Hoe bedreigend is het voor de Nederlandse economie dat ondernemingen een groot deel van hun activiteiten verplaatsen naar het buitenland? Dat was vorige maand onderwerp van discussie in het Amsterdamse Vakbondsmuseum. Voor de werkgelegenheid doet het er weinig toe, zo blijkt uit cijfers. En dat Europa straks het achterland van de wereldeconomie is, hoeft volgens sommigen ook geen ramp te zijn. “Japan, dát moet sidderen en beven. Wij niet.”
Hanne Obbink
De cijfers ogen geruststellend. De Amsterdamse hoogleraar economie Jules Theeuwes had ze van het Centraal Bureau voor de Statistiek en illustreerde ermee dat het zogeheten offshoring, het verplaatsen van bedrijven naar het buitenland, eigenlijk een onbeduidend verschijnsel is. Want, zo betoogde Theeuwes, Nederland telt tussen de zeven en acht miljoen banen. Daarvan verdwijnen er per jaar een dikke 500.000, maar er komen er ook zo’n 700.000 bij – deels door groei van bestaande bedrijven, deels door de start van nieuwe. Offshoring kost Nederland niet meer dan tien- à twintigduizend banen per jaar. Afgezet tegen de ontwikkeling van de Nederlandse werkgelegenheid als geheel is dat dus peanuts.
“Zolang er meer banen bijkomen dan verdwijnen, is er sowieso niets aan de hand”, aldus Theeuwes. Zeker, gaf hij toe, de CBS-cijfers stammen van een paar jaar geleden en door de recessie die daarna is ingezet, zullen er sindsdien per saldo misschien meer banen verdwenen zijn. Maar de economie zal wel weer aantrekken, en hoe dan ook is het effect van offshoring op dat saldo bijna te verwaarlozen.
De Amsterdamse hoogleraar – tevens lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – liet nog wel meer relativerende geluiden horen. Neem Philips, dat in 2003 na een lange discussie zijn productie van halfgeleiders verplaatste van Stadskanaal naar China. “Eigenlijk gebeurt er dan niets anders dan wanneer een Taiwanees zelf een halfgeleiderfabriekje opzet en daarmee de wereldmarkt verovert. Niets bijzonders. Zo gáát dat gewoon in een economie die door internationale concurrentie wordt beheerst.”
Volgens Theeuwes hoeft Nederland ook niet al te beducht te zijn voor landen als China en India. In economisch opzicht zijn dat slapende reuzen, erkende hij. Maar als het gaat om offshoring zijn de nieuwe lidstaten van de EU in Oost-Europa veel belangrijker. En zolang Nederlandse werknemers nog stukken productiever zijn dan hun Oost-Europese collega’s kan Nederland de concurrentie met de lagelonenlanden in het voormalig Oostblok sowieso best aan.
Jammer Alles goed en wel, maar volkomen gerust moeten we er toch niet op zijn, reageerden twee andere deelnemers aan het debat. Want wat gebeurt er als een hele sector uit Nederland verdwijnt, vroeg Annelies Hogenbirk zich af. Zij is hoofd macro-economisch onderzoek bij de Rabobank en verwees naar de teloorgang van de textielindustrie in Twente. Achteraf bleek dat voor de Nederlandse economie als geheel niet rampzalig te zijn. Maar of het verdwijnen van een kennisintensieve sector als de chemie even weinig sporen zal achterlaten, was voor haar nog een vraag.
Ook Carla Kiburg, als bestuurder van FNV Bondgenoten verantwoordelijk voor de ICT-sector, plaatste kanttekeningen. In de ICT-sector zijn de afgelopen jaren veel banen verdwenen en inderdaad ook veel banen teruggekomen. “Maar niet één-op-één, want het werk dat terugkomt is anderssoortig”, aldus Kiburg. “Het gevolg is dat veel mensen van veertig jaar en ouder eruit gewipt worden. Als die er een paar jaar uit zijn, slagen ze er nooit meer in weer aan het werk te komen. Maar omdat de werkgelegenheid niet afneemt, ziet niemand dat als een probleem. Dat is kennelijk een ‘gevalletje jammer’, meer niet.”
Uiteindelijk kunnen al die ‘gevalletjes jammer’ echter wel degelijk invloed hebben op de Nederlandse economie als geheel, waarschuwde Kiburg. Want de ICT blijft een drijvende kracht voor de economie. Maar jongeren die al die werkloze veertig-plussers zien, krabben zich wel twee keer achter hun oren voor zijzelf voor een studie en een loopbaan in de ICT zullen kiezen. “Zonder voldoende hoogopgeleide ICT’ers gaan we de bodem missen voor de kenniseconomie die we willen zijn.”
Kiburg pleitte daarom allereerst voor een krachtig innovatiebeleid. Daarnaast stelde zij voor ondernemingsraden beter toe te rusten als die een advies moeten geven over het verplaatsen van bedrijfsonderdelen. Zij verwees naar onderzoek waaruit blijkt dat er in de Verenigde Staten negen miljard dollar per jaar verloren gaat aan mislukte offshoring-projecten. “Laat dus een soort efficiency-toets maken, als bedrijven verplaatsingsplannen hebben.
Op grond daarvan kan de ondernemingsraad dan advies geven.”
Achterland In de zaal zat ook Theo Bouwman, bedrijfskundig ingenieur en voormalig Europarlementariër voor GroenLinks, zich te verbazen over Theeuwes’ relativerende woorden. “Het debat wordt beheerst door economen met CBS-staatjes”, zei hij. Hij had net een bezoek aan China achter de rug en concludeerde: “We vergissen ons in China. Dat land trekt allang niet meer alleen low tech, maar ook high tech, is allang niet meer alleen goed in pure productie, maar ook in research en ontwikkeling. De dreiging van China is veel groter dan we tot nu toe dachten.”
Volgens Bouwman moet Nederland ervoor zorgen dat zo’n tien procent van zijn bedrijvigheid zich in de maakindustrie afspeelt. Wordt het minder, dan zakt ook de rest van de economie in elkaar. “Dat heeft te maken met synergie”, zei Bouwman. “Kijk naar Philips. Daar verdween eerst de maakindustrie, toen de ontwikkeling en nu is de research aan de beurt. Er moet dus een effectieve industriepolitiek gevoerd worden.”
Theeuwes toonde zich echter onverstoorbaar. De maakindustrie maakt nu nog zo’n zeventien procent van de Nederlandse bedrijvigheid uit en het zou hem niet verbazen als dat ooit zo’n vijf procent zal zijn. Erg? Welnee. De landbouw zorgde ooit voor zeventig procent van het Nederlandse inkomen, nu nog maar voor twee à drie procent. Ook dat heeft Nederland overleefd. “De landbouwpolitiek heeft ervoor gezorgd dat er meer subsidie gaat naar koeien dan naar uitkeringstrekkers. Dat is verspild geld geweest – waarmee ook nog eens de ontwikkeling van de landbouw in derdewereldlanden is tegengehouden.”
Zeker, het zwaartepunt van de wereldeconomie komt binnen afzienbare tijd waarschijnlijk in China en India te liggen, en Europa wordt dan een soort achterland. Maar ook dat is volgens Theeuwes geen ramp. “Handel vindt altijd vooral plaats tussen landen die bij elkaar in de buurt liggen. Nederland draait vooral op handel binnen Europa. Japan, dát moet sidderen en beven. Maar wij niet.”