na dato, nog als Angelsaksische innovaties.
Zoektocht Dat desondanks het Rijnlandse model weinig aandacht krijgt, komt volgens de auteurs doordat het concept nog te fragmentarisch van opbouw is, onvoldoende uitgewerkt en vaak niet goed genoeg gepresenteerd wordt. “We staan nog maar aan het begin van de zoektocht naar een Europese/Rijnlandse identiteit.”
Met hun boek hebben ze inderdaad bouwstenen aangeleverd die het denken verder kunnen helpen. Anderzijds valt ook op hun presentatie wel wat aan te merken. Om hun waardering voor de organisatorische aanpak van het Duitse leger op waarde te kunnen schatten, zal menig lezer toch wel de nodige weerstand moeten overwinnen. De Duitse maarschalk Ludendorff mag dan misschien al in de Eerste Wereldoorlog inzichten hebben toegepast die pas decennia later onder Amerikaanse managers gemeengoed werden, hij is nu toch vooral bekend als de grote man achter de beruchte Bierkellerputsch die Hitler al in 1923 aan de macht had moeten helpen. En de battlefield performance van het Duitse leger, mocht dan anderhalf keer hoger liggen dan die van andere legers, als bewijs voor de superioriteit van het Europese model, voelt het toch een beetje unheimisch, om ook maar eens een Duits woord te gebruiken.
Vrijemarktgeloof
Verder is het natuurlijk ook de vraag of de Rijnlandse identiteit wel identiek is aan de Europese, zoals de auteurs voor het gemak maar doen voorkomen. Zeker nu de Europese Unie vorig jaar flink naar het oosten is uitgebreid.
Wat beide auteurs vooral lijkt tegen te staan in de Angelsaksische benadering is het sterke geloofskarakter daarvan. Sinds de val van het communisme zien zij dat er sprake is van een soort vrijemarktgeloof. Onderdeel daarvan is het idee dat de samenleving via het prijsmechanisme maakbaar is. In plaats van zich te focussen op de wereld zoals die zou moeten zijn (Amerikaanse aanpak), letten de Europeanen volgens Brouwer en Moerman meer op hoe die echt is. Wat dat betreft zijn ze zelf overduidelijk Europeanen. Ze hebben dan ook niet de pretentie dat hun boek pasklare antwoorden geeft. Het is meer een zoektocht, of een appel, zoals ze in hun voorwoord zeggen.
Angelsaksen versus Rijnlanders: zoektocht naar overeenkomsten en verschillen in Europees en Amerikaans denken. Jaap Jan Brouwer en Piet Moerman.
Uitgeverij Garant, 132 p, € 19,90.